zaterdag 12 november 2016

Geodiscussies op Linkedin: roepen in de woestijn?

Zo nu en dan haal ik de stofkam door de LinkedIn groepen waar ik lid van ben. Gebeurt er nog iets, is de groep nog relevant om te volgen? Zo niet, dan gaat-ie in de LinkedIn afvalbak. Toedeledokie!
Zo'n opruimactie geeft ook een aardig beeld van waar er überhaupt nog discussie plaats vindt.

In de tijd dat LinkedIn druk aan de weg aan het timmeren was jou en mij te verleiden tot het aanmaken van een LinkedIn account waren de discussie een mooi middel om klanten mee te verleiden. Het traditionele UseNet had als discussiepodium zijn beste tijd wel gehad, en daar kon de overname van het UseNet archief door Google Groups niet heel veel aan veranderen.
De afgelopen jaren heeft LinkedIn de discussies in de groepen steeds meer afgewaardeerd. De opties om je tijdlijn gewoon op datum te sorteren verdween (waardoor sommige posts niet of nauwelijks meer waren terug te vinden), en er werden maatregelen genomen ("SWAM") waardoor het aanhouden van een post in één groep er toe leidt dat een post van jou in andere groepen ook in de wacht wordt gezet. Een artikel van JB Gershbein in de Huffington Post beschrijft hoe LinkedIn groepen leeg zijn komen te staan. Alsof het panden in een winkelstraat in een middelgrote stad betreft.

Tijd voor een rondje langs wat Nederlandse geo-Linkedgroepen. Dat rondje was overigens een blik "door de oogharen", aangezien LinkedIn de API waarmee je groepsgrootte en -activiteit simpel en doeltreffend als "big data" kon verzamelen vorig jaar de nek heeft omgedraaid.
Wat opvalt is dat de LinkedIn groepen meer als een mededelingenbord fungeren, en veel minder als een discussietafel. In de grootste Nederlandse geo-groep Geo-Informatie Nederland (GIN) (ruim 3000 leden) is in het afgelopen jaar de verhouding tussen bericht en reacties ongeveer 1:1. Als je bedenkt dat er bij die reacties nogal wat opvolgende mededelingen van de oorspronkelijke post-er zitten (1e bericht: "wij zoeken een schaap met 5 poten", zelfde persoon 1 week later: "we zijn inmiddels voorzien") dan duidt dat niet op levendige discussies.
Wel kan bijna ieder bericht op een handjevol "likes" rekenen. We vinden elkaar in het geowereldje gelukkig nog steeds aardig.

Over naar de wat meer specialistische groepen op gebied van geo-basisregistraties.
In  de groep Basis Registratie Topografie (BRT) (bijna 700 leden) vliegen de voor- en tegenargumenten in gloedvolle discussies je weliswaar niet om de oren, maar vind er in ieder geval geregeld informatieuitwisseling plaats, waarbij opvalt dat adviseurs en productmanagers van het Kadaster zich er actief roeren.
Ook de groep BGT Basisregistratie Grootschalige Topografie is springlevend. Aldaar een vrolijke mix van trotse bronhouders die hun lokale BGT op de landelijke voorziening hebben aangesloten en al even trotse externe projectleiders. Maar ook technisch-inhoudelijke vragen van zowel BGT-bronhouder als gebruikers als passeren hier de revue. De drukte hier is des te opvallend omdat de BGT ook op Pleio een actief gebruikt podium heeft.
De groep BAG Afnemers heeft weer wat meer de kenmerken van een -overigens geregeld door MinIenM en Kadaster gebruikt- eenrichtingsverkeer mededelingenbord.

ArcGIS in Nederland dan. Het bovenaan uitgelichte gesprek is van 4 jaar geleden. Dat doet vermoeden dat de eigenaar van deze groep met 1700 leden met een lange sabbatical bezig is. Er blijken bij nader inzien wel wat recentere berichten in de groep te lezen, maar daarvan heeft het merendeel niet specifiek betrekking op ArcGIS. Ruim 300 ArcGIS gebruikers zelf hebben hun AGGN LinkedIn groep. Daar constateert een bestuurslid een maand geleden dat het er wel heel stil is geworden.

Ook in open source land slijten de toetsenborden niet hard van de vurige discussies. De groep Flamingo Geo CMS beperkt tot spaarzame aankondigingen van binnen- en buitenlandse open source geo-evenementen.

In het meer visueel ingestelde deel van de geosector blijken de 300 Nederlandse kartografen / Dutch cartographers de LinkedIn server ook niet bepaald plat te leggen. 10 maanden geleden is daar de berichtenstroom opgedroogd. Op het randje van het geodomein vinden we Datavisualisatie Nederland. Daar is het weliswaar iets drukker, maar ook de 400 leden daarvan kunnen met een gerust hart 3 weken op vakantie gaan zonder een mededeling te missen.
Nog eentje aan de randen van geoland: op Open data Nederland komen bijna wekelijks berichten voorbij. Dat blijken voor het overgrote deel aankondigingen van evenementen te zijn. Op zich prima, maar ook hier vind ik het opvallend dat discussie (laat staan polemiek) ver te zoeken is.

Is Twitter dan de social media place to be? Mwha. Met gemiddeld over het jaar 1 #geonl bericht per dag is de status van trending topic ver weg.

Dat brengt me bij mijn voorlopige conclusie dat "wij van de geo" elkaar veel meer in het echt tegenkomen dan dat we elkaar via social media connected zijn.
Of ik zie natuurlijk een aantal kanalen over het hoofd en blijkt de hele Nederlandse geosector nog op Hyves te zitten, of juist via het Dark Web met elkaar te communiceren.

En natuurlijk zie we elkaar op 22 november op de GeoBuzz in 's-Hertogenbosch. Zullen we afspreken in of bij de OSGeo.nl-zaal? Dexter 11, na de ingang de eerste zaal aan de linkerhand.

zondag 16 oktober 2016

EU-US Privacy shield: een veilige oplossing voor de cloudopslag van geodata?

Ongeveer een jaar geleden legden de EU-juristen een bom onder de Safe Harbor regeling. Dat was de afspraak tussen de VS en Europa waarmee Amerikaanse bedrijven plechtig konden beloven alle Europese normen ten aanzien van privacy bij de opslag van data keurig na te volgen. De -onder het mom van terrorismebestrijding- grijpbare arm van de Amerikaanse overheid hing als te grote schaduw boven de overzeese opslag om het waarborgen van onze Europese privacy geloofwaardig te laten zijn.

Om Amerikaanse clouddiensten toch een kans te geven de EU-markt te bedienen is sinds 12 juli jl. de opvolger van de Safe Harbor, de EU-US Privacy Shield . Strenger dan zijn voorganger, met een onder meer soort van ombudsman waar je overtredingen kunt melden. Dat roept gelijk herinneringen op aan VARA-coryfee Frits Bom...

Ik had het even gemist, maar als excuus kan ik aanvoeren dat ik op dat moment in Engeland was, waar men per referendum de EU de rug had toegekeerd. Bovendien bevind ik me in goed gezelschap, ICT-jurist Arnoud Engelfriet blogde er pas ook zeer onlangs over. En in GIS-land ben heb ik er nog helemaal niets over gehoord, de enige hit op "privacy shield" + GIS  brengt me bij het bedrijf "General Information Services". Heb ik dan toch een scoop?

Want voor de opslag van onze van geodata is de wet- en regelgeving voor "opslag overzee" wel degelijk relevant. Geonovum bracht daar begin 2015 een zeer lezenswaardig boekwerkje over uit. Sindsdien is het ook bij Geonovum wat stil geworden rond dit thema. Jammer, want met het steeds verder ontwikkelen van het stelsel van basisregistraties, met linked data en allerlei andere datakoppelingen is steeds meer locatiegebonden data met een of twee datakoppelingen zodanig specifiek herleidbaar tot individuen dat het valt onder de definitie van persoonsgegevens: gegevens die direct of indirect herleidbaar zijn tot een natuurlijk persoon.Hieronder vallen ook gegevens ‘die
mede bepalend zijn voor de wijze waarop de betrokken persoon in het maatschappelijk verkeer wordt beoordeeld of behandeld’;

Waar dan wel naar toe met je data?

Het simpelste is om het binnen de hekken van de EU op te slaan; daarmee voldoe je per definitie aan in de EU geldende wet- & regelgeving. Verder houdt Brussel ook een lijst bij van landen buiten de EU die ook voldoen aan onze eisen t.a.v zorgvuldige omgang met data: naast de 3 EEA landen (Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) van Argentinië tot Zwitserland.

Tot slot: ook broncode in een versiebeheersysteem als Git (waarin bijdragen immers worden gelabeld met naam en e-mailadres) vallen naar mijn idee onder persoonsgegevens, en zouden dus niet op servers in Amerika (Github!) gehost moeten worden. Dus maar eens even op zoek naar een Github look-a-like binnen de veilige grenzen van de EU.

zondag 24 juli 2016

De burger aan zet: de uitslag. En de complexiteit van de omgevingswet.

Op deze blog heb ik al een aantal maal eerder geschreven over de bestemmingsplanwijziging in mijn Amsterdamse achtertuin. Het globale bestemmingsplan "Stadswerf Oostenburg" was begin juli toe aan de laatste 2 bedrijven: de bespreking in de raadscommissie RO, en de daaropvolgende behandeling plus stemming in de Raad. Dat leverde nog aardig wat politiek vuurwerk op.

Vanuit participerende bewoners van de omliggende buurten is er in de inspraak met name aangedrongen het openbaar houden van kades en oevers, op variatie in bouwhoogte, en po een volwaardig aandeel sociale woningbouw. Dat laatste punt werd steeds meer de spil van de politieke discussie.
Een technisch lastige discussie, want in het ontwerp bestemmingsplan (onder bestuurlijke verantwoordelijkheid van het stadsdeel centrum) werd gesproken over percentages BVO (bruto vloeroppervlak) die gereserveerd zouden moeten worden voor sociale woningbouw, terwijl in het vigerend stedelijk beleid eigenlijk altijd wordt gesproken over percentages van de aantallen woningen. En er is helaas geen vaste "wisselkoers" tussen vloeroppervlak en aantal woningen, het hangt er maar net van af hoe groot of klein je de sociale huurwoningen, die in het middensegment en de koopwoningen bouwt.
Dat vigerende stedelijk beleid betreft met name de afspraken die er tussen gemeente, woningcorporaties en huurdersverenigingen zijn gemaakt, en die er kortweg op neer komen dat zodra in een wijk het aandeel sociale huurwoningen (aantallen dus!) beneden de 35% dreigt te komen er een alarmbel afgaat en de partijen rond de tafel gegaan om te kijken hoe hier op ingegrepen kan worden. Als geografische indeling wordt daarbij een opdeling van Amsterdam in 22 gebieden gehanteerd. Dat is een sinds 2015 in gebruik zijnde indeling die met name wordt gebruikt ten behoeve van het opstellen van sociaal(-ruimtelijk) beleid.
In de politieke discussies in bestuurscommissie, raadscommissie en Raad bleek die indeling nog wat onwennig te zijn; de dames en heren politici vielen bewust of onbewust liever terug op vetrouwde termen en indeling als de "Oostelijke Eilanden", waarmee technisch gezien echter maar naar pakweg een vijfde deel van het in deze discussie ter zake doende "22 gebieden - gebied" gerefereerd werd.

Had de omgevingswet (met het bijbehorende Digitaal Stelsel) hierbij kunnen helpen? Waarschijnlijk wel. Met het eenduidig vastleggen van beleid en beleidsvoornemens was de kans klein geweest dat er in het ontwerpbestemmingpslan ineens met percentages BVO ipv aantallen was gerekend. En daarnaast was de gebiedsindeling waarop de "35% afspraken" betrekking heeft in een Digitaal Stelsel waarschijnlijk wat prominenter naar voren gekomen. Alhoewel het daar naar mijn idee ook had geholpen als de 22 gebieden indeling van een wervende naam zou zijn voorzien.

Ook merk je aan dit proces dat om een Digitaal Stelsel volledig tot zin recht te laten komen echt alle plannen, beleid en beleidsvoornemens met een ruimtelijke component digitaal en vergelijkbaar beschikbaar moeten zijn. Dus ook de afspraken over de ondergrens voor het percentage sociale woningbouw per 22 gebieden-zonder-naam.

En dan nog: het ad-hoc hanteren daarvan in een politieke discussie in bestuurscommisie, raadscommissie en gemeenteraad is geen sinecure; bij de behandeling van dit bestemmingsplan in die gremia valt op hoe "tekstgericht" die behandeling is, je zou bij de raadscommissie RO de kaart van Amsterdam toch wat meer prominent in gebruik verwachten. Mocht iemand daarvan sprekende voorbeelden hebben dan verneem ik dat graag!

Hoe dan ook. Het bestemmingpslan is -met een amendement dat een hoger percentage sociale huur afdwingt- vastgesteld met een overigens krappe raadsmeerderheid. Daarmee kunnen we doorgaan naar de volgende stap: de uitwerkingsplannen. Waarschijnlijk zijn die weer wat meer op het ruimtelijk ontwerp (bouwhoogte, verkaveling) gericht.

zondag 12 juni 2016

De Nieuwe Kaart van Nederland is terug (een beetje, dan toch)

Tussen 1997 en 2010 was De Nieuwe Kaart van Nederland een instituut in de Nederlandse GIS en ruimtelijke ordening wereld. Deze kaart en vooral de achterliggende database had tot doel om alle plannen die een verandering in de fysieke leefomgeving tot gevolg hebben in beeld te brengen. Daarmee was er weliswaar overlap met de eind vorige eeuw schoorvoetend begonnen digitalisering van ruimtelijke plannen, maar aan de ene kant inventariseerde de Nieuwe Kaart minder (want geen "conserverende" bestemmingsplannen) en aan de andere kant meer verzamelde (ook niet-formele plannen van projectontwikkelaars en luchtballonnetjes uit kokers van beleidsmakers).

De inventarisatie was dan ook een arbeidsintensieve klus, waarbij de medewerkers van eerst de Stichting Nieuwe Kaart van Nederland en later NIROV (opgegaan in Platform31) destijds nog veelal analoge bestemmingsplannen maar ook kaarten uit lokale media verzamelden. Ook Geo-ICT technisch interessant: De Nieuwe Kaart was een van de eerste operationele webservices in Nederland, met zowel OGC-WMS services voor de professionals als een Google Earth KML versie.

In 2010 sneuvelde De Nieuwe Kaart. Niet omdat zij geen gebruikers had, maar wel omdat er slechts één gebruiker was die daar geld voor over had; het toenmalige Ministerie van VROM (thans IenM). Omdat dat Minsterie destijds in zeer zwaar financieel weer verkeerde bleef er geen andere keus dan de stekker er uit te trekken.

Hoe populaire de Nieuwe Kaart was bleek wel uit het feit dat de Nieuwe Kaart nog jarenlang nadat ze was opgehouden te bestaan de ranglijsten van meest gezochte datasets in het Nationaal Georegister aanvoerde. En tot op de dag van vandaag is die inmiddels wel erg verouderde Nieuwe Kaart nog terug te vinden, onder meer op ArcGIS Online en bij de Geoplaza van de VU.
Ik hoop dat de gebruikers zich realiseren dat de houdbaarheidsdatum ervan ruimschoots verstreken is. Wat niet wegneemt dat het als tijdsbeeld (grotendeels van vóór de crisis') nog steeds een interessante dataset is.

En nu is er een nieuwe Nieuwe Kaart.
Omdat het Ministerie van IenM tegenwoordige "laisser faire, laisser passer" als uitgangspunt hanteert dreigt onze Noordzeekust stukje bij beetje volgebouwd te worden. eind vorig jaar hoopte Minister Schultz in de medialuwe tijden rond de Kerst de bemoeienis van IenM helemaal tot 0 terug te brengen.
Daartegen kwamen politiek en NGO's in opstand. Als uitvloeisel daarvan heeft Natuurmonumenten opdracht gegeven (aan Buth Natuurlijk) om in beeld te brengen wat er zoals aan bouwplannen voor de Zeeuwse en Hollandse kust op de rol staat. En dat wordt door onder meer NRC breed uitgemeten.

Allereerst interessant om te zien dat het voor een specifiek doel en een specifieke regio wél mogelijk is deze inventarisatie weer uit te voeren. Al weet ik niet of Natuurmonumenten als ambitie heeft de inventarisatie structureel bij te houden.
Daarnaast valt op dat er wordt teruggegrepen op een klassiek rapport met kaarten, in plaats van een interactieve kaart met onderliggende webservices. De geografische aanduiding is ook wat minder ambitieus dan destijds bij de Nieuwe Kaart. Die probeerde zoveel mogelijk in vlakaanduidingen te vangen, terwijl Natuurmonumenten het bij een stip op de kaart houdt. Opvallend genoeg trouwens als "GPS coördinaten", alsof onze RD coördinaten al bij het grofvuil zijn gezet.

Ik ben benieuwd wat de ambities van opdrachtgever en makers zijn op gebied van bijhouding, uitbouwen, crowdsourcing (á la openstreetmap) etcetera. Daar kom ik in een volgende post op terug.

maandag 22 februari 2016

De burger aan zet in de omgevingswet. Eigen ervaringen én die van het SCP

Sinds 2 jaar bemoei ik me (met zo''n 20 buurtbewoners) intensief met de herziening van het bestemmingsplan van het gebied waar ik vanuit mijn Amsterdamse woning op uit kijk. Vorig jaar heb ik daar bij twee gelegenheden wat over verteld (zie presentatie nr. 8 op de site van een Geonovum dag over 3D en de omgevingswet). Erg leuk om als geo-professional met ruime ervaring in de ruimtelijke ordening vanuit een ander perspectief (dat van de burger) medeprofessionals een nieuw inzicht mee te geven.
(Aardige anekdote: bij aanvang van mijn verhaal vroeg ik aan de met 100 man/vrouw gevulde zaal hoeveel burgers er in de zaal waren. Slechts 10 mensen staken hun hand op... Got it?)

Kern van mijn betoog was dat a) bestemmingsplannen heel moeilijk leesbaar zijn, en dat RO-Online het daarbij niet gemakkelijker maakt (de meeste bewoners hebben zelf na aandringen bij de gemeente een PDF met de plankaart losgepeuterd), b) een bestemmingsplan met veel hoogbouwaspecten in een platte plankaart wel erg moeilijk leesbaar is en c) dat het proces van inspraak, dus nog los van de planinhoud, voor argeloze burgers bijna ondoorgrondelijk is. In Amsterdam overigens extra bemoeilijkt omdat centrale stad en bestuurscommissie er nog steeds niet uit zijn wie welke rol heeft op gebied van bestemmingsplannen. Dat het in dit geval om een globaal bestemmingplan met uitwerkingsplicht gaat maakt de zaak nog even wat complexer.

Voor de inleefbaarheid in de inhoud hielp het mijn medebewoners heel veel om -met Google Earth Professional, gevuld met Amsterdamse 3D panden- een aantal 3D beelden van het bestemmingsgebied te construeren, en daar een hele serie gezichtspunten mee te maken, met zowel "best case" als "worst case" scenarios. Door er een paar bekende Amsterdamse gebouwen in te zetten die ongeveer dezelfde hoogte hebben als wat het bestemmingsplan straks toestaat won de 3D verbeelding nog meer aan zeggingskracht. De stap naar Augmented Reality of VR moet ik nog even maken...
Met de uit deze 3D verbeelding voortkomende inzichten hebben we in onze zienswijze de gemeente en stedenbouwkundig bureau Urhahn weten te overtuigen om méér variatie in bouwhoogte aan te brengen door op sommige plekken juist hoger te bouwen dan de voorgestelde 42 meter.

Het mooie is dat parallel aan dit lokale buurtproces het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO) steeds meer vorm krijgt. Wel maak ik me zorgen over ambitie en invulling daarvan, want ik zie in het programma maar een beperkte 3D ambitie voor de eerste fase. En ik zie veel technisch-inhoudelijke invulling, maar weinig hulpmiddelen waarmee de burger en andere belanghebbenden in het inspraakproces worden begeleid.
Wel meedenken helemaal aan de voorkant, in onschuldige ontwerpsessies (Geodesign!) in houtskool. Maar als het er echt op aan komt en je als burger geconfronteerd wordt met plannen die in inkt staan, en de doorlooptijden zoals die in de Omgevingswet staan moeten worden gehaald, dan kun je wel wat ondersteuning gebruiken. Wat zijn de spelregels, waar kan ik ze vinden wie stelt ze op en wie handhaaft ze? En wanneer heb ik mijn 3 minuten inspraaktijd? Want daar komt het uiteindelijk op neer.

Gelukkig heeft het Sociaal Cultureel Planbureau dit onlangs in het essay "Niet buiten de burger rekenen" ook aan de orde gesteld. Inhoudelijk zeer herkenbaar, en bovendien in een vlotte stijl en compact geschreven waardoor je in een dik uurtje heel veel wijzer bent. Een absolute aanrader voor iedereen die met de Omgevingswet te maken heeft. En een mooi aandachtspunt voor het aanstaande Proverocongres.

Ondertussen participeren mijn buren en ik vrolijk door. Met overmorgen inspraak bij de raadscommisie RO over bij wie we nu eigenlijk over de planinhoud mogen inspreken. Een soort van meta-inspraak dus!

zondag 18 oktober 2015

Serendipiteit: Op zoek naar het onverwachte in NGR 3.0

Onlangs werd ik benaderd om mee te denken over een nieuwe release van het Nationaal Georegister (NGR). Dat ik mag aanschuiven bij de sessie heb ik waarschijnlijk te danken aan mijn bemoeienis (of: bemoeizucht?) met NGR 1.0 en 2.0. En op deze pagina's komt onze nationale gouden geogids ook nogal eens als onderwerp voorbij.
Vooralsnog zit ik vooral als prototype van een datazoeker in die klankbordgroep. Eigenlijk een beetje vreemd, want beroepsmatig ben ik in mijn huidige baan bij Ordina niet of nauwelijks gebruiker van het NGR. Maar goed, de andere klankbordleden zijn vooral dataprovider,  dus laat mij deze rol maar even spelen (en zoekende lezer: geef mij input!).

Dit voorjaar schreef ik al over hoe een echt nieuwe interface er uit zou kunnen zien. Maar pas afgelopen week snapte ik welk hoger doel zo'n interface ook kan dienen.
Dat hogere doel is serendipiteitWikipedia omschrijft serendipiteit nogal plat als "het vinden van iets onverwachts en bruikbaars terwijl je op zoek bent naar iets totaal anders". Wat mij betreft is voor de zoeker de mindset om open te staan voor iets onverwachts een integraal onderdeel van het begrip serendipiteit.

Wat heeft dat nu met een georegister als het NGR te maken? Welnu: als we als geosector echt willen dat die rijkdom aan (open) geodata die we in dit land hebben, en die voor een flink deel in het NGR staat beschreven ook echt wordt gebruik, dan moet de zoeker ook worden verleid om buiten de gebaande paden te zoeken. Zoals je in de lokale boekhandel ook altijd stuit op een leuk, want onverwacht, boek van een schrijver waarvan je al weer bijna vergeten was dat je die een half jaar geleden bij DWDD met interesse had aangehoord. Nog sterker: het hele concept van de ramsj-winkelketen Action is hier op gebaseerd.

De NGR-bezoeker die alleen maar op zoek is naar de juiste URL voor de WMS of WFS van een dataset waarvan hij absoluut zeker weet dat de one-and-only te gebruiken dataset is heeft niets met serendipiteit. Maar de ruimtelijk ontwerper of beleidsadviseur en nog meer de app- of webbouwer die rond een thema wat geodata bij elkaar wil harken wordt in haar creatieve proces enorm geholpen als de zoekfunctie van het NGR niet recht op zijn doel af gaat, maar ook wat ruimte laat om een dataset te ontdekken die buiten de gebaande paden ligt.
Ik ben benieuwd wat dit vraagt van de user interface, de search engine en van de metadata in het NGR .Maar het lijkt me geweldig als we dit in NGR 3.0 kunnen fietsen!

zondag 20 september 2015

LEF: Rijkswaterstaat meets Openstreetmap

"Ceci nést pas une carte". Of: "Openstreetmap: més d'un mapa".

Dat zijn -vrij naar René Magritte respectievelijk FC Barcelona- twee uitspraken die heel erg op Openstreetmap van toepassing zijn. Er zit onder de motorkap van OSM namelijk een rijkdom aan data die niet allemaal in de kaart getoond kan worden. Om een idee te krijgen van de rijkdom aan "features" (objecten) en "tags" (attributen) is het aardig om een kijkje te nemen in het objectenhandboek van OSM (ja, dat bestaat!). Dat kan de vergelijking met BRT, BGT en NWB aardig doorstaan!

Met name vanwege die laatste, het Nationaal Wegenbestand heeft de dienst Centrale Informatievoorziening (CIV) van Rijkswaterstaat de stoute schoenen aangetrokken en de OSM-community benaderd om te verkennen waar er wederzijdse kansen liggen voor samenwerking.
Na een tweetal voorbereidende gesprekken kwamen afgelopen zaterdag in het LEF Future Center van Rijkswaterstaat zo'n 25 "mappers" en een even grote groep Rijkswaterstaters (aangevuld met vertegenwoordigers van andere basisregistraties) bijeen om "aan elkaar te snuffelen".

De structuur (of: afwezigheid daarvan) van beide organisatie werd naast elkaar gelegd, de cultuurverschillen onder de loep genomen. En uiteraard werd met een blik onder de motorkap gegeven van een hele serie als open data beschikbare RWS datasets (NWB, Weggeg, DTB), van de stukje bij beetje beschikbaar komende BGT, en natuurlijk ook van Openstreetmap. Als bonus werd een "sneak preview" gegeven van een aantal RWS datasets niet nu nog niet open zijn, maar waarvan het interessant is om met de OSM-community te verkennen wat de waarde is van het wél open maken.

Het mooie is dat er ook spijkers met koppen zijn geslagen: een zestal acties zijn benoemd waar OSM-ers én Rijkswaterstaters en IenM-ers gezamenlijk aan de gang gaan. Variërend van het wegnemen van drempels voor beginnende mappers (door een remake van www.openstreetmap.nl) tot het zoeken naar een nieuwe opslagwijze waarmee het gemakkelijker wordt mutaties vanuit verschillende bronnen (NWB én OSm) aan elkaar te knopen. Wordt dus vervolgd!

Met dank aan Eric van Rijkswaterstaat voor het starten van dit initiatief, met dank aan de mensen van bewaking en catering van het LEF om op zaterdag te deuren open te gooien, met dank aan Joris voor de creatieve begeleiding, en natuurlijk dank aan Johan, Frans, Gertjan, Marianne, Marc, Henk, han, Tom, Bas, Jo, Stefan, Wim, Frank, Ed, Luc, Bram, Barry, Sylvia, Fred, René, Rob, Myckel, Fred, Martien, Henk, Peter, Jasper, Matthijs, Christine, Olivier, Nick, Orchida, Gerald, Karin, Marco, Rob, Sander, Jaap-Willem, Vincent, Iris en Harry (heb ik zo iedereen?) voor hun bijdrage en inzet op deze inspirerende dag.

O ja, op twitter kun je de dag teruglezen met de tag #OSMRWS

donderdag 4 juni 2015

Slimme steden (en een pienter platteland)

"Smart cities" zijn hot. En dan niet alleen in de letterlijke zin van het woord, als in hittestress, omdat de stad  haar warmte niet kwijt kan. Nee, ik bedoel met name het concept "smart cities"
Daarbij is er wel een substantieel verschil van inzichten wie of wat er nu smart zou moeten zijn. Gaat dat over ICT en andere techniek ten behoeve van monitoring van geluid, lucht, verplaatsingen etc., geregistreerd door overheid, bedrijfsleven of smart citizens? Of gaat het over de smart city in het dagelijks gebruik, zoals de zelfdenkende glasbak, de vrije-parkeerplaats-app en de straatverlichting-verlichting-on-demand. Of over een slim ingerichte stad, waarbij niet meer de stedenbouwkundige concepten uit de 20e eeuw met met name de fysieke relatie tussen de functies wonen, werken en recreëren het uitgangspunt vormen, maar de internetconnectie de ruggengraat vormt.
Waarschijnlijk een mix van bovenstaande.

Nu is deze eeuw weliswaar de "eeuw van de stad", maar toch zou ik een lans willen breken om ook naast "smart cities" ook naar een "clever countryside" te kijken. Of in goed Nederlands: een "pienter platteland". En dan niet, zoals in sommige übermetropolitane denkbeelden, het platteland als de moestuin of wandelpad van de stad. Nee, het platteland gewoon als plek waar nog altijd bijna 10% van de Nederlandse bevolking woont (uitgaande van de CBS buurten met een bevolkingsdichtheid lager dan 500 inwoners per km2. Dan heb je het écht over platteland hoor). Da's meer inwoners dan in Amsterdam en Rotterdam samen.

Juist op het platteland kan de virtuele wereld een essentiële aanvulling vormen op de fysieke leefomgeving. Juist op het platteland staan voorzieningen als bieb, scholen en winkels zodanig onder druk dat de levensvatbaarheid van dorpsgemeenschappen op het randje balanceert. Daar gaat het niet over een beetje beter of een beetje slechter functioneren, zoals in de smart city het geval is. Nee, op het platteland is het er op of er onder. Een pienter platteland of een simpel sterfhuis. Daar maakt "smart" het verschil!

zondag 26 april 2015

Voorwaarts en niet vergeten: over houdbaarheid van data en webservices

Afgelopen week las ik in een al wat ouder exemplaar van The NewYorker een interessant artikel over the Internet Archive. Dat is de organisatie die zich bezig houdt met de archivering van alles wat er op het Web verschijnt. Een dag later was ik op bezoek bij de UvA, om daar te praten over ontsluiting van historisch kaartmateriaal. Die twee zaken maakte dat ik me probeerde voor te stellen wat er morgen gebeurt met geodata die we vandaag als webservice aan de buitenwereld ter beschikking stellen.

Langzaam maar zeker worden geo-webservices zoals die door PDOK worden aangeboden niet alleen maar ingezet om een Proof op Concept op te tuigen maar ook "voor 't eggie". Daarmee komt een aandachtspunt dat een aantal jaar geleden al eens in het PDOK klantenpanel werd aangehaald: historie.
Laat ik voorop stellen dat ik het heel erg waardeer als PDOK en andere aanbieders hun data in zo actueel mogelijke vorm aanbieden. meestal wil je actuele gemeentegrenzen, recente luchtfoto's, en up-to-date adressen. Maar je hoeft geen archivaris te zijn om toch af en toe behoefte te hebben aan iets meer belegen services. Die behoefte aan historiek valt in een paar soorten uiteen.

Allereerst kan voor het in beeld brengen van een historische ontwikkeling het van belang zijn ook over data van gisteren, vorig jaar en vorige eeuw te beschikken. In het verlengde daarvan: het kan voor het kunnen koppelen van administratieve data nodig zijn om te beschikken over de gemeente-indeling, wijk en buurt grenzen of postcodes die in overeenstemming is met die administratieve data.

Een ander aspect is de reproduceerbaarheid. Instellingen zoals de planbureaus hebben de wettelijke plicht hun onderzoek gedurende 5 jaar te kunnen reproduceren. Dat vereist dat de services zoals ze vandaag worden aangeboden tot en met 25 april 2020 beschikbaar zijn. Dat geldt niet alleen voor de geodata waarop de WMS of WFS service is gebaseerd, maar ook de configuratie van die service zelf: de layernamen, de visualisatieregels, het schaalbereik etc. Bij gebruik van een externe SLD moet dus ook die SLD met een datumstempel van vandaag beschikbaar blijven. Zelfs als die configuratie aantoonbare fouten bevatte, en daarom ondertussen een update heeft gekregen.
Vergelijkbaar met de eis vanuit de planbureaus is de simpele wens te garanderen dat als ik vandaag naar een webkaart kijk en daar conclusies uit trek, ik hoop dat ik morgen diezelfde conclusies kan trekken, en kan delen met collega's, of kan verdedigen tegenover andere partijen. Als in de tussentijd a) de geodata en/of b) de configuratie van de service wijzigt wordt verkrijgen van inzichten op basis van die webkaart wel erg vergelijkbaar met het schieten op een bewegend doel.


Voor de geodata wordt er in de brondatabases vaak wel een "versioning" systeem gebruikt, waarin met behulp van delta tables of een vergelijkbaar mechanisme de stand van zaken van ieder willekeurig moment X kan worden teruggehaald. Voor de configuratie van de services geldt hetzelfde mits ze met behulp van een version control system zoals GIT of SVN worden beheerd. Maar voor zowel data als configuratie geldt dat deze vorige versies vaak alleen ten behoeve van het technisch beheer beschikbaar zijn. De eindgebruiker van die services (u en ik) hebben het maar te doen met die ene combinatie van actuele data en huidige configuratie die naar buiten wordt aangeboden.

Ik realiseer me dat dat een fikse inspanning kan zijn voor de aanbieder van de services. aan de andere kant, je kunt ook betogen dat de performance van zo'n historische service een tandje minder mag zijn. Het gros van de request zal immers op actuele data & configuratie betrekking hebben.

Misschien iets voor het Rijkscentrum voor het Cultureel Erfgoed om hier mee te experimenteren met hun geoservices? De geoservices van vandaag zijn immers de Atlas der Neederlanden van morgen!

zondag 19 april 2015

Een extra dimensie voor GeoSamen: van "gouden driehoek" naar "quadruple helix"

Al eerder kwam op deze plaats de Nederlandse geobeleidsvisie met de welluidende titel GeoSamen aan bod. In die visie staat de "Gouden driehoek" centraal: het samenspel van bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid. Nu is een term met daarin het woord "driehoek" voor met name het op inwinning gerichte deel van de geosector natuurlijk een aantrekkelijke metafoor maar het is toch wat zorgelijk dat buiten onze sector de term "Gouden driehoek" wegens iets teveel associatie met opiumproductie alweer op de mestvaalt der vergetelheid is gedumpt, en vervangen door de triple helix. (Voor niet-ingewijden: een helix is een driedimensionale spiraal: een triple helix zijn drie in elkaar draaiende spiralen)

Opmerkelijk is dat al tijdens de presentatie van GeoSamen, op het Geofort in april 2014, geconcludeerd werd dat er wellicht een punt aan de gouden driehoek ontbrak: de burger! Des te opvallender omdat in de tekst van Geosamen initiatief door burgers als een belangrijke sociale trend wordt herkend, en een pagina verder wordt geschreven dat "overheden, bedrijfsleven, wetenschap en burgers afspraken moeten maken over de inrichting van onze toekomstige informatievoorziening". Op de 20 resterende bladzijden van de visie wordt de burger hooguit een enkele keer genoemd maar dan slechts als consument aan wie "producten, wetenschappelijke doorbraken en innovatieve overheidsdienstverlening actief worden gecommuniceerd". Verder is het alleen de gouden driehoek wat de klok slaat.

Dat die burger er zo mager afkomt in GeoSamen is opmerkelijk in deze tijd van participatiesamenleving. Want de burger kan tegenwoordig twee petten op hebben. Ten eerste is de burger degene voor wie we het allemaal doen. Wellicht denkt het geobedrijfsleven precies te weten wat de burger wil, of denkt de geo-overheid nog dat overheid en samenleving synoniemen zijn, maar anno 2015 kom je met zo'n paternalistische instelling niet meer weg. De burger weet zélf, individueel of in diverse, snel wisselende, coalities heel goed wat-ie wil. En, en dat is de tweede rol van de burger; hij is dankzij gemakkelijk verkrijgbare gereedschappen (lees: open source software) en brandstoffen (lees: open data) ook steeds meer in staat om niet alleen aan te geven wat hij wil, maar dit ook zelf te realiseren.

Ondertussen zien we dat met name in regionale en lokale innovatieagenda's die vierde partij wel in beeld is. Soms wordt de burger daarbij nog wel geacht zich in een maatschappelijke organisatie te verbinden, zoals in de Noordelijke Innovatieagenda 2014-2020, soms mag die burger ook individueel aanschuiven. Dat zien we met name bij de ontwikkeling van stedenbouwkundige plannen, zoals Oostenburg in Amsterdam.
En we zien in de praktijk al diverse LivingLabs waarin ook de burger een partijtje mag meeblazen en ook de verse samenwerking tussen Rijkswaterstaat en de OpenStreetMap community is een mooi voorbeeld van invulling geven aan de quadruple helix.

Al met al een schone taak voor het klassieke geo-trio overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven om hun eigen positie ten opzichte van die calculerende burger te bepalen. Wat verwacht je van de burger? Wat kun je de burger bieden om te helpen die verwachting te realiseren? Misschien helpt het om even te gaan buurten in Eindhoven waar TU/e bestuursvoorzitter Jan Mengelers vorige maand een essay uitbracht waarin de noodzaak om grassroots ontwikkelingen te herkennen, erkennen en waar nodig te stimuleren wordt beschreven. En dat niet alleen in Geosamen versie 1.1 op te nemen, maar uiteraard ook als leidraad bij het handelen te nemen.

dinsdag 7 april 2015

Zachte cijfers in het trendrapport open data

Op 31 maart jl. verscheen het tweede trendrapport open data. Een vlot leesbaar verhaal met daarin de stand van het land met betrekking tot diverse aspecten van open data.
Daarbij wordt zowel de landelijke Nederlandse trend als de verhouding tot de ontwikkelingen in andere landen, waarbij met name de UK en de USA als vergelijkingsmateriaal dienen. Om met dat laatste te beginnen; dat gaat mij iets te snel in de richting van benchmarking, oftewel: lijstjes. We "scoren" beter of slechter dan andere landen. Daarbij leunt het rapport op diverse benchmarks, en daar komt de achilleshiel al naar voren. Volgens de open data barometer zijn we gestegen van plaats 10 (in 2013) naar plaats 6 (in 2014), terwijl we volgens de eveneens aangehaalde open data census gekelderd zijn van plaats 5 naar plaats 16. Als de barometers zó uiteen lopen moet er wel onweer op komst zijn...

Het trendrapport signaleert zelf ook deze beperking en schrijft op bladzijde 30: "We moeten dan ook voorzichtig zijn met de uitkomsten van dergelijke barometers. Daarom kijken we hieronder naast de scores op de Open Data Barometer ook naar het aanbod van open data op data.overheid.nl." Op dat open data portaal telde het trendrapport in februari 2015 bijna 3200 datasets. Blijkbaar is er sindsdien een lijntje gelegd naar het dataportaal van statistiekgrootgrutter CBS, want op 7 april 2015 staat de data.overheid.nl-teller al op 6731. Zo snel kan het blijkbaar gaan.
Verwarrend is wel dat volgens de voorpagina van het portaal van die ruim 6700 datasets er slechts 2989 een open data licentie hebben, een kleine meerderheid heeft daarentegen een "andere licentie". Iets verder speuren in het portaal zelf levert op dat zo'n 3000 datasets in het Publieke Domein zitten (en er dus geen auteursrecht meer van toepassing is) c.q. van een CC-0 verklaring is voorzien (en er op die datasets dus geen actief auteursrecht wordt uitgevoerd). De overige pakweg 3700 hebben op een enkele uitzondering na een CC-BY-licensie, waarbij dus de naamsvermelding van de bronhouder als restrictie geldt. Ik neem aan dat dat in het verband van het trendrapport ook onder open data wordt geschaard, al wordt dat niet expliciet gemaakt.

Hetzelfde data.overheid.nl bevat ook een overzicht van weliswaar bekende, maar niet rechtstreeks aan data.overheid.nl gekoppelde open data portalen. Daar staat een hele trits lokale, regionale en thematische portalen, waarbij alleen dat van de gemeente Den Haag al meer dan 8.000 dataset bevat.
Maar dan hebben we dus geen 3200 open datasets in Nederland, maar minstens het vijfvoudige daarvan!

Zo wordt steeds meer duidelijk dat het voor een heldere monitor ontbreekt aan een eenduidige, stabiele meetlat voor de beschikbaarheid van open data. De aantallen dataset worden bovendien nog enorm beïnvloed door de wijze waarop de data is georganiseerd: de Top10NL als landsdekkende dataset telt voor één, terwijl een uitsplitsing naar de aloude bladindeling die de Topografische Dienst hanteerde zou honderden datasets opleveren ,en als je dat allemaal nog eens uitsplitst naar thema's in die datasets kun je die ene top10nl "opvoeren" tot een reeks van duizenden datasets. Dat telt lekker aan!

Misschien moeten wel geen datasets meer tellen, maar moeten er bij wijze van meetlat pakweg 20-30 maatschappelijke vragen en commerciële toepassingen worden geformuleerd waarvoor een of meer open datasets nodig zijn. Zoals een website die inzicht geeft in de relatie tussen prestatie van ziekenhuizen en het stemgedrag, of een app waarmee de recreatievaarder niet alleen overdag zijn vaarweg, maar ook het naderhand nathouden van zijn keel kan faciliteren. Zo'n meetlat geeft inzicht in de mogelijkheden met open data.

Daarmee komen we bij wat ik het interessantste thema in het rapport vind; de impact van open data. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen politieke, sociale en economische impact. Denk bij politiek aan verantwoording door en transparantie van bestuur, bij sociaal aan publieksparticipatie en bij economisch aan nieuwe handel op basis van open data. Het trendrapport geeft aan dat de politieke impact nog wel redelijk scoort, maar dat de economische, en vooral de sociale impact erg achterblijven ten opzichte van de UK en de USA. Dat juist die politieke impact nog redelijk scoort is vreemd gezien het feit dat even daarvoor wordt aangegeven dat juist op de beleidsterreinen verantwoording en aanbesteding het data-aanbod in ons land minimaal is.



Het verbinden van de diverse dataportalen zal waarschijnlijk wel bijdragen aan de impact. Het trendrapport signaleert die fragmentatie en suggereert daarom de ontwikkeling van een Nationale Informatie Infrastructuur zoals in de UK gaande is. Die gaat overigens heel erg over de data en datasets, en weinig over de onderliggende (ICT-)infrastructuur.  Maar om nu een heel eigen open data infrastructuur op te zetten kan toch niet de bedoeling zijn? Zorg voor verbinding van bestaande registers en infrastructuren. Bijvoorbeeld door die kanalen en portalen van een sterrensysteem te voorzien waarmee wordt aangegeven hoe open het portaal zélf is (los van de er in aangeboden datasets). Heeft het portaal een API? Is die gebaseerd op een standaard? Heeft het een beheerder? En bouw zo aan een netwerk van Open Datapleinen, Lanen van Leefomgeving en crowdsourced olifantenpaadjes.

woensdag 1 april 2015

De geosector, zij leefde in onschuld, in het paradijs. Totdat ze de vrucht met de nam GPS kreeg aangeboden en daar een hap van nam. Daarmee verruimde ze haar aandachtsgebied van het aloude verzamelen, registreren en analyseren van "gegevens met een vaste plaats op, boven, onder of in het aardoppervlak" naar het stoeien met "location based services"; locatie als dynamisch kenmerk van personen, in trains, planes & automobiles, te land, ter zee, en in de lucht.

Tot voor een paar jaar was privacy hierbij in de Nederlandse geosector nauwelijks punt van aandacht. Maar nu is er een "witboek" met de titel "Privacy op zijn plaats". In opdracht van Geonovum geschreven door Angélique van Oortmarssen, Marc de Vries en Bastiaan van Loene. Heel knap hoe de drie schrijvers dit ogenschijnlijk droge onderwerp in pakweg 40 pagina's niet alleen leesbaar maar zelfs levendig weten te maken.Technische ontwikkelingen, de wet, de interpretatie daarvan, ervaringen, en ethische aspecten passeren de revue, geïllustreerd met pakkende voorbeelden. En de schrijvers zijn niet te beroerd om aan te geven waar de onduidelijkheden zitten. Zij hebben de wijsheid ook niet in pacht.

Zomaar even een eye-opener uit het witboek waarmee duidelijke wordt dat de reikwijdte van privacywetgeving ten aanzien van ruimtelijke informatie ver blijkt te strekken; informatie over perceelsgrenzen, en zelfs gedetailleerde luchtfoto's moeten onder bepaalde omstandigheden als persoonsgegevens worden beschouwd (!)

Het eerste hoofdstuk is in tien pagina's de beste compacte inleiding over wat locatie-informatie is en wat het kan die ik ooit heb gezien. Dat kun je zo in een willekeurige geovisie opnemen. Vooral de zin "locatie-informatie is daarbij oliemannetje dat data uit verschillende databronnen aan elkaar kan relateren" kan mij erg bekoren. Hoofdstuk twee legt de juridische kaders op een begrijpelijke manier uit, en beschrijft daarbij uitdrukkelijk de grijze gebieden. Met een zevental praktijkcases uit overheid, onderzoek en bedrijfsleven wordt vervolgens de praktijk opgezocht.
Om het witboek niet als een nachtkaars uit te laten gaan wordt in het slothoofdstuk een goede aanzet voor vervolg gegeven. Door hierbij ene onderscheid te maken in 3 niveaus ("pistes") wordt degene die er hier en nu mee aan de slag wil niet wordt gedwongen zich met "Brussel" aan een tafel te zetten, maar in een voor hem of haar qua inhoud en tijdspad aantrekkelijke setting wordt uitgenodigd.

Eén interessant aspect pik ik er nog even uit: de Wet bescherming persoonsgegevens stelt dat de persoonsgegevens eerst en vooral verzameld moeten zijn voor een gerechtvaardigd, duidelijke bepaald en goed omschreven doel. Verdere verwerking -al dan niet binnen dezelfde organisatie- mag alleen als dit niet onverenigbaar met het oorspronkelijke doel, aldus artikel 9 van de Wpb. Altijd  bijzonder, zo'n dubbele ontkenning, maar lid 2 van hetzelfde artikel geeft aan dat er rekening moet worden gehouden met verwantschap tussen het beoogde nieuwe doel en het oorspronkelijk doel. Ik ben benieuwd hoe je dit moet toepassen op open data. Daar is het doel voor verdere veerwerking juist vaak juist een heel ander dan het oorspronkelijk doel van registratie. En hoe pas je dit toe op OpenStreetMap, een registratie die als doel heeft tot een vrij, zonder belemmeringen bruikbare kaart van de hele wereld te komen. Da's een breed doel, bijna net zo breed als de inhoud van deze crowdsourced registratie.


Lezen dus! En kom op donderdag 23 april naar de workshop "Privacy.. en wat er wel kan" op de beurs Overheid 360°

zaterdag 7 maart 2015

Linked metadata: de nieuwe interface voor het NGR en andere geo/dataregisters

Vele toetsaanslagen hebben mijn toetsenbord al geteisterd als het aankwam op de interface van wat het uithangbord van de Nederlandse geo-informatie zou moeten zijn: het Nationaal Georegister.
Gebruikers klagen -nog steeds- dat er wel een "zoek"- maar geen "vind"-functie in het NGR zit.
En er schijnen gebruikers te zijn die de zoekfunctie zelfs niet kunnen vinden!

Vandaag heb ik een sneak preview gehad van een mogelijke nieuwe interface voor het NGR, en voor andere registers. De gedachte er achter is dat "thema" de belangrijkste zoekingang is. Nu zijn de afbakeningen van thema's in registers als het NGR altijd wat "fuzzy". Zo zijn "planologie" en "ruimtelijke ordening" weliswaar geen synoniemen maar wel zeer nauw verwant. Met een goede thesaurus kunnen die verbanden worden aangebracht. Nog beter is het combineren van thesauri uit verschillende sectoren en disciplines, juist omdat de datasets en services in het NGR betrekking hebben op een grote diversiteit aan sectoren en vakgebieden.

Wat is nu die interface? Zoiets:
http://synoniemen.net/grafisch_js.php?zoekterm=hoogte
Klik er vooral even op om 'm "in het echt" te zien.
Ik kwam 'm tegen op synoniemen.net. De crux is dat de zoekterm in het centrum wordt weergegeven, en dat de "eerstegraads"-synoniemen als direct verbonden bolletjes worden weergegeven, en de "tweedegraads"-synoniemen daar weer aan verbonden.
Lijkt me erg leuk om zo de termen uit de NGR-thesaurus, en de datasets en services waar deze zoekterm aan hangt weer te geven. Het lijkt dan wel linked metadata!


Deze vrolijke zoekfunctie is gemaakt met D3.js, dé JavaScript bibliotheek voor alle mogelijke datavisualisaties. Absoluut de moeite waard om daar eens in te duiken.


Naast de verwantschap tussen thema's zou je ook nog een onderlinge verwantschap tussen datasets kunnen toepassen. In de metadatastandaarden is daar ruimte voor gereserveerd om die aan te geven.Wellicht dat daarmee de verwarring over het verschil tussen zes typen bebouwde kommen kan worden weggenomen.

Wat tenslotte ook meerwaarde kan hebben is het op soortgelijke wijze presenteren van de verschijningsvormen van een dataset: dat brengt de logische samenhang tussen een dataset, een daarvan afgeleide WFS of downloadservice en een of meer daarvan afgeleide WMS-services in één oogopslag in beeld.

Aanvulling: een misschien wel nog mooiere versie is te vinden op http://zoeken.bibliotheek.nl/

vrijdag 6 maart 2015

Verscheurde woonplaatsen in de BAG: Avezaath en Vinkel

Een beetje in het verlengde van mijn vorige blog (over bebouwde kommen) heb ik het vergrootglas eens op het fenomeen woonplaatsen gelegd.
Met de invoering van de BAG (basisregistratie adressen en gebouwen) heeft Nederland eindelijk een formele indeling van woonplaatsen. Uitgangspunt is een of meer woonplaatsen samen één gemeente vormen, en dat zodoende de woonplaatsindeling een landsdekkende indeling vormt. Hartstikke handig, want zo'n indeling is redelijk robuust, al is het maar dat het nogal een administratieve (gemeentelijke) rompslomp is om een woonplaatsindeling te veranderen. Ik ken maar een geval: het opgaan van de voorheen afzonderlijke Amsterdam-Zuidoost in de woonplaats Amsterdam. Daarmee is het complete grondgebied van de gemeente Amsterdam nu ook één woonplaats Amsterdam geworden.

GIS-technisch aandachtspunt daarbij is dat de woonplaats Amsterdam nu een multi-polygoon is. dat blijkt vaker voor te komen: zo bestaat uit de woonplaats Geldermalsen uit een multi-polygoon. Dat hoeft geen probleem te zijn; ik ga er van uit dat een fatsoenlijk GIS-pakket snapst dat die 2 deeltjes bij elkaar horen.

Iets verder stroomopwaarts langs de Linge (en de A15) is de situatie een stuk complexer. Door een gemeentelijke herindeling is het noordelijke deel van Kapel-Avezaath (met tussenstreepje, met BAG-ID 3377) bij de gemeente Buren terecht gekomen, en het deel ten zuiden van de A15 als woonplaats Kapel Avezaath (zonder tussenstreepje, met BAG-ID 2560) bij Tiel.

Nog iets oostelijker is de situatie nog complexer: daar ligt ten noorden van de A15 het "gestreepte" Kerk-Avezaath (BAG-ID 3378) in de gemeente Buren. Ten zuiden van de snelweg het streeploze Kerk Avezaath (BAG-ID 2561), dat een multipolygoon blijkt te zijn.

25 kilometer naar het Zuiden, in het Brabantse Vinkel een soortgelijke situatie. Ook deze woonplaats is de afgelopen decennia geteisterd door herindelingen. Inmiddels is Vinkel opgedeeld in een groot westelijk deel (BAG-ID 3612) dat sinds 1 januari 2015 bij de gemeente 's-Hertogenbosch hoort, en twee kleine oostelijke delen die onder het gezag van de burgemeester van Bernheze valt. Die oostelijke delen (BAG-ID 3063) lijken een multipolygoon te zijn, maar blijken bij nadere bestudering door een 5 meter brede corridor langs de gemeentegrens met elkaar verbonden te zijn. Een creatieve oplossing! Helaas voor het onderscheid met het Bossche deel van Vinkel een tussenstrepje (Vin-kel?) geen soelaas

Conclusie: pas op voordat je met alleen de woonplaatsennámen uit de BAG aan de gang gaat. Voor je het weet mis je de helft. Een goed idee: gebruik het ID!

dinsdag 3 maart 2015

De ene kom is de andere niet: 6 smaken bebouwde kom

Verwarring in geoland! Sinds de februari -release van 2015 levert Kadaster in de top10nl bij de "geografische gebieden" drie gradaties: "buurtschap", "huizengroep" en "plaats, bewoond oord".
Van die eerste soort geniet Bartlehiem landelijke bekendheid. Bij de "huizengroep" springen "De Lucht-West" en "De Lucht-Oost" (welbekend voor wie wel eens op de A2 van Utrecht naar 's-Hertogenbosch rijdt) in het oog. En de derde groep is natuurlijk de hoofdmoot. Al lijken daar op dit moment Amsterdam-Noord en -Zuidoost, en de Haagse Vinexwijken "Leidschenveen" en "Ypenburg" nog te ontbreken. Het vermoeden rijst dat we hier  met een multi-polygon probleempje van doen hebben.
De verwarring zit 'm in de status van deze geografische gebieden. Het lijken aanduidingen voor bebouwde kommen, zoals we die allemaal kennen van de blauwe (verkeers-)borden bij het binnenrijden van een plaats. Maar dan zijn die buurtschappen en huizengroepen weer wat teveel van het goede. Alhoewel, er zijn ook plaatsnaamaanduidingen met blauwe of zwarte letters op een witte achtergrond (in vaktaal: pseudeo-komborden). Als u Bartlehiem binnenrijdt komt u zo'n bord tegen.

De verwarring wordt nog wat groter omdat er diverse definities van bebouwde kommen blijken te zijn. Naast de hierboven aangehaalde versie (1) die op grond van de Wegenverkeerswet door de gemeenteraad moet worden vastgesteld is er ook een bebouwde kom (2) die op grond van de Wegenwet door Gedeputeerde Staten wordt vastgesteld. Hiermee wordt bepaald welke wegen in een gemeentelijke wegenlegger moeten worden geregistreerd. Van de provincie Utrecht heb ik daarvan een fijne webservice kunnen vinden.
We gaan nog even door, want er bestaat ook een bebouwde kom in de Boswet. Die wet gaat over kappen en herplanten van bomen buiten de bebouwde kom. Steeds meer gemeenten gaan er toe over om in dit Boswet-perspectief de grens van de bebouwde kom gelijk te stellen aan de gemeentegrens. We zijn er nog niet, want ook in de context van de WABO (o.a. vergunningsverlening) en in de zin van de APV (o.a. hond wel of niet aan de lijn) speelt de grens van de bebouwde kom een juridische rol. Het is aan de gemeente om te bepalen of er voor ieder van bovengenoemde doelen een aparte bebouwde kom wordt vastgesteld, of dat er met 1 of 2 bebouwde komgrenzen wordt volstaan.

Verder is het goed om nog even te wijzen op het CBS bestand Bevolkingskernen  in Nederland. De definitie voor deze dataset sluit aan bij een definitie die de Verenigde Naties hanteren. Het gaat hierbij een een aaneengesloten gebied, met een herkenbaar stratenpatroon, overwegend door mensen bewoond. Hierbij kan één kern zich overigens over gemeentegrenzen uitstrekken. Zo omvat "Groot-Dordrecht" de bewoonde delen van Dordrecht, Zwijndrecht, hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Waarom het Amsterdamse havengebied wél, en de Europoort en Maasvlakte niet tot een bevolkingskern worden gerekend is me overigens nog niet duidelijk. Deze dataset is ook als webservice beschikbaar.

En om het verhaal compleet te maken haal ik er dan ook nog een beleidsmatige begrenzing bij. In de hoogtijdagen van de Rijks-ruimtelijke ordening (de Vijfe Nota) wees Minister Jan Pronk "met de dikke duim" rode contouren aan als grens voor verdere verstedelijking. Met de Nota Ruimte zijn die contouren in 2000 vervangen door de op een GIS-analyse gebaseerde "Begrenzing Bebouwd Gebied"  (BBG). Dit bestand heeft diverse reorganisaties op dat departement glansrijk doorstaan en is te vinden op de website van de Rijksoverheid. De bijgaande zeer gedegen beschrijving geeft niet alleen inzicht in de achterliggende rekenregels, maar is ook een tijdsdocument voor zowel de status van Rijksbemoeienis met ruimtelijke ordening als voor de geo-ict rond de eeuwwisseling. Coverages! AML! Those were the days my friend!

Al met al genoeg voer voor verwarring. Als de geo-professionals door de bomen het bos al niet meer zien, hoe moet een "buitenstaander" er dan iets van kunnen snappen? Hier merk je dat een georegister meer zou moeten zijn dan een aanbodgestuurde opsomming van datasets, maar juist een context (=vraag) gestuurde benadeing zou moeten hebben. Op zijn minst door kruisverwijzing tussen deze datasets. Daarvoor is registratie van de genoemde datasets in het Nationaal Georegister natuurlijk het absolute minimum.

 Voor deze blogpost heb ik dankbaar gebruik gemaakt van een artikel op de site van Dirkzwager Overheid&Vastgoed

zondag 8 februari 2015

Een Huis der Kansen aan de Laan van de Leefomgeving

Een dik half jaar terug schreef ik op deze plek al eens over de Laan van de Leefomgeving, en met name de wijze waarop je met geo-informatie ontwikkelingsplanologie kunt bedrijven.

Nu de laatste weken het voortbestaan van het warenhuis V&D de economische krantenpagina's overheerst toetste ik de ambities van de Laan van de Leefomgeving eens aan de ontwikkelingen in de retailsector. Wat me opvalt is dat de Laan met haar informatiehuizen focust op wat er wel of niet op een bepaalde locatie mag. uit de programmadefinitie GOAL:  "Het gaat daarbij om informatie voor besluiten met rechtsgevolgen, zoals vergunningen of een omgevingsplan".

Naar mijn idee liggen er daarmee nog kansen voor een informatiehuis (of misschien wel aanbouwtjes bij de bestaande informatiehuizen) die informatie verzamelt over wat er op een bepaalde locatie haalbaar is. De gevolgen van de overvloedige kantoor- en bedrijfshallenbouw rond de eeuwwisseling kan iedereen om zich heen zien. Het overschot aan fysieke winkelruimte wordt ook steeds duidelijker, en dat heeft niet alleen met V&D te maken.

Het zou de kwaliteit van ruimtelijke initiatieven helpen als ook informatie over bevolkingsontwikkeling, arbeidsmarkt, koopkracht etc. via de Laan van de Leefomgeving wordt ontsloten. Daarnaast draagt de laagdrempelige beschikbaarheid (huizen aan deze Laan kennen hopelijk geen drempels!) bij aan een transparanter besluitvormingsproces; betrokken burgers en andere stakeholders kunnen met de beschikbaarheid van dit soort informatie ruimtelijke initiatieven in hun achtertuin beter op waarde schatten. En het helpt de verantwoordelijke overheden om tot betere omgevingsplannen te komen die aansluiten bij actuele ontwikkelingen ten aanzien van woning- kantoren- en winkelmarkt.

Dus als er nog een kaveltje vrij is aan de Laan van de Leefomgeving: een Huis der Kansen zou een verrijking voor het straatbeeld zijn. Of dat huis door de overheid gebouwd mag worden valt nog te bezien; als een of meer commerciële geodata-aanbieders zo'n pakhuis kunnen neerzetten lijkt me dat ook prima. Al is het in dat verband wel wrang dat onlangs de "V&D van de geodata" (Bridgis) failliet is gegaan.

Nieuwe postcodegrenzen geven greep op geodatakwaliteit (1)

De inkt van het -voor mij verrassende- bericht over het faillissement van geodatamakelaar Bridgis was nog niet droog of op diverse plekken ontstonden er discussies en initiatieven over het zélf vervaardigen van een bestand met postcodegrenzen. Niet dat erop dit moment in het geheel geen bronnen meer zijn voor zo'n bestand, bij mijn weten levert First Element nog steeds de Bridgis versie, terwijl Geodan al sinds jaar en dag zelf zo'n bestand maakt en vermarkt.
In de Nederlandse open source geo community werd de discussie of we geen crowdsourced 6 positie postcodevlakkenkaart zouden kunnen maken aangezwengeld door Jan-Willem van Aalst, en een weekje later zag ik dat Esri Nederland ook aan het experimenteren is met het zelf uitwerken van een algoritme om aan de hand van de BAG, het NWB en andere open data tot een landsdekkend 6-positie postcodevlakkenbestand te komen.

Los van de vraag over nut en noodzaak van het zelf maken van zo'n dataset, over eigenaarschap en hoe je een en ander "vermarkt" is zijn deze initiatieven erg interessant voor het thema datakwaliteit. Het is een prima oefening in het definiëren van  kwaliteitsparameters: waar moet een 6-positie postcodevlak (en zijn "vader" en "grootvader", de 5- en 4-positie vlakken) eigenlijk aan voldoen?

Een primaire eis lijkt mij dat alle adrespunten van een 6-positie postcode binnen het resulterende vlak moeten liggen. Maar zelfs dat is niet altijd evident; de plaatsing van een verblijfsobjectpunt in de BAG is soms discutabel: neem je als BAG-beheerder de bij een appartement de locatie van de gemeenschappelijke ingang (vaak ook de locatie van de brievenbus) of prik je dat VBO-punt op het verblijfsobject zelf? Die 355 verblijfsobjecten in de 42 verdiepingen tellende Haagse Toren zijn op dat punt een mooie uitdaging! Zoek 'm maar op in de BAG-viewer: bij postcode 2516LX.

Voor het oog van de kaartlezer is het daarnaast prettig als de grenzen van de postcodegebieden er een beetje smakelijk uitzien: liefst geharmoniseerd met topografie wegen, spoorlijnen, rivieren en kanalen. En voor het koppelen van data ook handig als de grenzen waar mogelijk samenvallend met wijk- en buurtgrenzen zoals CBS en gemeenten die hanteren. Maar dat dan wel met zo min mogelijk vertices (tussenpunten): performance is immers ook een kwaliteit.


Historie opbouwen zou natuurlijk mooi zijn, maar dan leg ik de lat wel heel erg hoog; als ik er van uitgaan dat het een landsdekkend bestand moet opleveren ontkom je er niet aan dat bij het ontstaan van een nieuwe 6-positie postcode de buurvlakken iets van hun oorspronkelijke territorium moeten prijsgeven. O ja, wat is dan eigenlijk landsdekkend? Moet het IJsselmeer in 6-positie postcodes worden verkaveld? Het Hollands Diep? De Rijn, IJssel, Waal en Maas. Het Uddelermeertje?

Nog een stap verder redenerend kun je je afvragen waarvoor je eigenlijk een 6-positie vlakkenkaart zou willen toepassen. Voor het weergeven van een absoluut verschijnsel (bijvoorbeeld: aantal inwoners) is een figuratieve kaart beter geschikt, voor het weergeven van een relatief verschijnsel (zoals inwonerdichtheid) zou dit de extra eis opleveren dat de oppervlakte van de te maken postcodevlakken een direct relatie heeft met het aantal adressen (of nog scherper: verblijfsobjecten) in dat postcodegebiedje. Dat wordt wel heel complex. Mag ik die even parkeren?

Zoals u op de GeoBuzz kon merken is Alterra bezig met het opzetten van een framework waarmee de vraag "wat is datakwaliteit?" beter moet kunnen worden beantwoord. Misschien zijn deze bottom-up postcodegrenzen een leuke case: het vereist geen specifieke domeinkennis (over bijv. bodem, geluid of natuur), de discussie leeft al op diverse plekken, en is concreet genoeg om ook direct toepasbaar te zijn.

Ik ben er nog niet over uitgepraat, zoals de lezer aan de titel al merkte. Stay tuned voor meer aspecten, en voortschrijdend inzicht

zondag 7 december 2014

De ene sector is de andere niet, of toch wel? Wat "geo" van "water" kan leren

Sinds dit voorjaar ben ik -onder de titel asset engineer data- werkzaam in de watersector. Om iets specifieker te zijn: in mijn geval is dat de drinkwatersector; ik doe bij PWN aan leidingbeheer.
Dat heeft me in contact gebracht met de GIN van de watersector: het Koninklijk Nederlands Waternetwerk (KNW).

Het is aardig om eens een vergelijking te maken tussen het KNW en de geo-beroepsvereniging GIN. De sectoren (voor zover je daar bij geo-"sector", zie een eerdere blogpost over kunt spreken) hebben een aantal overeenkomsten. Zo is de gemiddelde leeftijd van de werknemers in beide bedrijfstakken hoog. Ook zijn beide sectoren op vergelijkbare wijze divers: in de geosector heb je de klassieke indeling in "inwinners" en "toepassers", in het KNW zijn de mannen van de droge voeten (waterschappen), die van het vuile water (waterzuivering) en die van het schone water (drinkwater) broederlijk verenigd. Ik hanteer expres de term "Mannen", want net als in de geosector zijn Jan, Piet, Klaas ruimer vertegenwoordigd dan Willemijn, Roosmarijn en Sytske. Ook qua omvang zit het in dezelfde buurt: het GIN heeft iets meer dan 2000 leden, het KNW bijna 4000.

Zelfs qua doel lijken beide verenigingen op elkaar: KNW "slaat een brug tussen diverse disciplines in het werkveld van de watersector", GIN (iets minder bondig) "is een interactieve ontmoetingsplaats en vormt een toegankelijk kennisnetwerk voor iedereen die zich beroepsmatig bezighoudt met geo-informatie. GIN organiseert activiteiten en stimuleert en faciliteert haar leden kennis te delen en over te dragen ter ontplooiing van alle leden en ter versterking van de positie van het vakgebied geo-informatie in de maatschappij. GIN doet dit samen met anderen."

Een opvallend verschil is de rol van het vakblad: het inmiddels naar een tweemaandelijkse frequentie teruggebrachte Geo-Info is een uitgave van de vereniging GIN, terwijl de maandelijkse H2O Magazine een uitgave is van de stichting H2O. Bij H2O is de mix van analoog en digitaal verder ontwikkeld: het magazine en de H2O Online worden nadrukkelijk als twee communicerende delen gepositioneerd.

Voor de geosector in het algemeen en het bestuur van GIN en de redactie van Geo-Info in het bijzonder aardig om eens dieper in zo'n collega-organisatie en -vakblad te duiken. Blader bijvoorbeeld eens door de H2O Magazine van juli/augustus, Die werd aangeprezen als ICT special, waarbij opvalt dat vrijwel al die ICT op geo-informatie slaat.  En dat terwijl de termen "geo-informatie" en "GIS" er nauwelijks in voorkomen!

zondag 30 november 2014

Samen op de Open GeoBuzz

Afgelopen week was de Nederlandse geosector bijeen in 1931 (zeg maar: de Brabanthallen) in 's-Hertogenbosch om daar in 2 dagen met z'n 2000-en te beurzen, congressen, talken, workshoppen, netwerken en anderszins informatie uit te wisselen. Te "Geobuzzen", dus.
Tijdens het avondprogramma kwam in de talkshow van De Speld ter sprake of de geosector het nou moest willen om zich hier specifiek onder "soortgenoten" te verzamelen. Of was het beter om de deuren naar de buitenwereld, waar geo een onderdeel van een toepassing is, verder open te zetten?

Daar merk je weer dat de geosector 2 kanten kent. Ten eerste de inwinningskant: landmeetkunde en geodesie, basisregistraties. Je zou het de back-office van de sector kunnen noemen. Die kant verricht die inwinnnigsactiviteiten ten behoeve van de andere kant van de geosector, het deel dat zich bezig houdt met de toepassingen, de front-end. Daar zitten de geospecialisten die -naar je mag hopen- geregeld contact hebben met de geobehoeftigen uit ruimtelijke ordening, de watersector, de gezondheidszorg en noem maar op.
Marco Duiker (van MD-kwadraat) had daar een aardige analyse over, die op het volgende neerkwam: We zijn als geosector heel goed in het omarmen van die verschillende toepassingen. Zelfs zo goed dat we niet zeggen "wij kunnen u hierbij helpen", maar "geeft dat probleem maar gauw hier, want dat is een geo-probleem. U hoort nog wel van ons". Een geo-centrische aanpak die doet vermoeden dat de geosector de ultieme wijsheid in pacht heeft.

Er zit een parallel met de discussie die we binnen de Nederlandse OSGeo-community hadden over het als OSGeo.nl wel of niet deelnemen aan de GeoBuzz. Sommige OSGeo.nl-ers gaven en geven de voorkeur aan een evenement waar je als aanhangers van het Open Source model "onder elkaar" bent. Daarbij wordt er ook gerefereerd aan de sfeer op het jaarlijkse FOSS4G, waar een kleine 1000 deelnemers elkaar niet alleen tijdens presentaties tegenkomen, maar ook tussendoor, tijdens de lunch, in de wandelgangen of 's avonds nog eens even de laptop openklappen om een nieuwe release van een QGis plug-in een stap dichterbij te brengen. Dat is misschien ook wel het verschil tussen een beurs of congres met bezoekers en een evenement met deelnemers. Passief tegenover actief.

Door de jaarlijkse OSGeo.nl dag wél als onderdeel van de GeoBuzz te houden, maar dit in een aparte (en zeer fraaie) zaal te doen hebben we naar ik hoop een mix weten te bereiken van "behoud van eigen identiteit" en "aanspreken van een breder publiek". De komende weken zullen we de bezoekers, herstel: déélnemerscijfers eens onder de loep nemen om te kijken of we echt een breder publiek hebben laten kennismaken met Open Source geo. Zowel met de producten als met de mensen!

Nog even terug naar de geosector als geheel. In de eerder dit jaar door overheid, bedrijfsleven en wetenschap uitbrachte visie "GeoSamen" worden onder de noemer "beter benutten" 5 sectoren genoemd waar met geo nog een hoop valt te winnen. Zorg, energie, water, ruimte en mobiliteit, ze hebben alle vijf ook hun eigen vakcongressen. Dáár als geosector niet alleen met individuele stands maar ook collectief aanwezig zijn kan het verschil maken.

donderdag 13 november 2014

Functioneel beheer? Kill your darlings!

Niet ingegeven door hedendaagse IS-gruwelen in het Midden-Oosten, ook niet door de herdenking van de Groote Oorlog mensengehaktmolen van 100 jaar geleden, maar waarom dan wel deze moordlustige titel?

De kreet kwam voorbij tijdens de GeoBuzz-sprekersvoorbereidingsdag die ik vorige week volgde. Van oorsprong bekend uit de schrijverswereld, maar daarmee ook toepasbaar bij het voorbereiden van een presentatie: je oorspronkelijke concrte idee of voorbeeld waar je je presentatie aan ophangt is je "darling". Het idee van "kill your darlings" is dat het wéglaten van die oorspronkelijke aanleiding je betoog, verhaal, presentatie, of zelfs film vaak sterker maakt: daarmee laat je het incident weg, en daarmee komt de generieke boodschap (die je zelf tijdens het schrijven van dit specifieke incident hebt afgeleid) des te sterker over.

Deze week bedacht ik dat dit ook vaak geldt voor het functioneel beheer *) van al die mooie GIS-oplossingen. Als beheerder zijn we zó verliefd geworden op die -vaak in moeizame samenwerking met de plaatselijke ICT-afdeling gerealiseerde- oplossing dat het in stand houden van die technische oplossing een doel op zich is geworden. En dat we daarmee uit het beeld zijn verloren voor welk probleem (uit de business, het primaire proces, de werkvloer) die GIS-viewer, app of anderszins fraaie geo-applicatie ook alweer een oplossing was.
Het bloed, zweet en tranen waarmee je je plaatselijke GIS-viewer of een landelijke voorziening als PDOK tot stand is gekomen neemt het zicht wel eens weg op de vraag of de behoefte van de gebruikers überhaupt nog wel bestaat, en zo ja, waarmee je die behoefte moet faciliteren. Da's een zelfde soort blinde vlek als die van de cartograaf die de kaart als werkelijkheid ziet, in plaats van als model van de werkelijkheid.

In onze GIS-niche zien we maar al te vaak dat degene die betrokken is bij de ontwikkeling van een GIS oplossing ook een belangrijke rol in het beheer krijgt. Tja, dan wordt het wel lastig om die eigen "darling" te "killen". Wat meer afstand tussen ontwikkeling en beheer kan helpen om continue met een frisse, kritische blik naar de GIS-oplossing te kijken.

Fijn voorbeeld uit de grote boze buitenwereld is de telefooncel. Die voorzag oorspronkelijk in een behoefte omdat mensen thuis geen telefoon hadden, vervolgens -vanaf de jaren 70- in een behoefte voor reizigers die onderweg een belletje wilden plegen, en na de van jong-tot-oud doorbraak van de mobiele telefonie in . Waarna staatssecretaris Heemskerk in 2008 de verplichting schrapte dat de KPN per 5000 inwoners 1 telefooncel moest exploiteren. Het aanbieden van een goed dekkend mobiel netwerk is sinds die tijd een zinvollere invulling van de functionele behoefte "aanbieden van telefonie op wisselende locaties". Inmiddels heeft KPN de laatste telefooncellen overgedragen aan RBL Telecom. Tot mijn verbazing exploiteert die nog ruim 400 telefooncellen, met een opvallend ongelijke dekking over Nederland die allerlei vragen oproept:
Wat doet die telefooncel in het Markermeer? En een telefooncel in de Schrijversstraat (Almere) vind ik ook een geweldige locatie! Is er dan toch nog markt voor een telefooncelvinder-app?



*) Zelf spreek ik liever van functionaliteitenbeheer dan van functioneel beheer, maar ik conformeer me voor deze keer nog aan de algemeen gebruikte term.

woensdag 29 oktober 2014

Voorbij de Omgevingswet: de kruispunten van de Laan van de Leefomgeving

Toen ik nog in de schoolbanken van de Tilburgse Stappegoorweg en de Utrechte Vondellaan zat was in de colleges planologie en ruimtelijke ordening onderstaande schema zo ongeveer les één:
 
Dit schema gaf aan wat de rol en positie van ruimtelijke ordening is: het behandelt één facet van diverse sectoren (verkeer en vervoer, defensie, landbouw, natuur). Net zoals als die sectoren ook onder meer een economisch en een juridisch facet kennen. Daarmee werd ruimtelijke ordening als integrator tussen diverse sectoren neergezet. De sectoren zijn daarbij leidend. Dat GIS als integrator vanouds in de ruimtelijke ordening wordt gebruikt is niet zo vreemd, het ruimtelijk domein is de logische plek om de kracht van geo-informatie als verbindend element tot zijn recht te laten komen.

Inmiddels is in alle sectoren ook voor de eigen primaire processen het gebruik van ruimtelijke informatiesystemen vanzelfsprekend. De verkeer en vervoer sector doet aan ongevallenregistratie, dynamisch verkersmanagement en wegonderhoud, in de watersector gebruiken de waterschappen geo-informatie ten behoeve van dijkbeheer, de drinkwaterbedrijven hebben allemaal een leidinginformatiesysteem, de milieusector kent zijn meetnetten en modellen voor luchtkwaliteit en ga zo maar door. Het zal zo'n beetje de eeuwwisseling zijn geweest dat het zwaartepunt van de GIS toepassingen verschoven van de integrerende, facet-geörienteerde toepassingen naar de sectorale geo-informatiesystemen.

Momenteel wordt er aan gewerkt de sectorale versnippering tegen te gaan door diverse sectorale wetten (zoals de Tracéwet en de Wet geluidhinder) samen te voegen in de nieuwe Omgevingswet. Een zegen voor de geo-informatie, want daarmee krijgt de aloude droom van geo als superglue waarmee de ruimtelijke facetten van de diverse sectoren aan elkaar worden verbonden spontaan een wettelijke basis. Onder de titel : "Laan van de Leefomgeving" werkt het programma GOAL aan een samenhangend stelsel van informatiehuizen. Zojuist is de programmadefinitie hiervoor verschenen.. Dat is absoluut een leesuurtje waard. Het doel van GOAL is om bestaande informatiesystemen te verbinden. Interessant, want dat betekent dat GOAL een sectoroverstijgende, integrale geo-informatie-architectuur moet opstellen. Daarvoor is afgelopen zomer een architectuurdocument opgesteld (vooruit, nog 20 extra minuten leespauze).

Als medewerker van een drinkwaterbedrijf valt het me op dat uit het rijtje informatiehuizen het informatiehuis water zich zo te zien alleen met het droge voeten bezig houdt. Je hoeft maar een slinger aan de kraan te geven om je te realiseren dat er ook water is dat niet bedreigend is. Dat heeft er ongetwijfeld mee te maken dat voor de Laan van de Leefomgeving het perspectief van de Omgevingswet leidend is. Maar ook voor allerlei processen in de diverse sectoren van de Laan van de Leefomgeving een rol vervullen in de informatievoorziening. In iedere sector is er vroeg of laat informatie nodig uit andere sectoren, ook buiten het kader van de Omgevingswet. Zo wordt met het programma KlicWin niet alleen beoogd te komen tot een betere WION-procesondersteuningen en te voldoen aan de Inspire-vereisten maar ook om "de KLICinformatiehuishouding van ondergrondse netten meer te verbinden met aanpalende thema’s en ontwikkelingen in de ruimtelijke informatievoorziening". Strikt genomen is dat geen Laan van de Leefomgeving, maar het is wel een "geo-informatiestraat" die aan de Laan grenst.

Het is uitermate interessant om vanuit de Laan van de Leefomgeving in de richting van alle sectoren te verkennen waar de eigen "sectorale informatiestraten" de Laan van de Leefomgeving kruisen. Het zou zonde zijn als we die kruispunten niet herkennen, waardoor het ongelijkvloerse kruisingen blijven.
Die kruispunten hebben immer de potentie om uit te groeien tot informatiepleinen waar de kracht van geo-informatie volop zichtbaar wordt!

zondag 26 oktober 2014

De voetbalkaart van Nederland toont bijzondere spreiding én concentratie van voetbalfans

Er is al minstens een tweetal keer in het tijdschrift Geografie in beeld gebracht hoe groot het marktaandeel van de Nederlandse BVO's (betaald voetbal organisaties, zeg maar: de clubs uit ere- en eerste divisie) is. In 2006 schreven Trudo DeJonghe en Sjef van Hoof onder te titel "Over slapende reuzen en wakkere dwergen" voor het eerst over de marktaandelen, in 2010 constateerde Henk van Houtum in hetzelfde blad dat "de provincie" (FC Groningen, AZ, FC Twente) qua marktaandeel een flinke groeispurt had doorgemaakt.
Daarvoor werd het aantal seizoenskaarthouder per club per 4-positiepostcodegebied in beeld gebracht. Zowel in 2006 als in 2010 was dat een statische kaart.

Dagblad Tubantia heeft nu hetzelfde gedaan, maar dan met een interactieve kaart. Het leuke is dat je nu je per betaald voetbalclub, per postcode kunt kijken hoeveel trouwe fans er wonen. Dat levert leuke inzichten op.
Die grote aantallen Ajaxfans door heel Nederland geloof ik wel even, ik stortte me op de kleine clubs. Die hebben veelal een regionale aanhang, maar bij FC Oss viel het me wel op dat er in hoofddorp-Zuid (postcode 2132) maar liefst 52 seizoenskaartbezitter van de Brabantse club wonen. Telstar, toch geen club met een bovenmatig aantal seizoenskaarthouders, blijkt 3 vaste fans in het Botlekgebied te hebben wonen. En dat terwijl er in totaal 5 mensen in dat postcodegebied wonen! Da's nog eens een marktaandeel! Nu blijkt het hele Rotterdamse havengebied voetbalgek te zijn, want de 5 inwoners van de Europoort (postcode 3198) bezitten in totaal maar liefst 26 seizoenskaarten (van NAC, Feyenoord en Ajax) en op de Maasvlakte (3199) is ondanks het feit dat hier niemand woont toch goed voor 24 seizoenskaarten van de club uit Rotterdam-Zuid.
't Is geen typisch Rotterdams fenomeen, want ook in het hoofdstedelijk Westelijk Havengebied en op de nationale luchthaven Schiphol komt het aantal seizoenskaarthouder ruim boven het aantal inwoners uit. Opvallendste postcodegebied in dit verband is 1101. Dat is het 75 inwoners tellende kantorengebied in Amsterdam-Zuidoost, waar maar liefst 142 seizoenskaarthouder wonen. Gezien het feit dat Ajax hier zijn thuiswedstrijden speelt (in de Arena) is het helemaal bijzonder te zien dat er zich onder die 142 zelfs 7 Feyenoordaanhangers bevinden. Kortom, er lijkt wat vervuiling in de seizoenskaarthouderdatabase te zitten.

Zo biedt de voetbalkaart heel wat stof tot nadenken. Ik ga proberen me iets voor te stellen bij die ene Roda JC-fan uit Anna Paulowna. 't Is dat de koempels en de Sjengen elkaar niet zo liggen, anders dat hij (of zij?) mooi een club van excentrische supporters kunnen vormen met die ene MVV-fan uit Koudum.

zondag 5 oktober 2014

Met geo-informatie (en zonder privacy) word je de beste gemeente van Nederland

Op sociale en old-school media een hit: het PinkRoccade promo-filmpje "de adviseur van de toekomst". Via wearables en andere sensoren, en door het het koppelen van databestanden (GBA) aan actuele informatie (de aanwezigheid van @&#!marokkanen die niet in jouw witte wijk wonen, ik vertáál het PinkRoccade filmpje maar even...) komt oom agent met zijn collega in zijn dienstauto langs om de situatie te checken.
Nu zie ik de prioriteiten van de politie in de participatiemaatschappij van 2020 niet direct liggen bij dit soort situaties, maar de gedachte er achter is natuurlijk helemaal creepy. Films als Das Leben der Anderen (over de Oostduitse Staatssicherheitdienst vallen in het niet bij het Orwelliaanse toekomstperspectief dat PinkRoccade de gemeenten biedt: zo word je de beste gemeente van Nederland!

Want we kunnen zien wie zich ophoudt  op een  plaats waar hij niet thuishoort. Hup, terug naar je eigen ghetto, en snel een beetje. Geldt voor iedere bevolkingsgroep hoor: Dus ook "Hé white boy, what you're doin' downtown", zoals Lou Reed ooit zong. Nog beter: doe vooral niets dat buiten de normen valt, normen die onder invloed van Big Data meer en meer verworden tot "dat wat de grootste gemene burger denkt en doet". Kleur vooral niet buiten de lijntjes. Nog sterker: dénk zelfs niet aan buiten de lijntjes kleuren.

Dit lijkt mij de snelste weg naar het uitbannen van creativiteit. Het af en toe buiten de gebaande paden denken en doen is juist immers wat de mensheid onderscheid van die andere leden van het dierenrijk.

Leuk voor de geosector dat locatie hier zo'n doorslaggevende rol speelt. Misschien moeten de vakken "privacy" en "ethiek maar eens een plaats krijgen in het curriculum van de geo-opleidingen.

Mapping decline: De neergang van de cartografie te boek gesteld

Een dikke maand geleden schreef ik vol enthousiasme over de website die het boek "Mapping decline" begeleidt. Mapping decline beschrijft de exemplarische neergang van de Amerikaanse stad St. Louis. Het boek wordt alom geprezen om het veelvuldige gebruik van kaarten om die neergang te duiden. Inmiddels is het boek de oceaan overgestoken en op mijn nachtkastje belandt.

Ik zal er maar niet omheen draaien: het is qua cartografie een bittere teleurstelling. Kaarten zonder schaalstok of andere aanduiding die me iets zou kunnen zeggen over de afstanden waarover de "white flight" vanuit downtow St. Louis naar suburbia plaats heeft.
Geen topografie, waardoor ik nauwelijks idee heb waar parken, en spoorlijnen etc. liggen. O nee, er stat in het begin een soort van topografische kaart, waarin echter een zodanige projectie is gebruikt dat het klassieke Amerikaanse rechthoekige stratenpatroon tot een soort parallellogram is verworden.
Twee kaarten die in een spread over 2 pagina's hetzelfde thema in 2 verschillende decennia belichten, maar met de kaarten 90 graden gedraaid ten opzichte van elkaar. (zie afbeelding)
Titels die onder de kaart staan zodat ze in de binding van het boek verdwijnen (en ik de pagina's los moet trekken om de titel te kunnen lezen). Maar ook knullige zaken, zoals onbedoelde verschillen in lijndikten van polygonen binnen een kaart.

Hier is iemand lekker met (Arc-)GIS aan het stoeien geweest, maar de uitgever vond het niet nodig een cartograaf op deze verzamelingen gekleurde polygonen los te laten. Besides that, ik had graag een aantal kaarten in dit boek ingeleverd ten faveure van wat fotomateriaal die de wonderbaarlijke en treurige neergang van St. Louis beter zou illustreren.

Zo lijkt "Mapping decline" niet alleen de neergang van St. Louis te beschrijven, maar nog meer een illustratie te zijn van de neergang van de cartografie in het (post-)GIS tijdperk.
Maar mijn mening over de website "Mapping decline" houd ik overeind!


woensdag 1 oktober 2014

Boterhammen met pindakaas (en een glas melk)

Vandaag viel het blijde bericht in mijn postbus dat CMedia (uitgever van GISMagazine, en organisator van de geovakbeurs "GeoEvent" per direct partner wordt in de organisatie van het GeoBuzz congres. GeoBuzz is de door GIN en GeoBusiness opgezette opvolger van het aloude GIN-congres Het heeft op 25 en 26 november plaats in congrescentrum 1931 in 's-Hertogenbosch. Al u er naar toe gaat: vergeet de Bossche bollen (de echte, van Jan de Groot) niet.

Ik vind die samenwerking een heel goede stap. Ten eerste denk ik dat ons kikkerlandje te klein is voor twee geovakbeurzen of -congressen. Ten tweede hoop ik dat hiermee de samenwerking tussen de twee geovaktijdschriften die ons land rijk is, en soms direct na elkaar in mijn brievenbus vallen, ook een stap dichterbij komt.
Die tijdschriften kunnen elkaar namelijk prima aanvullen, GIS Magazine met toegankelijke artikelen over bestaande oplossingen voor de opgaven van het hier en nu, Geo-Info met vaak complexere schrijfsels waarin oplossingsrichtingen worden beschreven voor vraagstukken waarvan je nog maar nauwelijks weet dat ze bestaan.
Ja, natuurlijk zit er een heel andere verdien- en organisatiemodel achter (Geo-Info is immers een verenigingsblad, terwijl CMedia een commerciële uitgever is). Maar met zo'n samenwerking zou er ook prima invulling kunnen worden gegeven aan de ambities zoals die in het geo-beleidsplan GeoSamen zijn neergepend: daarin is de driehoek (tja, geodeten hé) met overheid-bedrijfsleven-onderwijs&wetenschap de basis om geo nog verder uit te nutten.


En als nu u toch naar de GeoBuzz komt, breng dan op 25 november vooral een bezoek aan de OSGeo.nl dag die we dit jaar binnen de muren van de GeoBuzz organiseren. Daar geven we vanuit een open source perspectief ruimte aan bedrijfsleven, onderwijs en wetenschap, en ik denk dat we ook nog wel een relevante overheidsdienaar in ons programma weven.

Dan is GeoBuzz de boterham, CMedia de pindakaas, en vervullen we als Stichting OSGeo.nl met plezier de rol van melk, zoals in deze klassieker:

vrijdag 12 september 2014

Vergeet Geodesign, verwelkom geo-enabled design-thinking.

Een jaar gelden schreef ik twee posts over geodesign. Toen had ik veel moeite om geodesign te plaatsen: wat is geodesign anders dan ruimtelijk ontwerp, wat we al tientallen jaren doen?
Nota bene op de slotdag van de European GeoDesign Summit 2014 (waar ik zelf niet aanwezig ben, beroepsmatig doe ik weinig meer op dit vlak) kan ik geodesign ineens wél plaatsen. Bij deze mijn bijdrage aan de Summit.

Waarom valt nu het kwartje? In essentie: door "geo" even opzij te schuiven!
Via mijn huidige werk bij drinkwaterbedrijf PWM kwam ik op het spoor van het concept "Design Thinking". Bottom line: laat je niet leiden door wat niet mogelijk is, maar laat je inspireren door wat wel mogelijk zou kunnen zijn. Denk in kansen, niet in belemmeringen of beperkingen.

Toegespitst op ruimtelijke vraagstukken is dat zo'n beetje de omslag van toelatingsplanologie (in de tijd van de Rijksplanologische Dienst - veelal onder ministers van sociaaldemocratische huize op Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) naar ontwikkelingsplanologie (post-RPD, veelal met liberale Ministers op het VROM-pluche). En in de 21e eeuw doen we aan gebiedsontwikkeling, een coproductie met álle betrokken partijen (in geodesign termen: samen met the people of the place).

Strikt genomen zou geodesgin voor 2 dingen kunnen staan: a) voor ontwerp ("design") dat betrekking heeft op de ruimte ("geo") en b) voor het toepassingen van geo-ict technieken ("geo") in ontwerpprocessen ("design"). Die tweede invulling zal trouwens altijd betrekking zal hebben op een ruimtelijk vraagstuk (ik zie tenminste niet in hoe Geodesign het ontwerp van pakweg de nieuwe iPhone kan helpen).

Waarom dan toch "geo" in Geodesign? Doe dat nou niet, zo trekken we een generieke term weer in ons eigen kleine geohoekje (of: geohokje). We spreken inmiddels toch ook niet meer over geo-informatie, maar over de locatie-component van informatie?

Dus: vergeet geodesign, verwelkom geo-enabled design-thinking.







zondag 7 september 2014

It is dienmakke! De BAG zit in OpenStreetMap

Afeglopen zaterdag reisde een groep OpenStreetMap enthousiastelingen naar De Fabriek in Leeuwarden om daar de laatste hand te leggen aan de import van de BAG panden en adressen in OpenStreetMap (OSM). Weinig volbloed Friezen overigens, maar met een introductierondje bleek dat iedereen wel een historische band ("ik ben wel eens in Harlingen geweest") met Friesland had .

Ik ga er van uit dat ik bij de lezer het bestaan van OpenStreetMap niet hoef te introduceren. Wel is het handig te weten dat er ruwweg 3 manieren zijn waarop OpenStreetMap kan worden bijgehouden.
Gewapend met GPS wandelend of fietsen op pad, en onderweg nieuwe wegen en paden signaleren, nieuwe Points-of-Interest markeren etc. In landmeetkundige terminologie terrestrische inmeting, in OSM-taal "warme mapping". Al is die laatste term in guur novemberweer misschien wat vreemd. De aldus ingewonnen data wordt bij terugkomst op de thuisbasis (bij moeder de vrouw, of op buitenlandse hotelkamer) verwerkt en definitief in OSM gezet.
Het winterseizoen leent zich wellicht meer voor het thuis bij de kachel en met de poes op schoot aan de hand van luchtfoto's (BING, PDOK) intekenen van nieuwe of veranderde objecten. Deze fotogrammetrische vorm van OSM-data-inwinning is in Nederland minder relevant. De OSM-datadichtheid is al groot, en de wijzigingen in paden en lanen worden vaak sneller in het terrein opgemerkt en aangepast, dan via de vertragende omweg van luchtfoto's van enkele jaren oud. Maar misschien dat het begin 2015 via PDOK beschikbaar komen van luchtfotos'uit 2014 deze vorm van mapping ook in ons land nieuwe perspectieven biedf.
De derde vorm is de vorm waar ik in deze post wat dieper op in ga, het importeren van andere datasets.

In de Nederlandse OSM-historie zijn er 2 grote imports van externe data geweest. De eerste was het offer you can't refuse van autonavigatiebedrijf AND, dat in 2007 haar toenmalige dataset van Nederland, China en India ter integrale opname aanbood. Daarmee werd de Nederlandse in een klap van vele witte vlekken naar een landsbreed goed gevuld raamwerk van wegen. Wat bij veel mappers enthousiasme ontlokte om dan ook de fiets- en wandelpaden in OSM te krijgen.
Een tweede importgolf kwam in 2010. Het Amsterdamse adviesbureau ObjectVision had enige jaren daarvoor in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving op basis van het AHN-1 en de Top10vector ten behoeve van het project GESO het 3DShapes bestand ontwikkeld, en dit er download up hun site aangeboden. uit de top een Na wat juridisch getouwtrek werd duidelijk dat 3D shapes inderdaad rechtenvrij (public domain) in OSM geïmporteerd kon worden. Daarmee veranderde het aanzien van OSM van alleen een wegenkaart naar een compleet topografisch bestand met bebouwingscontouren, grazige weilanden, vruchtbare akkers en eeuwig ruisende wouden.

Op de open data golf die sinds enige jaren ons land overspoeld kwam de BAG als een lekker hapje in beeld van de OSM-mappers. Rond 2011 verschenen de eerst suggesties op het OSM-forum om iets met de BAG te gaan doen. Likkebaardend vanwege de smaakvolle detaillering van middeleeuwse kathedralen zoals de Sint Jan. (zie ook in de OpenTopo kaarten van Jan-Willem van Aalst). Maar ook als vernieuwing van de toch al flink verouderde bebouwing uit 3DShapes. Die was immers gebaseerd op de Top10vector uit 2007, wat met de toenmalige updatefrequentie neerkwam op een bronjaar van pakweg 2005. Een periode waarin in suburbia de Vinexhuizen nog als paddenstoelen uit de grond schoten.

Niet alleen de eye-candy van die pandcontouren uit de BAG is interessant. De adressen zijn misschien nog wel waardevoller. Er zijn bovenop OpenStreetMap diverse routezoekers ontwikkeld. Om te zorgen dat je aan de goede kant van de Haagse Laan van Meerdervoort uitkomt is het wel erg handig als niet alleen straatnamen maar ook huisnummers in OSM zijn opgenomen. Weliswaar hadden sommige mappers al met de hand huisnummer toegevoegd, maar een import van de BAG is een heel aantrekkelijke manier om die 10 miljoen adressen in OSM te krijgen.
Op basis van flinke discussie op het forum en in een tweetal real-life sessies eind 2013 in Utrecht en voorjaar 2014 in Duivendrecht is er een methodiek ontwikkeld om de import gecontroleerd te laten verlopen. Geen niets ontziende import, maar onderzoekt alle dingen en behoudt het goede als leidraad. Een aanpak waar de Data Working Group (DWG) van de OpenStreetMap foundation ook op toe ziet (Ja, OpenStreetMap is veel gestructureerder en georganiseerder dan velen denken!). De complete werkwijze is vastgelegd op de Wiki, voor wie het nog eens wil naspelen.


Zo'n import roept allerlei vragen op. Moet je het überhaupt wel willen (ja: met name voor die routezoekerij is het wel erg handig als de data in OSM zélf zit), hoe ga je het bijhouden (de relevante ID's zijn mee-geïmporteerd uit de BAG, de methodiek wordt nog verder ontwikkeld), en wat is de volgende stap? De OSM-community kijkt nu al uit naar de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). Ik betwijfel of die net zo'n meerwaarde heeft. Waarom zou je OSM belasten met topografische detail voor een schaalniveau van pakweg 1:1000, terwijl OSM voor gebruik te voet, te paard of op de fiets eerder een 1:10.000 - 1:50.000 karakter heeft. Aan de andere kant, je ziet in OSM allerlei micro-mapping ontstaan, zoals in Artis en de Efteling.waar het BGT-detailniveau wel een handige basis voor is. We gaan het zien, want het leuke van OSM is juist dat de toekomst niet in beton is gegoten.

Die import deed ook op een andere manier de wenkbrouwen fronsen. De geometrievalidatie in OSM liegt er niet om, waardoor in sommige gemeenten het alarm erg vaak afging bij panden die elkaar een paar centimeter overlappen. Blijkbaar staan (sommige) BAG-beheer applicaties dat toe. Ook kwam de OSM-importeurs diverse gebouwen tegen die inmiddels niet  meer bestaan. Met een serie terugmeldingen is met deze import actie de BAG zelf ook verbeterd.

Da's een mooie bijvangst, maar de mooiste bijvangst is dat alle acties rond deze import de Nederlandse OSM-community wat meer body heeft gegeven. Daar kan voor de verdere ontwikkeling van OSM in Nederland best wat moois uitkomen.