Posts tonen met het label omgevingswet. Alle posts tonen
Posts tonen met het label omgevingswet. Alle posts tonen

zondag 24 juli 2016

De burger aan zet: de uitslag. En de complexiteit van de omgevingswet.

Op deze blog heb ik al een aantal maal eerder geschreven over de bestemmingsplanwijziging in mijn Amsterdamse achtertuin. Het globale bestemmingsplan "Stadswerf Oostenburg" was begin juli toe aan de laatste 2 bedrijven: de bespreking in de raadscommissie RO, en de daaropvolgende behandeling plus stemming in de Raad. Dat leverde nog aardig wat politiek vuurwerk op.

Vanuit participerende bewoners van de omliggende buurten is er in de inspraak met name aangedrongen het openbaar houden van kades en oevers, op variatie in bouwhoogte, en po een volwaardig aandeel sociale woningbouw. Dat laatste punt werd steeds meer de spil van de politieke discussie.
Een technisch lastige discussie, want in het ontwerp bestemmingsplan (onder bestuurlijke verantwoordelijkheid van het stadsdeel centrum) werd gesproken over percentages BVO (bruto vloeroppervlak) die gereserveerd zouden moeten worden voor sociale woningbouw, terwijl in het vigerend stedelijk beleid eigenlijk altijd wordt gesproken over percentages van de aantallen woningen. En er is helaas geen vaste "wisselkoers" tussen vloeroppervlak en aantal woningen, het hangt er maar net van af hoe groot of klein je de sociale huurwoningen, die in het middensegment en de koopwoningen bouwt.
Dat vigerende stedelijk beleid betreft met name de afspraken die er tussen gemeente, woningcorporaties en huurdersverenigingen zijn gemaakt, en die er kortweg op neer komen dat zodra in een wijk het aandeel sociale huurwoningen (aantallen dus!) beneden de 35% dreigt te komen er een alarmbel afgaat en de partijen rond de tafel gegaan om te kijken hoe hier op ingegrepen kan worden. Als geografische indeling wordt daarbij een opdeling van Amsterdam in 22 gebieden gehanteerd. Dat is een sinds 2015 in gebruik zijnde indeling die met name wordt gebruikt ten behoeve van het opstellen van sociaal(-ruimtelijk) beleid.
In de politieke discussies in bestuurscommissie, raadscommissie en Raad bleek die indeling nog wat onwennig te zijn; de dames en heren politici vielen bewust of onbewust liever terug op vetrouwde termen en indeling als de "Oostelijke Eilanden", waarmee technisch gezien echter maar naar pakweg een vijfde deel van het in deze discussie ter zake doende "22 gebieden - gebied" gerefereerd werd.

Had de omgevingswet (met het bijbehorende Digitaal Stelsel) hierbij kunnen helpen? Waarschijnlijk wel. Met het eenduidig vastleggen van beleid en beleidsvoornemens was de kans klein geweest dat er in het ontwerpbestemmingpslan ineens met percentages BVO ipv aantallen was gerekend. En daarnaast was de gebiedsindeling waarop de "35% afspraken" betrekking heeft in een Digitaal Stelsel waarschijnlijk wat prominenter naar voren gekomen. Alhoewel het daar naar mijn idee ook had geholpen als de 22 gebieden indeling van een wervende naam zou zijn voorzien.

Ook merk je aan dit proces dat om een Digitaal Stelsel volledig tot zin recht te laten komen echt alle plannen, beleid en beleidsvoornemens met een ruimtelijke component digitaal en vergelijkbaar beschikbaar moeten zijn. Dus ook de afspraken over de ondergrens voor het percentage sociale woningbouw per 22 gebieden-zonder-naam.

En dan nog: het ad-hoc hanteren daarvan in een politieke discussie in bestuurscommisie, raadscommissie en gemeenteraad is geen sinecure; bij de behandeling van dit bestemmingsplan in die gremia valt op hoe "tekstgericht" die behandeling is, je zou bij de raadscommissie RO de kaart van Amsterdam toch wat meer prominent in gebruik verwachten. Mocht iemand daarvan sprekende voorbeelden hebben dan verneem ik dat graag!

Hoe dan ook. Het bestemmingpslan is -met een amendement dat een hoger percentage sociale huur afdwingt- vastgesteld met een overigens krappe raadsmeerderheid. Daarmee kunnen we doorgaan naar de volgende stap: de uitwerkingsplannen. Waarschijnlijk zijn die weer wat meer op het ruimtelijk ontwerp (bouwhoogte, verkaveling) gericht.

maandag 22 februari 2016

De burger aan zet in de omgevingswet. Eigen ervaringen én die van het SCP

Sinds 2 jaar bemoei ik me (met zo''n 20 buurtbewoners) intensief met de herziening van het bestemmingsplan van het gebied waar ik vanuit mijn Amsterdamse woning op uit kijk. Vorig jaar heb ik daar bij twee gelegenheden wat over verteld (zie presentatie nr. 8 op de site van een Geonovum dag over 3D en de omgevingswet). Erg leuk om als geo-professional met ruime ervaring in de ruimtelijke ordening vanuit een ander perspectief (dat van de burger) medeprofessionals een nieuw inzicht mee te geven.
(Aardige anekdote: bij aanvang van mijn verhaal vroeg ik aan de met 100 man/vrouw gevulde zaal hoeveel burgers er in de zaal waren. Slechts 10 mensen staken hun hand op... Got it?)

Kern van mijn betoog was dat a) bestemmingsplannen heel moeilijk leesbaar zijn, en dat RO-Online het daarbij niet gemakkelijker maakt (de meeste bewoners hebben zelf na aandringen bij de gemeente een PDF met de plankaart losgepeuterd), b) een bestemmingsplan met veel hoogbouwaspecten in een platte plankaart wel erg moeilijk leesbaar is en c) dat het proces van inspraak, dus nog los van de planinhoud, voor argeloze burgers bijna ondoorgrondelijk is. In Amsterdam overigens extra bemoeilijkt omdat centrale stad en bestuurscommissie er nog steeds niet uit zijn wie welke rol heeft op gebied van bestemmingsplannen. Dat het in dit geval om een globaal bestemmingplan met uitwerkingsplicht gaat maakt de zaak nog even wat complexer.

Voor de inleefbaarheid in de inhoud hielp het mijn medebewoners heel veel om -met Google Earth Professional, gevuld met Amsterdamse 3D panden- een aantal 3D beelden van het bestemmingsgebied te construeren, en daar een hele serie gezichtspunten mee te maken, met zowel "best case" als "worst case" scenarios. Door er een paar bekende Amsterdamse gebouwen in te zetten die ongeveer dezelfde hoogte hebben als wat het bestemmingsplan straks toestaat won de 3D verbeelding nog meer aan zeggingskracht. De stap naar Augmented Reality of VR moet ik nog even maken...
Met de uit deze 3D verbeelding voortkomende inzichten hebben we in onze zienswijze de gemeente en stedenbouwkundig bureau Urhahn weten te overtuigen om méér variatie in bouwhoogte aan te brengen door op sommige plekken juist hoger te bouwen dan de voorgestelde 42 meter.

Het mooie is dat parallel aan dit lokale buurtproces het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO) steeds meer vorm krijgt. Wel maak ik me zorgen over ambitie en invulling daarvan, want ik zie in het programma maar een beperkte 3D ambitie voor de eerste fase. En ik zie veel technisch-inhoudelijke invulling, maar weinig hulpmiddelen waarmee de burger en andere belanghebbenden in het inspraakproces worden begeleid.
Wel meedenken helemaal aan de voorkant, in onschuldige ontwerpsessies (Geodesign!) in houtskool. Maar als het er echt op aan komt en je als burger geconfronteerd wordt met plannen die in inkt staan, en de doorlooptijden zoals die in de Omgevingswet staan moeten worden gehaald, dan kun je wel wat ondersteuning gebruiken. Wat zijn de spelregels, waar kan ik ze vinden wie stelt ze op en wie handhaaft ze? En wanneer heb ik mijn 3 minuten inspraaktijd? Want daar komt het uiteindelijk op neer.

Gelukkig heeft het Sociaal Cultureel Planbureau dit onlangs in het essay "Niet buiten de burger rekenen" ook aan de orde gesteld. Inhoudelijk zeer herkenbaar, en bovendien in een vlotte stijl en compact geschreven waardoor je in een dik uurtje heel veel wijzer bent. Een absolute aanrader voor iedereen die met de Omgevingswet te maken heeft. En een mooi aandachtspunt voor het aanstaande Proverocongres.

Ondertussen participeren mijn buren en ik vrolijk door. Met overmorgen inspraak bij de raadscommisie RO over bij wie we nu eigenlijk over de planinhoud mogen inspreken. Een soort van meta-inspraak dus!

zondag 8 februari 2015

Een Huis der Kansen aan de Laan van de Leefomgeving

Een dik half jaar terug schreef ik op deze plek al eens over de Laan van de Leefomgeving, en met name de wijze waarop je met geo-informatie ontwikkelingsplanologie kunt bedrijven.

Nu de laatste weken het voortbestaan van het warenhuis V&D de economische krantenpagina's overheerst toetste ik de ambities van de Laan van de Leefomgeving eens aan de ontwikkelingen in de retailsector. Wat me opvalt is dat de Laan met haar informatiehuizen focust op wat er wel of niet op een bepaalde locatie mag. uit de programmadefinitie GOAL:  "Het gaat daarbij om informatie voor besluiten met rechtsgevolgen, zoals vergunningen of een omgevingsplan".

Naar mijn idee liggen er daarmee nog kansen voor een informatiehuis (of misschien wel aanbouwtjes bij de bestaande informatiehuizen) die informatie verzamelt over wat er op een bepaalde locatie haalbaar is. De gevolgen van de overvloedige kantoor- en bedrijfshallenbouw rond de eeuwwisseling kan iedereen om zich heen zien. Het overschot aan fysieke winkelruimte wordt ook steeds duidelijker, en dat heeft niet alleen met V&D te maken.

Het zou de kwaliteit van ruimtelijke initiatieven helpen als ook informatie over bevolkingsontwikkeling, arbeidsmarkt, koopkracht etc. via de Laan van de Leefomgeving wordt ontsloten. Daarnaast draagt de laagdrempelige beschikbaarheid (huizen aan deze Laan kennen hopelijk geen drempels!) bij aan een transparanter besluitvormingsproces; betrokken burgers en andere stakeholders kunnen met de beschikbaarheid van dit soort informatie ruimtelijke initiatieven in hun achtertuin beter op waarde schatten. En het helpt de verantwoordelijke overheden om tot betere omgevingsplannen te komen die aansluiten bij actuele ontwikkelingen ten aanzien van woning- kantoren- en winkelmarkt.

Dus als er nog een kaveltje vrij is aan de Laan van de Leefomgeving: een Huis der Kansen zou een verrijking voor het straatbeeld zijn. Of dat huis door de overheid gebouwd mag worden valt nog te bezien; als een of meer commerciële geodata-aanbieders zo'n pakhuis kunnen neerzetten lijkt me dat ook prima. Al is het in dat verband wel wrang dat onlangs de "V&D van de geodata" (Bridgis) failliet is gegaan.

woensdag 29 oktober 2014

Voorbij de Omgevingswet: de kruispunten van de Laan van de Leefomgeving

Toen ik nog in de schoolbanken van de Tilburgse Stappegoorweg en de Utrechte Vondellaan zat was in de colleges planologie en ruimtelijke ordening onderstaande schema zo ongeveer les één:
 
Dit schema gaf aan wat de rol en positie van ruimtelijke ordening is: het behandelt één facet van diverse sectoren (verkeer en vervoer, defensie, landbouw, natuur). Net zoals als die sectoren ook onder meer een economisch en een juridisch facet kennen. Daarmee werd ruimtelijke ordening als integrator tussen diverse sectoren neergezet. De sectoren zijn daarbij leidend. Dat GIS als integrator vanouds in de ruimtelijke ordening wordt gebruikt is niet zo vreemd, het ruimtelijk domein is de logische plek om de kracht van geo-informatie als verbindend element tot zijn recht te laten komen.

Inmiddels is in alle sectoren ook voor de eigen primaire processen het gebruik van ruimtelijke informatiesystemen vanzelfsprekend. De verkeer en vervoer sector doet aan ongevallenregistratie, dynamisch verkersmanagement en wegonderhoud, in de watersector gebruiken de waterschappen geo-informatie ten behoeve van dijkbeheer, de drinkwaterbedrijven hebben allemaal een leidinginformatiesysteem, de milieusector kent zijn meetnetten en modellen voor luchtkwaliteit en ga zo maar door. Het zal zo'n beetje de eeuwwisseling zijn geweest dat het zwaartepunt van de GIS toepassingen verschoven van de integrerende, facet-geörienteerde toepassingen naar de sectorale geo-informatiesystemen.

Momenteel wordt er aan gewerkt de sectorale versnippering tegen te gaan door diverse sectorale wetten (zoals de Tracéwet en de Wet geluidhinder) samen te voegen in de nieuwe Omgevingswet. Een zegen voor de geo-informatie, want daarmee krijgt de aloude droom van geo als superglue waarmee de ruimtelijke facetten van de diverse sectoren aan elkaar worden verbonden spontaan een wettelijke basis. Onder de titel : "Laan van de Leefomgeving" werkt het programma GOAL aan een samenhangend stelsel van informatiehuizen. Zojuist is de programmadefinitie hiervoor verschenen.. Dat is absoluut een leesuurtje waard. Het doel van GOAL is om bestaande informatiesystemen te verbinden. Interessant, want dat betekent dat GOAL een sectoroverstijgende, integrale geo-informatie-architectuur moet opstellen. Daarvoor is afgelopen zomer een architectuurdocument opgesteld (vooruit, nog 20 extra minuten leespauze).

Als medewerker van een drinkwaterbedrijf valt het me op dat uit het rijtje informatiehuizen het informatiehuis water zich zo te zien alleen met het droge voeten bezig houdt. Je hoeft maar een slinger aan de kraan te geven om je te realiseren dat er ook water is dat niet bedreigend is. Dat heeft er ongetwijfeld mee te maken dat voor de Laan van de Leefomgeving het perspectief van de Omgevingswet leidend is. Maar ook voor allerlei processen in de diverse sectoren van de Laan van de Leefomgeving een rol vervullen in de informatievoorziening. In iedere sector is er vroeg of laat informatie nodig uit andere sectoren, ook buiten het kader van de Omgevingswet. Zo wordt met het programma KlicWin niet alleen beoogd te komen tot een betere WION-procesondersteuningen en te voldoen aan de Inspire-vereisten maar ook om "de KLICinformatiehuishouding van ondergrondse netten meer te verbinden met aanpalende thema’s en ontwikkelingen in de ruimtelijke informatievoorziening". Strikt genomen is dat geen Laan van de Leefomgeving, maar het is wel een "geo-informatiestraat" die aan de Laan grenst.

Het is uitermate interessant om vanuit de Laan van de Leefomgeving in de richting van alle sectoren te verkennen waar de eigen "sectorale informatiestraten" de Laan van de Leefomgeving kruisen. Het zou zonde zijn als we die kruispunten niet herkennen, waardoor het ongelijkvloerse kruisingen blijven.
Die kruispunten hebben immer de potentie om uit te groeien tot informatiepleinen waar de kracht van geo-informatie volop zichtbaar wordt!

maandag 21 juli 2014

Een Inspire datacatalogus? Ik wil Meer! Meer! Meer!

Begin juli mocht ik namens de Stichting OSGeo.nl aanschuiven bij het halfjaarlijkse PDOK klantenpanel, dat sinds vorig jaar gecombineerd wordt met een Inspire gebruikersoverleg.
Voor diegenen die deze gremia niet kennen: vanuit de PDOK-beheerorganisatie (dus Kadaster), vanuit Inspire (Ministerie van IenM) en met medewerking van Geonovum wordt er tijdens deze overleggen toelichting gegeven op a) wat er aan diensten gerealiseerd is, b) wat er op de rol staat en vanuit de gebruikers van al dit moois feedback gevraagd. Noem het maar een klankbordgroep.

Tijdens de meeting een ferme discussie over de oude en de nieuwe BRT-achtergrond kaart  (moet die persé 100% BRT zijn, of mag het ook een onsje BRT, aangevuld met ene paar gram NWB, een snufje AHN en een toefje OpenStreetMap blijven?).
Ook veel aandacht voor de één loket gedachte van PDOK (nu wordt de gebruiker nog van het data-kastje naar de service-muur gestuurd. Dit gaat veranderen; je kunt straks met zowel technische als data-inhoudelijke vragen bij het PDOK-loket terecht, die zetten het wel door naar 2e of zelfs 3e lijn.
En verder loopt er deze zomer een onderzoek naar de haalbaarheid van een PDOK-light, een voorziening die met name gemeenten moet helpen bij het aanbieden van open (geo)data.

Het verrassende hoogtepunt was het aan den volke tonen van een proof-of-concept van de Inspire Datagids. Matthias Snoei (SWIS) en Edward MacGillavry (Webmapper) hebben dit PoC gemaakt, waarbij goed webdesign het uitgangspunt is. Lees "the elements of user experience" als je meer wilt weten over de 5-S-en: strategy, scope, structure, skeleton, surface. Een absolute aanrader!

Het moet gezegd: de concept-datagids zag er mooi uit. Naast een goed doordacht design en interface, waren ook de omschrijvende teksten die de door de datagids bladerende eindgebruiker moeten verleiden tot het gebruik van de Inspire datasets weloverwogen. Niet die onbegrijpelijke technische kromtaal waar het NGR vol mee staat, maar heldere, ja zelfs wervende omschrijvingen waardoor het geo-water je bijkans door de mond loopt. En als het dan ook nog -zoals Matthias suggereerde- een gemakkelijk te onthouden domeinnaam als www.ngr.nl krijgt, dan zijn worden we helemaal blij.

Ja, app-bouwers en ruimtelijk beleidsmedewerkers boffen maar dat zij de doelgroep mogen vormen van deze geo-candy.
Wel een wat vreemde doelgroepmix trouwens. App bouwers willen data, beleidsmedewerkers willen informatie. Maar ik ben nog nooit een App-bouwer tegengekomen die specifiek Inspire data wil. Of een beleidsmedewerker die specifiek informatie uit datasets zoekt die dankzij Inspire beschikbaar zijn. Houd me ten goede hoor, ik vind het hartstikke mooi dat er onder invloed van Inspire allerlei geodata beschikbaar is gekomen. Maar een programma als SEIS heeft net zo goed veel moois opgeleverd.


Met slechts als Inspire datasets aangemerkte bronnen als inhoud lijkt deze catalogus vooral een Inspire-verkooptruc. Is het programmabudget op? En moeten er (bijvoorbeeld uit de budgetten voor de invoering Omgevingswet) nieuwe financiële bronnen worden aangeboord?
What's next? Een compleet fake-portaal? Met alleen screendumpjes in een Prezi achter elkaar geplakt?


Mijn voornaamste bezwaar is dat we als geo-sector hier een enorme kans laten liggen om het nationaal georegister (NGR) eindelijk die boost te geven die het al zo lang nodig heeft.
Schreeuw s.v.p .even met mij mee:
- Willen jullie meer of minder redactie op de content (de omschrijvingen van de datasets)?
(allen:) Meer!-
 Willen jullie meer of minder controle op het aan de voordeur tegenhouden van onnodige datasets
(allen:) Meer!
- Willen jullie een meer of een minder wervende vormgeving?
(allen:) Meer!
- Willen jullie meer of minder dan alleen de Inspire datasets?
(allen:) Meer!

En verder:
- Een kortere URL: handig! (is www.catalogis.nl misschien iets?)
- Een meer handigere user-interface: heel graag!

Mét de complete inhoud van het NGR, mét de harvesting mogelijkheden. We waren met z'n allen toch zo voor standaarden (ISO19115 enzo, CSW, Dublin Core)? En voor data bij de bron, dus ook metadata bij de bron!

Ik zou zeggen: dit proof-of-concept was een inspirende vingeroefening. Effect bereikt. Dank u. Punt.
Mix het idee met het geoportaal geopunt.be van onze zuiderburen, en maak daarmee geo-informatie over de volle breedte dé succesfactor voor de omgevingswet, in plaats van te navelstaren op alleen Inspire-datasets.
Donderdag 4 september is de kans om je stem voor de Grote Sprong Voorwaarts voor het NGR te laten horen. Ik weet dat er binnen Nederland genoeg concrete ideeën zijn om zo'n stap te maken én genoeg ontwikkelkracht om dat ook daadwerkelijk waar te maken.
Dan zijn we echt voor een langere periode aan het investeren, in plaats van het najagen van een korte termijnwinst.

Tot 4 september, in Amersfoort!

De onzekere toekomst van de Omgevingswet

In de zomereditie van het vakblad Geo-info (nr. 2014-4) die ik dit weekend doorbladerde las ik een column van Willemijn Simon van Leeuwen. De Geofort directeur beschrijft in die column de tegenover minister Bussemaker geuitte wens om aanpassingen van het bestemmingsplan en vergunningsverlening meer "principle based" dan "rule based" (zeg maar: meer naar de geest van de wet dan naar de letter van de wet) te laten verlopen. Dit met in het achterhoofd gepietlut over de mogelijke ecologische waarde van het Geofort, en de geconstateerde kans op archeologische vondsten in deze huiskamer van de Nederlandse geo-sector.

Ik hoop dat Minister Bussemaker het hier nog even met haar collega Schultz van Haegen over heeft gehad. Die laatste heeft immers net Omgevingswet, de integrale wet voor het ruimtelijke domein, die onder meer de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO) gaat vervangen, naar het parlement gestuurd. De WRO, u weet wel, die wet waaruit de digitale ruimtelijke plannen voortvloeien. Plannen met lekker scherpe, eenduidige grenzen, waarmee de afdeling vergunningen gemakkelijk kan toetsen of een geplande dakkapel (of aanleg van een Geofort) is toegestaan of niet.
Toelatingsplanologie, heet dat in vaktermen. Met de ontwikkelingsplanologie (de overheid als gebiedsontwikkelaar) als tussenstap zijn we inmiddels bij de uitnodigingsplanologie terecht gekomen. de overheid als verleider voor ruimteljke ontwikkelingen, met slechts streefbeelden en ruwe richtingen als leidraad, in plaats van die in beton gegoten bestemmingen. Goed nieuws voor Willemijn, lijkt me. Een liberale ruimtelijke ordening, in plaats van de -van oudsher vaak sociaal democratische- zwart-witte grenzen.

So far, so good. En de geosector is er maar al te zeer van doordrongen dat zij de Omgevingswet wat te bieden heeft (of lelijker gezegd: dat er wat valt mee te eten uit de ruif die Omgevingswet heet). Met het programma GOAL moet de virtuele Laan van de Leefomgeving worden voorgegeven, waaraan informatiehuizen voor diverse domeinen staan. Met basisregistraties en PDOK als bron en leverantiekanaal komt dat vast wel goed.
Maar hoe vertaal je uitnodigingsplanologie naar een GIS? Het uitnodigen zelf is al niet gemakkelijk, want dan moet je een wensbeeld in kaart brengen: dát trekt je niet zomaar uit wat basisregistraties.
Nog complexer wordt het geo-ondersteund toetsen. Met die zwart-witte WRO grenzen was dat gemakkelijk; ja of nee, 't mag of het mag niet, desnoods met 6 cijfers achter de komma van X, Y en Z. Kaasje voor de immer naar hoge nauwkeurigheid en exactheid strevende geo-sector.
Maar nu? Geen kwantitatieve benadering, maar een kwalitatieve. Geen beton maar rubber. Geen zwart-wit, maar de kleur van je hart.

Een moeilijk, maar voor de geosector erg interessant en relevant puzzeltje. Wellicht kan het RGI onderzoek uit 2008 naar Omgaan met onzekere planobjecten een inspiratiebron zijn. De insteek in dat onderzoek was weliswaar omgekeerd, want daar was de vraag hoe kan ik met om allerlei redenen onscherpe grenzen toch toelatingsplanologie uitvoeren? Maar als je dat rapport 90 graden kantelt komt je wellicht al een eind in de goede richting.

 
Denk niet zwart-wit!

woensdag 13 juni 2012

Oude Wijze Raad van State: een databank voor de leefomgeving

Het Ministerie van IenM (de inmiddels al weer anderhalf jaar oude opstelsom van VROM en VenW) is onder de noemer Omgevingswet druk bezig de wet- en regelgeving op het gebied van de leefomgeving te vereenvoudigen.

Op 25 januari van dit jaar bracht de Raad van State een advies uit over deze herziening van het omgevingsrecht. Los van het feit dat de Raad aangeeft dat de Minister-van-130 kilometer per uur- ook haar beleid in een wel erg hoog tempo in wetgeving wil verankeren is voor de lezer van dit blog vooral het advies over het opzetten van "gebiedsgerichte gegevensverzamelingen" interessant.
Binnenlands Bestuur schreef hier naar aanleiding van een milieusymposium onlangs al een artikel over. Omdat leefomgeving al gauw met een ruimtelijke component te maken heeft wil ik er vanuit geoperspectief (dat klinkt navelstaarderiger dan bedoeld...) nog wel wat gedachten aan toevoegen.

Lees eerst even wat de Afdeling advies van de Raad van State schrijft:
"5.2.3 Opzetten van een landelijk stelsel van gebiedsgerichte gegevensverzameling
De Afdeling is van oordeel dat het aanbeveling verdient om databanken op te zetten waarin gegevens over gebieden worden verzameld en toegankelijk worden gemaakt voor overheden, bedrijven en burgers. Deze gegevens zouden betrekking kunnen hebben op archeologische waarden, bodemgesteldheid, bodemverontreiniging, luchtverontreiniging, waterkwaliteit en veiligheidszones et cetera. Om een landelijke dekking te krijgen, zou de Minister hiertoe het initiatief moeten nemen.
Met deze databanken kunnen bestuursorganen, bedrijven en burgers beschikken over betrouwbare en volledige gegevens over verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving. Hierdoor worden de onderzoekslasten voor bestuur en burger kleiner en wordt besluitvorming eenvoudiger, sneller en beter. Feiten zullen eerder worden geaccepteerd en de kans dat een op basis van deze feiten genomen besluit voor de rechter stand zal houden, wordt groter. Daarvoor is het noodzakelijk dat de kwaliteit van de gegevens wordt gewaarborgd. Duidelijk moet zijn met welke methoden de data zijn verzameld. Alleen als de kwaliteit van de gegevens onomstreden is, zal aan deze gegevens in een rechterlijke procedure veel waarde worden gehecht. Natuurgegevens worden reeds verzameld en beschikbaar gesteld door de Gegevensautoriteit Natuur. Deze heeft inmiddels ervaring met het verzamelen en beschikbaar stellen van gegevens en met het waarborgen van de kwaliteit van de gegevens. Deze ervaringen kunnen worden betrokken bij het opzetten van een databank voor gegevens over de fysieke leefomgeving."


En iets verderop, in paragraaf 6.2: "De onderzoekslasten voor overheden en burgers kunnen belangrijk worden verminderd als actuele gegevens over de fysieke leefomgeving worden verzameld en beschikbaar gesteld. De Afdeling acht het van groot belang dat dergelijke systemen worden opgezet."

Het is dat er  wordt gerefereerd aan het 5 jaar geleden ingestelde Gegevensautoriteit Natuur, anders zou je werkelijk denken een advies uit 1978 te lezen. Blijkbaar heeft het geld dat tot dusverre in portalen als het Compendium voor de Leefomgeving van PBL en CBS, Provinciaal Georegister, PDOK, Nationaal Georegister en aanverwante Inspire activiteiten, Atlas voor de Leefomgeving gepompt is niet geresulteerd in een betere informatievoorziening. Of in ieder geval niet in een ervaring van een betere informatievoorziening bij de doelgroep.

Momenteel zien de gebruikers in het bos der portalen en databanken de bomen blijkbaar niet meer: dat los je niet op door nog meer portalen in te richten (of nog erger: door een App te laten ontwikkelen die de gebruikers wegwijs moet maken in de bestaande databanken en portalen).
Nee, dat doe je door - geheel in de geest van de Omgevingswet!- te gaan snoeien: breng de nu bestaande platformen en portalen in beeld, ga na of ze data of informatie aanbieden, bedenk wat hun doelgroepen zijn (beleidsmakers, bestuurders, beïnvloeders, burgers, bedrijven en andere belanghebbenden?) en zorg dat die doelgroepen ook worden bereikt (en monitor dat).
Dan heb je het al zo'n beetje over de informatie-architectuur van de Omgevingswet.

Gelukkig zitten hoofd geobeleid Noud Hooyman en Omgevingswetprogrammadirecteur Edward Stigter fysiek en organisatorisch dicht bij elkaar, dus hier moet een bondje te maken zijn. Bijvoorbeeld door de doelstellingen Gideon 2 (dat momenteel in de maak is) als aanbod te koppelen aan de potentiële informatiebehoefte zoals in het advies van de Raad van State is opgesteld.

Dat snoeien lijkt trouwens al begonnen te zijn: vorig jaar kortten de Ministeries van EL&I en IenM zodanig (80%) op het programma Interwad dat deze niet anders kon dan het beheer van geoportaal en digitale atlas stop te zetten, tot grote teleurstelling van programmamanager Piet Feddema.). Ook het ouwe trouwe dataportal van de DID van Rijkswaterstaat staat al geruime tijd op zwart, terwijl er vanuit het kenniscentrum van datzelfde Rijkswaterstaat nog vrolijk naar toe wordt gelinkt.