"Een rijke buurman trekt je niet omhoog" was de kop waarmee NRC berichtte over het proefschrift van politiek socioloog Emily Miltenburg. In dat proefschrift betoogt Miltenburg dat er veel minder sprake is van een verheffend/emanciperend effect van "de buurt" op haar bewoners dan vaak wordt aangenomen. Henk en Fatima verleiden tot een verhuizing vanuit de Schilderswijk naar Wassenaar zal ze dus niet als vanzelf enige sporten doen stijgen op de sociaal-economisch ladder.
Waarom is dat interessant vanuit een geo-perspectief?
De laatste jaren is de geosector druk bezig nieuwe markten en toepassingen te verkennen, waarbij er vaak wordt gekeken naar het ontginnen van braakliggend geo-terrein in het sociale domein. Niet dat ruimtelijke informatie daar in het geheel niet gebruikt wordt (denk aan het gebruik van de Kansenverkenner door de gemeenten Den Haag en Zaanstad), maar er ligt nog een markt braak voor GeoBI-achtige toepassingen in het sociale domein.
Of toch niet?
Miltenburgs onderzoek is immers een pleidooi om sociaal-economisch beleid niet aan "de buurt" maar "de bewoners" op te hangen. Een buurt opstoten in de vaart der volkeren is immers niet automatisch het verbeteren van de positie van haar bewoners. Blijkbaar zijn we hier met z'n allen iets te enthousiast doorgeschoten in het denken dat een probleem met een ruimtelijke component (Ingrid en Achmed wonen immers op een bepaalde plek) opgelost moet worden door op dat ruimtelijke aspect (de buurt) te focussen.
Tijd om onze op geo-centrische GIS-analyses vaarwel te zeggen, en onze geografische informatiesystemen te verrijken met een flinke klodder behavoriale geografie. Da's knap lastig, want onze sector is van oudsher nogal exact ingesteld en kan moeilijk uit de voeten met een niet-rationeel handelende factor die de mens is. Maar als we de berg kaartlagen in onze maps kunnen uitbreiden met mental maps zie ik voor geo-toepassingen in het sociale domein een mooi (ondersteunend) perspectief.
Posts tonen met het label geo. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geo. Alle posts tonen
zondag 9 april 2017
Aan de slag met Geo BI? Kijk eerst even "naar je eige"!
De laatste jaren is business intelligence, de tak van sport die met name voor commerciële toepassingen uit modder (data) goud (informatie) probeert te maken, weer wat meer op het spoor gekomen van ruimtelijke informatie. Weliswaar doet de primitieve wijze waarop "geo" in een product als Micosoft PowerBI wordt geïmplementeerd vermoeden dat er sinds de dagen van Mappoint weinig geo-specialisten een baan in Redmond hebben gevonden, maar het is een stapje in de goede richting.
Ook Esri is met haar "Insights for ArcGIS" juist vanuit de geohoek flink aan de BI-poort aan het rammelen.
Toch valt de grootste winst op BI gebied voor de geosector volgens mij direct om de hoek te halen. Onze van steeds meer interactiviteit voorziene webmaps blijken namelijk maar mondjesmaat geconsumeerd te worden. In het artikel http://mapbrief.com/2017/04/06/few-interact-with-our-interactive-maps-what-can-we-do-about-it/ wordt dat overtuigend beschreven. Opvallend dat de ondertitel "and what can we do about it?" suggereert dat de interactiviteit in kaarten-op-het-web welhaast als een verplicht nummer wordt beschouwd. Gelukkig laat het artikel zelf wel ruimte voor de suggestie om interactiviteit niet toe te passen.
BI-technieken om meer inzicht te krijgen in de wijze waarop een interactieve webkaart wordt gelezen bestaan al enige tijd. Denk aan Maptiks (voor ArcGIS Online, Leaflet, OpenLayers),denk dacht aan Geocortex Optimizer voor Geoweb/Geocortex Essentials. (ik kon tot mijn verrassing Optimizer niet meer terugvinden op de Geocortex site. Wel -oh ironie- een Geo-BI product...)
Clicks, pans en zooms kunnen worden gemeten en geanalyseerd, maar ook de frequentie van interactie als layers aan/uitzetten, labels aanzetten, ondergrond wijzigen van topografie naar luchtfoto (om maar eens een klassieker te noemen). En wat verderstrekkend: welke straat- en plaatsnamen er in de zoekbox worden ingetikt, en of er direct daarna alsnog flink wordt gepand om op de webplek van bestemming terecht te komen.
Ik kom in de praktijk echter weinig tegen dat deze webmap-BI-tooling uit de verpakking wordt gehaald, nog minder dat-ie wordt geïnstalleerd en geconfigureerd en eigenlijk helemaal niet dat de er mee verzamelde data in informatie wordt omgezet, er conclusies aan worden verbonden en er op wordt geacteerd.
Jammer, want wij van de geo steken veel tijd en geld in onze fancy viewers. Maar de return on investment daarvan brengen we niet in kaart waardoor we iedere keer weer aan "het management" moeten wat de meerwaarde is van geo.
Ook Esri is met haar "Insights for ArcGIS" juist vanuit de geohoek flink aan de BI-poort aan het rammelen.
Toch valt de grootste winst op BI gebied voor de geosector volgens mij direct om de hoek te halen. Onze van steeds meer interactiviteit voorziene webmaps blijken namelijk maar mondjesmaat geconsumeerd te worden. In het artikel http://mapbrief.com/2017/04/06/few-interact-with-our-interactive-maps-what-can-we-do-about-it/ wordt dat overtuigend beschreven. Opvallend dat de ondertitel "and what can we do about it?" suggereert dat de interactiviteit in kaarten-op-het-web welhaast als een verplicht nummer wordt beschouwd. Gelukkig laat het artikel zelf wel ruimte voor de suggestie om interactiviteit niet toe te passen.
BI-technieken om meer inzicht te krijgen in de wijze waarop een interactieve webkaart wordt gelezen bestaan al enige tijd. Denk aan Maptiks (voor ArcGIS Online, Leaflet, OpenLayers),
Clicks, pans en zooms kunnen worden gemeten en geanalyseerd, maar ook de frequentie van interactie als layers aan/uitzetten, labels aanzetten, ondergrond wijzigen van topografie naar luchtfoto (om maar eens een klassieker te noemen). En wat verderstrekkend: welke straat- en plaatsnamen er in de zoekbox worden ingetikt, en of er direct daarna alsnog flink wordt gepand om op de webplek van bestemming terecht te komen.
Ik kom in de praktijk echter weinig tegen dat deze webmap-BI-tooling uit de verpakking wordt gehaald, nog minder dat-ie wordt geïnstalleerd en geconfigureerd en eigenlijk helemaal niet dat de er mee verzamelde data in informatie wordt omgezet, er conclusies aan worden verbonden en er op wordt geacteerd.
Jammer, want wij van de geo steken veel tijd en geld in onze fancy viewers. Maar de return on investment daarvan brengen we niet in kaart waardoor we iedere keer weer aan "het management" moeten wat de meerwaarde is van geo.
zaterdag 12 november 2016
Geodiscussies op Linkedin: roepen in de woestijn?
Zo nu en dan haal ik de stofkam door de LinkedIn groepen waar ik lid van ben. Gebeurt er nog iets, is de groep nog relevant om te volgen? Zo niet, dan gaat-ie in de LinkedIn afvalbak. Toedeledokie!
Zo'n opruimactie geeft ook een aardig beeld van waar er überhaupt nog discussie plaats vindt.
In de tijd dat LinkedIn druk aan de weg aan het timmeren was jou en mij te verleiden tot het aanmaken van een LinkedIn account waren de discussie een mooi middel om klanten mee te verleiden. Het traditionele UseNet had als discussiepodium zijn beste tijd wel gehad, en daar kon de overname van het UseNet archief door Google Groups niet heel veel aan veranderen.
De afgelopen jaren heeft LinkedIn de discussies in de groepen steeds meer afgewaardeerd. De opties om je tijdlijn gewoon op datum te sorteren verdween (waardoor sommige posts niet of nauwelijks meer waren terug te vinden), en er werden maatregelen genomen ("SWAM") waardoor het aanhouden van een post in één groep er toe leidt dat een post van jou in andere groepen ook in de wacht wordt gezet. Een artikel van JB Gershbein in de Huffington Post beschrijft hoe LinkedIn groepen leeg zijn komen te staan. Alsof het panden in een winkelstraat in een middelgrote stad betreft.
Tijd voor een rondje langs wat Nederlandse geo-Linkedgroepen. Dat rondje was overigens een blik "door de oogharen", aangezien LinkedIn de API waarmee je groepsgrootte en -activiteit simpel en doeltreffend als "big data" kon verzamelen vorig jaar de nek heeft omgedraaid.
Wat opvalt is dat de LinkedIn groepen meer als een mededelingenbord fungeren, en veel minder als een discussietafel. In de grootste Nederlandse geo-groep Geo-Informatie Nederland (GIN) (ruim 3000 leden) is in het afgelopen jaar de verhouding tussen bericht en reacties ongeveer 1:1. Als je bedenkt dat er bij die reacties nogal wat opvolgende mededelingen van de oorspronkelijke post-er zitten (1e bericht: "wij zoeken een schaap met 5 poten", zelfde persoon 1 week later: "we zijn inmiddels voorzien") dan duidt dat niet op levendige discussies.
Wel kan bijna ieder bericht op een handjevol "likes" rekenen. We vinden elkaar in het geowereldje gelukkig nog steeds aardig.
Over naar de wat meer specialistische groepen op gebied van geo-basisregistraties.
In de groep Basis Registratie Topografie (BRT) (bijna 700 leden) vliegen de voor- en tegenargumenten in gloedvolle discussies je weliswaar niet om de oren, maar vind er in ieder geval geregeld informatieuitwisseling plaats, waarbij opvalt dat adviseurs en productmanagers van het Kadaster zich er actief roeren.
Ook de groep BGT Basisregistratie Grootschalige Topografie is springlevend. Aldaar een vrolijke mix van trotse bronhouders die hun lokale BGT op de landelijke voorziening hebben aangesloten en al even trotse externe projectleiders. Maar ook technisch-inhoudelijke vragen van zowel BGT-bronhouder als gebruikers als passeren hier de revue. De drukte hier is des te opvallend omdat de BGT ook op Pleio een actief gebruikt podium heeft.
De groep BAG Afnemers heeft weer wat meer de kenmerken van een -overigens geregeld door MinIenM en Kadaster gebruikt- eenrichtingsverkeer mededelingenbord.
ArcGIS in Nederland dan. Het bovenaan uitgelichte gesprek is van 4 jaar geleden. Dat doet vermoeden dat de eigenaar van deze groep met 1700 leden met een lange sabbatical bezig is. Er blijken bij nader inzien wel wat recentere berichten in de groep te lezen, maar daarvan heeft het merendeel niet specifiek betrekking op ArcGIS. Ruim 300 ArcGIS gebruikers zelf hebben hun AGGN LinkedIn groep. Daar constateert een bestuurslid een maand geleden dat het er wel heel stil is geworden.
Ook in open source land slijten de toetsenborden niet hard van de vurige discussies. De groep Flamingo Geo CMS beperkt tot spaarzame aankondigingen van binnen- en buitenlandse open source geo-evenementen.
In het meer visueel ingestelde deel van de geosector blijken de 300 Nederlandse kartografen / Dutch cartographers de LinkedIn server ook niet bepaald plat te leggen. 10 maanden geleden is daar de berichtenstroom opgedroogd. Op het randje van het geodomein vinden we Datavisualisatie Nederland. Daar is het weliswaar iets drukker, maar ook de 400 leden daarvan kunnen met een gerust hart 3 weken op vakantie gaan zonder een mededeling te missen.
Nog eentje aan de randen van geoland: op Open data Nederland komen bijna wekelijks berichten voorbij. Dat blijken voor het overgrote deel aankondigingen van evenementen te zijn. Op zich prima, maar ook hier vind ik het opvallend dat discussie (laat staan polemiek) ver te zoeken is.
Is Twitter dan de social media place to be? Mwha. Met gemiddeld over het jaar 1 #geonl bericht per dag is de status van trending topic ver weg.
Dat brengt me bij mijn voorlopige conclusie dat "wij van de geo" elkaar veel meer in het echt tegenkomen dan dat we elkaar via social media connected zijn.
Of ik zie natuurlijk een aantal kanalen over het hoofd en blijkt de hele Nederlandse geosector nog op Hyves te zitten, of juist via het Dark Web met elkaar te communiceren.
En natuurlijk zie we elkaar op 22 november op de GeoBuzz in 's-Hertogenbosch. Zullen we afspreken in of bij de OSGeo.nl-zaal? Dexter 11, na de ingang de eerste zaal aan de linkerhand.
Zo'n opruimactie geeft ook een aardig beeld van waar er überhaupt nog discussie plaats vindt.
In de tijd dat LinkedIn druk aan de weg aan het timmeren was jou en mij te verleiden tot het aanmaken van een LinkedIn account waren de discussie een mooi middel om klanten mee te verleiden. Het traditionele UseNet had als discussiepodium zijn beste tijd wel gehad, en daar kon de overname van het UseNet archief door Google Groups niet heel veel aan veranderen.De afgelopen jaren heeft LinkedIn de discussies in de groepen steeds meer afgewaardeerd. De opties om je tijdlijn gewoon op datum te sorteren verdween (waardoor sommige posts niet of nauwelijks meer waren terug te vinden), en er werden maatregelen genomen ("SWAM") waardoor het aanhouden van een post in één groep er toe leidt dat een post van jou in andere groepen ook in de wacht wordt gezet. Een artikel van JB Gershbein in de Huffington Post beschrijft hoe LinkedIn groepen leeg zijn komen te staan. Alsof het panden in een winkelstraat in een middelgrote stad betreft.
Tijd voor een rondje langs wat Nederlandse geo-Linkedgroepen. Dat rondje was overigens een blik "door de oogharen", aangezien LinkedIn de API waarmee je groepsgrootte en -activiteit simpel en doeltreffend als "big data" kon verzamelen vorig jaar de nek heeft omgedraaid.
Wat opvalt is dat de LinkedIn groepen meer als een mededelingenbord fungeren, en veel minder als een discussietafel. In de grootste Nederlandse geo-groep Geo-Informatie Nederland (GIN) (ruim 3000 leden) is in het afgelopen jaar de verhouding tussen bericht en reacties ongeveer 1:1. Als je bedenkt dat er bij die reacties nogal wat opvolgende mededelingen van de oorspronkelijke post-er zitten (1e bericht: "wij zoeken een schaap met 5 poten", zelfde persoon 1 week later: "we zijn inmiddels voorzien") dan duidt dat niet op levendige discussies.
Wel kan bijna ieder bericht op een handjevol "likes" rekenen. We vinden elkaar in het geowereldje gelukkig nog steeds aardig.
Over naar de wat meer specialistische groepen op gebied van geo-basisregistraties.
In de groep Basis Registratie Topografie (BRT) (bijna 700 leden) vliegen de voor- en tegenargumenten in gloedvolle discussies je weliswaar niet om de oren, maar vind er in ieder geval geregeld informatieuitwisseling plaats, waarbij opvalt dat adviseurs en productmanagers van het Kadaster zich er actief roeren.
Ook de groep BGT Basisregistratie Grootschalige Topografie is springlevend. Aldaar een vrolijke mix van trotse bronhouders die hun lokale BGT op de landelijke voorziening hebben aangesloten en al even trotse externe projectleiders. Maar ook technisch-inhoudelijke vragen van zowel BGT-bronhouder als gebruikers als passeren hier de revue. De drukte hier is des te opvallend omdat de BGT ook op Pleio een actief gebruikt podium heeft.
De groep BAG Afnemers heeft weer wat meer de kenmerken van een -overigens geregeld door MinIenM en Kadaster gebruikt- eenrichtingsverkeer mededelingenbord.
ArcGIS in Nederland dan. Het bovenaan uitgelichte gesprek is van 4 jaar geleden. Dat doet vermoeden dat de eigenaar van deze groep met 1700 leden met een lange sabbatical bezig is. Er blijken bij nader inzien wel wat recentere berichten in de groep te lezen, maar daarvan heeft het merendeel niet specifiek betrekking op ArcGIS. Ruim 300 ArcGIS gebruikers zelf hebben hun AGGN LinkedIn groep. Daar constateert een bestuurslid een maand geleden dat het er wel heel stil is geworden.
Ook in open source land slijten de toetsenborden niet hard van de vurige discussies. De groep Flamingo Geo CMS beperkt tot spaarzame aankondigingen van binnen- en buitenlandse open source geo-evenementen.
In het meer visueel ingestelde deel van de geosector blijken de 300 Nederlandse kartografen / Dutch cartographers de LinkedIn server ook niet bepaald plat te leggen. 10 maanden geleden is daar de berichtenstroom opgedroogd. Op het randje van het geodomein vinden we Datavisualisatie Nederland. Daar is het weliswaar iets drukker, maar ook de 400 leden daarvan kunnen met een gerust hart 3 weken op vakantie gaan zonder een mededeling te missen.
Nog eentje aan de randen van geoland: op Open data Nederland komen bijna wekelijks berichten voorbij. Dat blijken voor het overgrote deel aankondigingen van evenementen te zijn. Op zich prima, maar ook hier vind ik het opvallend dat discussie (laat staan polemiek) ver te zoeken is.
Is Twitter dan de social media place to be? Mwha. Met gemiddeld over het jaar 1 #geonl bericht per dag is de status van trending topic ver weg.
Dat brengt me bij mijn voorlopige conclusie dat "wij van de geo" elkaar veel meer in het echt tegenkomen dan dat we elkaar via social media connected zijn.
Of ik zie natuurlijk een aantal kanalen over het hoofd en blijkt de hele Nederlandse geosector nog op Hyves te zitten, of juist via het Dark Web met elkaar te communiceren.
En natuurlijk zie we elkaar op 22 november op de GeoBuzz in 's-Hertogenbosch. Zullen we afspreken in of bij de OSGeo.nl-zaal? Dexter 11, na de ingang de eerste zaal aan de linkerhand.
woensdag 1 april 2015
De geosector, zij leefde in onschuld, in het paradijs. Totdat ze de vrucht met de nam GPS kreeg aangeboden en daar een hap van nam. Daarmee verruimde ze haar aandachtsgebied van het aloude verzamelen, registreren en analyseren van "gegevens met een vaste plaats op, boven, onder of in het aardoppervlak" naar het stoeien met "location based services"; locatie als dynamisch kenmerk van personen, in trains, planes & automobiles, te land, ter zee, en in de lucht.
Tot voor een paar jaar was privacy hierbij in de Nederlandse geosector nauwelijks punt van aandacht. Maar nu is er een "witboek" met de titel "Privacy op zijn plaats". In opdracht van Geonovum geschreven door Angélique van Oortmarssen, Marc de Vries en Bastiaan van Loene. Heel knap hoe de drie schrijvers dit ogenschijnlijk droge onderwerp in pakweg 40 pagina's niet alleen leesbaar maar zelfs levendig weten te maken.Technische ontwikkelingen, de wet, de interpretatie daarvan, ervaringen, en ethische aspecten passeren de revue, geïllustreerd met pakkende voorbeelden. En de schrijvers zijn niet te beroerd om aan te geven waar de onduidelijkheden zitten. Zij hebben de wijsheid ook niet in pacht.
Zomaar even een eye-opener uit het witboek waarmee duidelijke wordt dat de reikwijdte van privacywetgeving ten aanzien van ruimtelijke informatie ver blijkt te strekken; informatie over perceelsgrenzen, en zelfs gedetailleerde luchtfoto's moeten onder bepaalde omstandigheden als persoonsgegevens worden beschouwd (!)
Het eerste hoofdstuk is in tien pagina's de beste compacte inleiding over wat locatie-informatie is en wat het kan die ik ooit heb gezien. Dat kun je zo in een willekeurige geovisie opnemen. Vooral de zin "locatie-informatie is daarbij oliemannetje dat data uit verschillende databronnen aan elkaar kan relateren" kan mij erg bekoren. Hoofdstuk twee legt de juridische kaders op een begrijpelijke manier uit, en beschrijft daarbij uitdrukkelijk de grijze gebieden. Met een zevental praktijkcases uit overheid, onderzoek en bedrijfsleven wordt vervolgens de praktijk opgezocht.
Om het witboek niet als een nachtkaars uit te laten gaan wordt in het slothoofdstuk een goede aanzet voor vervolg gegeven. Door hierbij ene onderscheid te maken in 3 niveaus ("pistes") wordt degene die er hier en nu mee aan de slag wil niet wordt gedwongen zich met "Brussel" aan een tafel te zetten, maar in een voor hem of haar qua inhoud en tijdspad aantrekkelijke setting wordt uitgenodigd.
Eén interessant aspect pik ik er nog even uit: de Wet bescherming persoonsgegevens stelt dat de persoonsgegevens eerst en vooral verzameld moeten zijn voor een gerechtvaardigd, duidelijke bepaald en goed omschreven doel. Verdere verwerking -al dan niet binnen dezelfde organisatie- mag alleen als dit niet onverenigbaar met het oorspronkelijke doel, aldus artikel 9 van de Wpb. Altijd bijzonder, zo'n dubbele ontkenning, maar lid 2 van hetzelfde artikel geeft aan dat er rekening moet worden gehouden met verwantschap tussen het beoogde nieuwe doel en het oorspronkelijk doel. Ik ben benieuwd hoe je dit moet toepassen op open data. Daar is het doel voor verdere veerwerking juist vaak juist een heel ander dan het oorspronkelijk doel van registratie. En hoe pas je dit toe op OpenStreetMap, een registratie die als doel heeft tot een vrij, zonder belemmeringen bruikbare kaart van de hele wereld te komen. Da's een breed doel, bijna net zo breed als de inhoud van deze crowdsourced registratie.
Lezen dus! En kom op donderdag 23 april naar de workshop "Privacy.. en wat er wel kan" op de beurs Overheid 360°
Tot voor een paar jaar was privacy hierbij in de Nederlandse geosector nauwelijks punt van aandacht. Maar nu is er een "witboek" met de titel "Privacy op zijn plaats". In opdracht van Geonovum geschreven door Angélique van Oortmarssen, Marc de Vries en Bastiaan van Loene. Heel knap hoe de drie schrijvers dit ogenschijnlijk droge onderwerp in pakweg 40 pagina's niet alleen leesbaar maar zelfs levendig weten te maken.Technische ontwikkelingen, de wet, de interpretatie daarvan, ervaringen, en ethische aspecten passeren de revue, geïllustreerd met pakkende voorbeelden. En de schrijvers zijn niet te beroerd om aan te geven waar de onduidelijkheden zitten. Zij hebben de wijsheid ook niet in pacht.
Zomaar even een eye-opener uit het witboek waarmee duidelijke wordt dat de reikwijdte van privacywetgeving ten aanzien van ruimtelijke informatie ver blijkt te strekken; informatie over perceelsgrenzen, en zelfs gedetailleerde luchtfoto's moeten onder bepaalde omstandigheden als persoonsgegevens worden beschouwd (!)
Het eerste hoofdstuk is in tien pagina's de beste compacte inleiding over wat locatie-informatie is en wat het kan die ik ooit heb gezien. Dat kun je zo in een willekeurige geovisie opnemen. Vooral de zin "locatie-informatie is daarbij oliemannetje dat data uit verschillende databronnen aan elkaar kan relateren" kan mij erg bekoren. Hoofdstuk twee legt de juridische kaders op een begrijpelijke manier uit, en beschrijft daarbij uitdrukkelijk de grijze gebieden. Met een zevental praktijkcases uit overheid, onderzoek en bedrijfsleven wordt vervolgens de praktijk opgezocht.
Om het witboek niet als een nachtkaars uit te laten gaan wordt in het slothoofdstuk een goede aanzet voor vervolg gegeven. Door hierbij ene onderscheid te maken in 3 niveaus ("pistes") wordt degene die er hier en nu mee aan de slag wil niet wordt gedwongen zich met "Brussel" aan een tafel te zetten, maar in een voor hem of haar qua inhoud en tijdspad aantrekkelijke setting wordt uitgenodigd.
Eén interessant aspect pik ik er nog even uit: de Wet bescherming persoonsgegevens stelt dat de persoonsgegevens eerst en vooral verzameld moeten zijn voor een gerechtvaardigd, duidelijke bepaald en goed omschreven doel. Verdere verwerking -al dan niet binnen dezelfde organisatie- mag alleen als dit niet onverenigbaar met het oorspronkelijke doel, aldus artikel 9 van de Wpb. Altijd bijzonder, zo'n dubbele ontkenning, maar lid 2 van hetzelfde artikel geeft aan dat er rekening moet worden gehouden met verwantschap tussen het beoogde nieuwe doel en het oorspronkelijk doel. Ik ben benieuwd hoe je dit moet toepassen op open data. Daar is het doel voor verdere veerwerking juist vaak juist een heel ander dan het oorspronkelijk doel van registratie. En hoe pas je dit toe op OpenStreetMap, een registratie die als doel heeft tot een vrij, zonder belemmeringen bruikbare kaart van de hele wereld te komen. Da's een breed doel, bijna net zo breed als de inhoud van deze crowdsourced registratie.
Lezen dus! En kom op donderdag 23 april naar de workshop "Privacy.. en wat er wel kan" op de beurs Overheid 360°
Labels:
artikel 29 werkgroep,
cbp,
ePrivacy,
geo,
geonovum,
privacy,
wbp,
wet bescherming persoonsgegevens
Abonneren op:
Posts (Atom)