"Ceci nést pas une carte". Of: "Openstreetmap: més d'un mapa".
Dat zijn -vrij naar René Magritte respectievelijk FC Barcelona- twee uitspraken die heel erg op Openstreetmap van toepassing zijn. Er zit onder de motorkap van OSM namelijk een rijkdom aan data die niet allemaal in de kaart getoond kan worden. Om een idee te krijgen van de rijkdom aan "features" (objecten) en "tags" (attributen) is het aardig om een kijkje te nemen in het objectenhandboek van OSM (ja, dat bestaat!). Dat kan de vergelijking met BRT, BGT en NWB aardig doorstaan!
Met name vanwege die laatste, het Nationaal Wegenbestand heeft de dienst Centrale Informatievoorziening (CIV) van Rijkswaterstaat de stoute schoenen aangetrokken en de OSM-community benaderd om te verkennen waar er wederzijdse kansen liggen voor samenwerking.
Na een tweetal voorbereidende gesprekken kwamen afgelopen zaterdag in het LEF Future Center van Rijkswaterstaat zo'n 25 "mappers" en een even grote groep Rijkswaterstaters (aangevuld met vertegenwoordigers van andere basisregistraties) bijeen om "aan elkaar te snuffelen".
De structuur (of: afwezigheid daarvan) van beide organisatie werd naast elkaar gelegd, de cultuurverschillen onder de loep genomen. En uiteraard werd met een blik onder de motorkap gegeven van een hele serie als open data beschikbare RWS datasets (NWB, Weggeg, DTB), van de stukje bij beetje beschikbaar komende BGT, en natuurlijk ook van Openstreetmap. Als bonus werd een "sneak preview" gegeven van een aantal RWS datasets niet nu nog niet open zijn, maar waarvan het interessant is om met de OSM-community te verkennen wat de waarde is van het wél open maken.
Het mooie is dat er ook spijkers met koppen zijn geslagen: een zestal acties zijn benoemd waar OSM-ers én Rijkswaterstaters en IenM-ers gezamenlijk aan de gang gaan. Variërend van het wegnemen van drempels voor beginnende mappers (door een remake van www.openstreetmap.nl) tot het zoeken naar een nieuwe opslagwijze waarmee het gemakkelijker wordt mutaties vanuit verschillende bronnen (NWB én OSm) aan elkaar te knopen. Wordt dus vervolgd!
Met dank aan Eric van Rijkswaterstaat voor het starten van dit initiatief, met dank aan de mensen van bewaking en catering van het LEF om op zaterdag te deuren open te gooien, met dank aan Joris voor de creatieve begeleiding, en natuurlijk dank aan Johan, Frans, Gertjan, Marianne, Marc, Henk, han, Tom, Bas, Jo, Stefan, Wim, Frank, Ed, Luc, Bram, Barry, Sylvia, Fred, René, Rob, Myckel, Fred, Martien, Henk, Peter, Jasper, Matthijs, Christine, Olivier, Nick, Orchida, Gerald, Karin, Marco, Rob, Sander, Jaap-Willem, Vincent, Iris en Harry (heb ik zo iedereen?) voor hun bijdrage en inzet op deze inspirerende dag.
O ja, op twitter kun je de dag teruglezen met de tag #OSMRWS
Posts tonen met het label openstreetmap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label openstreetmap. Alle posts tonen
zondag 20 september 2015
zondag 7 september 2014
It is dienmakke! De BAG zit in OpenStreetMap
Afeglopen zaterdag reisde een groep OpenStreetMap enthousiastelingen naar De Fabriek in Leeuwarden om daar de laatste hand te leggen aan de import van de BAG panden en adressen in OpenStreetMap (OSM). Weinig volbloed Friezen overigens, maar met een introductierondje bleek dat iedereen wel een historische band ("ik ben wel eens in Harlingen geweest") met Friesland had .
Ik ga er van uit dat ik bij de lezer het bestaan van OpenStreetMap niet hoef te introduceren. Wel is het handig te weten dat er ruwweg 3 manieren zijn waarop OpenStreetMap kan worden bijgehouden.
Gewapend met GPS wandelend of fietsen op pad, en onderweg nieuwe wegen en paden signaleren, nieuwe Points-of-Interest markeren etc. In landmeetkundige terminologie terrestrische inmeting, in OSM-taal "warme mapping". Al is die laatste term in guur novemberweer misschien wat vreemd. De aldus ingewonnen data wordt bij terugkomst op de thuisbasis (bij moeder de vrouw, of op buitenlandse hotelkamer) verwerkt en definitief in OSM gezet.
Het winterseizoen leent zich wellicht meer voor het thuis bij de kachel en met de poes op schoot aan de hand van luchtfoto's (BING, PDOK) intekenen van nieuwe of veranderde objecten. Deze fotogrammetrische vorm van OSM-data-inwinning is in Nederland minder relevant. De OSM-datadichtheid is al groot, en de wijzigingen in paden en lanen worden vaak sneller in het terrein opgemerkt en aangepast, dan via de vertragende omweg van luchtfoto's van enkele jaren oud. Maar misschien dat het begin 2015 via PDOK beschikbaar komen van luchtfotos'uit 2014 deze vorm van mapping ook in ons land nieuwe perspectieven biedf.
De derde vorm is de vorm waar ik in deze post wat dieper op in ga, het importeren van andere datasets.
In de Nederlandse OSM-historie zijn er 2 grote imports van externe data geweest. De eerste was het offer you can't refuse van autonavigatiebedrijf AND, dat in 2007 haar toenmalige dataset van Nederland, China en India ter integrale opname aanbood. Daarmee werd de Nederlandse in een klap van vele witte vlekken naar een landsbreed goed gevuld raamwerk van wegen. Wat bij veel mappers enthousiasme ontlokte om dan ook de fiets- en wandelpaden in OSM te krijgen.
Een tweede importgolf kwam in 2010. Het Amsterdamse adviesbureau ObjectVision had enige jaren daarvoor in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving op basis van het AHN-1 en de Top10vector ten behoeve van het project GESO het 3DShapes bestand ontwikkeld, en dit er download up hun site aangeboden. uit de top een Na wat juridisch getouwtrek werd duidelijk dat 3D shapes inderdaad rechtenvrij (public domain) in OSM geïmporteerd kon worden. Daarmee veranderde het aanzien van OSM van alleen een wegenkaart naar een compleet topografisch bestand met bebouwingscontouren, grazige weilanden, vruchtbare akkers en eeuwig ruisende wouden.
Op de open data golf die sinds enige jaren ons land overspoeld kwam de BAG als een lekker hapje in beeld van de OSM-mappers. Rond 2011 verschenen de eerst suggesties op het OSM-forum om iets met de BAG te gaan doen. Likkebaardend vanwege de smaakvolle detaillering van middeleeuwse kathedralen zoals de Sint Jan. (zie ook in de OpenTopo kaarten van Jan-Willem van Aalst). Maar ook als vernieuwing van de toch al flink verouderde bebouwing uit 3DShapes. Die was immers gebaseerd op de Top10vector uit 2007, wat met de toenmalige updatefrequentie neerkwam op een bronjaar van pakweg 2005. Een periode waarin in suburbia de Vinexhuizen nog als paddenstoelen uit de grond schoten.
Niet alleen de eye-candy van die pandcontouren uit de BAG is interessant. De adressen zijn misschien nog wel waardevoller. Er zijn bovenop OpenStreetMap diverse routezoekers ontwikkeld. Om te zorgen dat je aan de goede kant van de Haagse Laan van Meerdervoort uitkomt is het wel erg handig als niet alleen straatnamen maar ook huisnummers in OSM zijn opgenomen. Weliswaar hadden sommige mappers al met de hand huisnummer toegevoegd, maar een import van de BAG is een heel aantrekkelijke manier om die 10 miljoen adressen in OSM te krijgen.
Op basis van flinke discussie op het forum en in een tweetal real-life sessies eind 2013 in Utrecht en voorjaar 2014 in Duivendrecht is er een methodiek ontwikkeld om de import gecontroleerd te laten verlopen. Geen niets ontziende import, maar onderzoekt alle dingen en behoudt het goede als leidraad. Een aanpak waar de Data Working Group (DWG) van de OpenStreetMap foundation ook op toe ziet (Ja, OpenStreetMap is veel gestructureerder en georganiseerder dan velen denken!). De complete werkwijze is vastgelegd op de Wiki, voor wie het nog eens wil naspelen.
Zo'n import roept allerlei vragen op. Moet je het überhaupt wel willen (ja: met name voor die routezoekerij is het wel erg handig als de data in OSM zélf zit), hoe ga je het bijhouden (de relevante ID's zijn mee-geïmporteerd uit de BAG, de methodiek wordt nog verder ontwikkeld), en wat is de volgende stap? De OSM-community kijkt nu al uit naar de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). Ik betwijfel of die net zo'n meerwaarde heeft. Waarom zou je OSM belasten met topografische detail voor een schaalniveau van pakweg 1:1000, terwijl OSM voor gebruik te voet, te paard of op de fiets eerder een 1:10.000 - 1:50.000 karakter heeft. Aan de andere kant, je ziet in OSM allerlei micro-mapping ontstaan, zoals in Artis en de Efteling.waar het BGT-detailniveau wel een handige basis voor is. We gaan het zien, want het leuke van OSM is juist dat de toekomst niet in beton is gegoten.
Die import deed ook op een andere manier de wenkbrouwen fronsen. De geometrievalidatie in OSM liegt er niet om, waardoor in sommige gemeenten het alarm erg vaak afging bij panden die elkaar een paar centimeter overlappen. Blijkbaar staan (sommige) BAG-beheer applicaties dat toe. Ook kwam de OSM-importeurs diverse gebouwen tegen die inmiddels niet meer bestaan. Met een serie terugmeldingen is met deze import actie de BAG zelf ook verbeterd.
Da's een mooie bijvangst, maar de mooiste bijvangst is dat alle acties rond deze import de Nederlandse OSM-community wat meer body heeft gegeven. Daar kan voor de verdere ontwikkeling van OSM in Nederland best wat moois uitkomen.
Ik ga er van uit dat ik bij de lezer het bestaan van OpenStreetMap niet hoef te introduceren. Wel is het handig te weten dat er ruwweg 3 manieren zijn waarop OpenStreetMap kan worden bijgehouden.
Gewapend met GPS wandelend of fietsen op pad, en onderweg nieuwe wegen en paden signaleren, nieuwe Points-of-Interest markeren etc. In landmeetkundige terminologie terrestrische inmeting, in OSM-taal "warme mapping". Al is die laatste term in guur novemberweer misschien wat vreemd. De aldus ingewonnen data wordt bij terugkomst op de thuisbasis (bij moeder de vrouw, of op buitenlandse hotelkamer) verwerkt en definitief in OSM gezet.
Het winterseizoen leent zich wellicht meer voor het thuis bij de kachel en met de poes op schoot aan de hand van luchtfoto's (BING, PDOK) intekenen van nieuwe of veranderde objecten. Deze fotogrammetrische vorm van OSM-data-inwinning is in Nederland minder relevant. De OSM-datadichtheid is al groot, en de wijzigingen in paden en lanen worden vaak sneller in het terrein opgemerkt en aangepast, dan via de vertragende omweg van luchtfoto's van enkele jaren oud. Maar misschien dat het begin 2015 via PDOK beschikbaar komen van luchtfotos'uit 2014 deze vorm van mapping ook in ons land nieuwe perspectieven biedf.
De derde vorm is de vorm waar ik in deze post wat dieper op in ga, het importeren van andere datasets.
In de Nederlandse OSM-historie zijn er 2 grote imports van externe data geweest. De eerste was het offer you can't refuse van autonavigatiebedrijf AND, dat in 2007 haar toenmalige dataset van Nederland, China en India ter integrale opname aanbood. Daarmee werd de Nederlandse in een klap van vele witte vlekken naar een landsbreed goed gevuld raamwerk van wegen. Wat bij veel mappers enthousiasme ontlokte om dan ook de fiets- en wandelpaden in OSM te krijgen.
Een tweede importgolf kwam in 2010. Het Amsterdamse adviesbureau ObjectVision had enige jaren daarvoor in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving op basis van het AHN-1 en de Top10vector ten behoeve van het project GESO het 3DShapes bestand ontwikkeld, en dit er download up hun site aangeboden. uit de top een Na wat juridisch getouwtrek werd duidelijk dat 3D shapes inderdaad rechtenvrij (public domain) in OSM geïmporteerd kon worden. Daarmee veranderde het aanzien van OSM van alleen een wegenkaart naar een compleet topografisch bestand met bebouwingscontouren, grazige weilanden, vruchtbare akkers en eeuwig ruisende wouden.
Op de open data golf die sinds enige jaren ons land overspoeld kwam de BAG als een lekker hapje in beeld van de OSM-mappers. Rond 2011 verschenen de eerst suggesties op het OSM-forum om iets met de BAG te gaan doen. Likkebaardend vanwege de smaakvolle detaillering van middeleeuwse kathedralen zoals de Sint Jan. (zie ook in de OpenTopo kaarten van Jan-Willem van Aalst). Maar ook als vernieuwing van de toch al flink verouderde bebouwing uit 3DShapes. Die was immers gebaseerd op de Top10vector uit 2007, wat met de toenmalige updatefrequentie neerkwam op een bronjaar van pakweg 2005. Een periode waarin in suburbia de Vinexhuizen nog als paddenstoelen uit de grond schoten.
Niet alleen de eye-candy van die pandcontouren uit de BAG is interessant. De adressen zijn misschien nog wel waardevoller. Er zijn bovenop OpenStreetMap diverse routezoekers ontwikkeld. Om te zorgen dat je aan de goede kant van de Haagse Laan van Meerdervoort uitkomt is het wel erg handig als niet alleen straatnamen maar ook huisnummers in OSM zijn opgenomen. Weliswaar hadden sommige mappers al met de hand huisnummer toegevoegd, maar een import van de BAG is een heel aantrekkelijke manier om die 10 miljoen adressen in OSM te krijgen.
Op basis van flinke discussie op het forum en in een tweetal real-life sessies eind 2013 in Utrecht en voorjaar 2014 in Duivendrecht is er een methodiek ontwikkeld om de import gecontroleerd te laten verlopen. Geen niets ontziende import, maar onderzoekt alle dingen en behoudt het goede als leidraad. Een aanpak waar de Data Working Group (DWG) van de OpenStreetMap foundation ook op toe ziet (Ja, OpenStreetMap is veel gestructureerder en georganiseerder dan velen denken!). De complete werkwijze is vastgelegd op de Wiki, voor wie het nog eens wil naspelen.
Zo'n import roept allerlei vragen op. Moet je het überhaupt wel willen (ja: met name voor die routezoekerij is het wel erg handig als de data in OSM zélf zit), hoe ga je het bijhouden (de relevante ID's zijn mee-geïmporteerd uit de BAG, de methodiek wordt nog verder ontwikkeld), en wat is de volgende stap? De OSM-community kijkt nu al uit naar de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). Ik betwijfel of die net zo'n meerwaarde heeft. Waarom zou je OSM belasten met topografische detail voor een schaalniveau van pakweg 1:1000, terwijl OSM voor gebruik te voet, te paard of op de fiets eerder een 1:10.000 - 1:50.000 karakter heeft. Aan de andere kant, je ziet in OSM allerlei micro-mapping ontstaan, zoals in Artis en de Efteling.waar het BGT-detailniveau wel een handige basis voor is. We gaan het zien, want het leuke van OSM is juist dat de toekomst niet in beton is gegoten.
Die import deed ook op een andere manier de wenkbrouwen fronsen. De geometrievalidatie in OSM liegt er niet om, waardoor in sommige gemeenten het alarm erg vaak afging bij panden die elkaar een paar centimeter overlappen. Blijkbaar staan (sommige) BAG-beheer applicaties dat toe. Ook kwam de OSM-importeurs diverse gebouwen tegen die inmiddels niet meer bestaan. Met een serie terugmeldingen is met deze import actie de BAG zelf ook verbeterd.
Da's een mooie bijvangst, maar de mooiste bijvangst is dat alle acties rond deze import de Nederlandse OSM-community wat meer body heeft gegeven. Daar kan voor de verdere ontwikkeling van OSM in Nederland best wat moois uitkomen.
zondag 13 juli 2014
Melden is goed, repareren is beter! De 6e en 7e ster van Tim Berners-Lee
Een terugmelding doen op de BAG is van een andere orde dan zélf een onvolkomenheid in OpenStreetMap rechtbreien. Bij de makers van MapInfo, GeoMedia of ArcGIS melden dat er een weeffoutje zit in hun software is iets anders dan zélf zo'n weeffoutje in QGis herstellen. Melden is goed, repareren is beter!
Het leuke is dat dit principe in de maatschappij langzaamaan gemeengoed wordt. Langzaamaan, want we zitten op veel plaatsen pas in de stand van het melden van "bugs": de klassieke kapotte lantaarnpaal, de exemplarische scheefliggende stoeptegel. Met dank aan verbeterdebuurt.nl en andere MOR-apps (vakjargon voor Meldingen Openbare Ruimte) sporen gemeenten hun burgers aan hun klagen over die onvolkomenheden van de dagelijkse leefomgeving te melden aan het (digitale) gemeentelijk loket.
De échte participatiemaatschappij begint echter pas bij door buurtbewoners adopteren van de plaatselijke afvalcontainer of het in de straat gelegen plantsoen. Dat laatste levert op diverse plaatsen in Nederland niet alleen tuiniervreugde maar ook prachtige stukken openbaar groen op, tegen een prijs waarvoor de gemeentelijke groendienst niet verder komt dan het één keer per maand met de grasmaaier over een armetierig stoppelveldje rijden.
Zo beschouwd is niet open data het data-equivalent van open source software, maar crowdsourced data. Hoe ver wil je, of durf je als data-eigenaar te gaan met het ter verbetering open stellen van data? Is een terugmeldingsvoorziening (met daar achter een backoffice) de zesde ster in het model van Tim Berners-Lee? En dan is crowdsourced data de zevende!
Doe bijvoorbeeld eerst eens een terugmelding op de terugmelding BAG of BRT, en doe daarna een edit op OpenStreetMap. Die eerste geeft een gevoel van goed burgerschap, maar bij die tweede geeft het echt een kick om jouw eigen edit na enige uren (in de diverse tiled lagen) op www.openstreetmap.org terug te zien.
Goed om te zien dat Kadaster druk bezig is met het verder uitnutten van de terugmeldfaciliteit. De resultaten van de pilot zijn hier te zien, de komende maande wordt gekeken hoe de terugmeldfaciliteit voor 't echie vorm kan worden gegeven. Ben benieuwd of dat een zes- of zeven sterren variant wordt!
Het leuke is dat dit principe in de maatschappij langzaamaan gemeengoed wordt. Langzaamaan, want we zitten op veel plaatsen pas in de stand van het melden van "bugs": de klassieke kapotte lantaarnpaal, de exemplarische scheefliggende stoeptegel. Met dank aan verbeterdebuurt.nl en andere MOR-apps (vakjargon voor Meldingen Openbare Ruimte) sporen gemeenten hun burgers aan hun klagen over die onvolkomenheden van de dagelijkse leefomgeving te melden aan het (digitale) gemeentelijk loket.
De échte participatiemaatschappij begint echter pas bij door buurtbewoners adopteren van de plaatselijke afvalcontainer of het in de straat gelegen plantsoen. Dat laatste levert op diverse plaatsen in Nederland niet alleen tuiniervreugde maar ook prachtige stukken openbaar groen op, tegen een prijs waarvoor de gemeentelijke groendienst niet verder komt dan het één keer per maand met de grasmaaier over een armetierig stoppelveldje rijden.
Zo beschouwd is niet open data het data-equivalent van open source software, maar crowdsourced data. Hoe ver wil je, of durf je als data-eigenaar te gaan met het ter verbetering open stellen van data? Is een terugmeldingsvoorziening (met daar achter een backoffice) de zesde ster in het model van Tim Berners-Lee? En dan is crowdsourced data de zevende!
Doe bijvoorbeeld eerst eens een terugmelding op de terugmelding BAG of BRT, en doe daarna een edit op OpenStreetMap. Die eerste geeft een gevoel van goed burgerschap, maar bij die tweede geeft het echt een kick om jouw eigen edit na enige uren (in de diverse tiled lagen) op www.openstreetmap.org terug te zien.
Goed om te zien dat Kadaster druk bezig is met het verder uitnutten van de terugmeldfaciliteit. De resultaten van de pilot zijn hier te zien, de komende maande wordt gekeken hoe de terugmeldfaciliteit voor 't echie vorm kan worden gegeven. Ben benieuwd of dat een zes- of zeven sterren variant wordt!
maandag 31 maart 2014
Gelezen: "On the map" van Simon Garfield
Tussen twee banen heb ik eindelijk de tijd om al die boekenleggers en ezelsoren die zich ergens halfweg in diverse boekwerken in mijn cartografische en geografische bibliotheek bevinden op te zoeken en die geschriften alsnog uit te lezen. De komende tijd dus een aantal recensies, of op zijn minst overpeizingen naar aanleiding van een boek.
"On the map" van de Britse journalist en schrijver Simon Garfield uit 2013 was zo'n boek dat ik nog uit wilde lezen. En met plezier! Wat wil je, met "A Mind-expanding Exploration of the Way the World Looks" als ondertitel. Weloverwogen heb ik voor het Engelstalige orgineel gekozen, in plaats van de Nederlandse vertaling, "On the map" heeft immers twee betekenissen ("op de kaart" en "over de kaart") terwijl de Nederlandse versie alleen maar "op de kaart" is.
In "on the map" beschrijft Garfield in 22 lange en een aantal korte ("pocket maps") hoofdstukken die elk een specifieke kaart als uitgangspunt hebben de geschiedenis van de cartografie. Van het wereldbeeld van de Oude Grieken tot en met TomTom, Google Maps en de laatste ontwikkelingen op het gebied van neuropsychologie.
Garfield's schrijfstijl is prettig relativerend, met diverse subtiele grappen die gelukkig weer niet zodanig "inside" zijn dat ze aan deze kant van de Noordzee niet te volgen zouden zijn. "Witty" is de term die een aantal recensenten er voor gebruikten. Adrem, zou je dat in goed Nederlands kunnen noemen. "Associatief" is een ander passend label. De zijstappen en -grappen die Garfield maakt blijven wel zodanig beperkt dat de hoofdroute nooit uit zicht raakt.
Wat Garfield heel erg goed doet is het beschrijven van de kaarten in hun technologische, historische en maatschappelijke context. Niet alleen: wat staat er op die kaart, maar waarom staat juist dát op de kaart. En zo wordt gaandeweg de ruim 400 pagina's de wereld zoals wij die kennen in kaart gebracht. van Europa, naar America (dat eigenlijk Columbus had moeten heten, aldus Garfield), naar de bovenstroom van de Nijl en de Congo, met Scott en Amundsen naar de Zuidpool. Maar ook buiten onze eigen dampkring; naar Mars, en omgekeerd, onder de titel "Mapping the brain" naar onze eigen hersenpan. Ook het bekende vooroordeel dat vrouwen slechter kaart zouden kunnen lezen of minder richtingsgevoel hebben dan mannen komt aan de orde. Daar is overigens niets van waar. Wel oriënteren vrouwen zich over het algemeen meer dan de hand van gebouwen, landmarks, en andere points-of-interest (o nee, die zou ik interessante plaatsen noemen) terwijl mannen grossieren in aanwijzingen als "naar het Noorden", 3e straat links" na 400 meter rechts. Dát is informatie waar je als kaartontwerper je voordeel mee kunt doen!
Als Nederlander gloei je geregeld van trots, zo frequent komen onze voorvaderen als vooruitstrevende voorbeelden voorbij zetten. En niet alleen voorvaderen, want het hoofdstuk over SatNavs spelen TomTom, Tele-Atlas en AND de hoofdrollen. Op de aankomende Cartodag (23 april) maar eens kijken of we die toppositie kunnen vasthouden. En misschien Garfield daar volgend jaar als spreker uitnodigen?
Eigenlijk is "On the map" ook een geweldig lesprogramma voor een opleiding tot cartograaf . En dan het liefst door er net als de auteur op uit te gaan. Bezoek met een groep medestudenten een tentoonstelling in een museum (zoals vanaf morgen die over globes in het Amsterdamse Scheepvaartmuseum). Huur een bus en probeer die nieuwste TomTom uit. Doe mee aan een OpenStreetMap "mapping party". En maak een tube map van je eigen stad of streek.
Ik miste na lezing maar één hoofdstuk, namelijk een over kaarten waarin in plaats van steeds actuelere en meer accurate informatie juist bewust informatie wordt achtergehouden. Plattegronden van Berlijn als "Hauptstadt der DDR" zijn een bekend voorbeeld, maar ook het wegpoetsen van militaire objecten op onze Nederlandse luchtfoto's valt in die categorie. Misschien iets voor een volgende druk?
"On the map" van de Britse journalist en schrijver Simon Garfield uit 2013 was zo'n boek dat ik nog uit wilde lezen. En met plezier! Wat wil je, met "A Mind-expanding Exploration of the Way the World Looks" als ondertitel. Weloverwogen heb ik voor het Engelstalige orgineel gekozen, in plaats van de Nederlandse vertaling, "On the map" heeft immers twee betekenissen ("op de kaart" en "over de kaart") terwijl de Nederlandse versie alleen maar "op de kaart" is.
In "on the map" beschrijft Garfield in 22 lange en een aantal korte ("pocket maps") hoofdstukken die elk een specifieke kaart als uitgangspunt hebben de geschiedenis van de cartografie. Van het wereldbeeld van de Oude Grieken tot en met TomTom, Google Maps en de laatste ontwikkelingen op het gebied van neuropsychologie.
Garfield's schrijfstijl is prettig relativerend, met diverse subtiele grappen die gelukkig weer niet zodanig "inside" zijn dat ze aan deze kant van de Noordzee niet te volgen zouden zijn. "Witty" is de term die een aantal recensenten er voor gebruikten. Adrem, zou je dat in goed Nederlands kunnen noemen. "Associatief" is een ander passend label. De zijstappen en -grappen die Garfield maakt blijven wel zodanig beperkt dat de hoofdroute nooit uit zicht raakt.
Wat Garfield heel erg goed doet is het beschrijven van de kaarten in hun technologische, historische en maatschappelijke context. Niet alleen: wat staat er op die kaart, maar waarom staat juist dát op de kaart. En zo wordt gaandeweg de ruim 400 pagina's de wereld zoals wij die kennen in kaart gebracht. van Europa, naar America (dat eigenlijk Columbus had moeten heten, aldus Garfield), naar de bovenstroom van de Nijl en de Congo, met Scott en Amundsen naar de Zuidpool. Maar ook buiten onze eigen dampkring; naar Mars, en omgekeerd, onder de titel "Mapping the brain" naar onze eigen hersenpan. Ook het bekende vooroordeel dat vrouwen slechter kaart zouden kunnen lezen of minder richtingsgevoel hebben dan mannen komt aan de orde. Daar is overigens niets van waar. Wel oriënteren vrouwen zich over het algemeen meer dan de hand van gebouwen, landmarks, en andere points-of-interest (o nee, die zou ik interessante plaatsen noemen) terwijl mannen grossieren in aanwijzingen als "naar het Noorden", 3e straat links" na 400 meter rechts. Dát is informatie waar je als kaartontwerper je voordeel mee kunt doen!
Als Nederlander gloei je geregeld van trots, zo frequent komen onze voorvaderen als vooruitstrevende voorbeelden voorbij zetten. En niet alleen voorvaderen, want het hoofdstuk over SatNavs spelen TomTom, Tele-Atlas en AND de hoofdrollen. Op de aankomende Cartodag (23 april) maar eens kijken of we die toppositie kunnen vasthouden. En misschien Garfield daar volgend jaar als spreker uitnodigen?
Eigenlijk is "On the map" ook een geweldig lesprogramma voor een opleiding tot cartograaf . En dan het liefst door er net als de auteur op uit te gaan. Bezoek met een groep medestudenten een tentoonstelling in een museum (zoals vanaf morgen die over globes in het Amsterdamse Scheepvaartmuseum). Huur een bus en probeer die nieuwste TomTom uit. Doe mee aan een OpenStreetMap "mapping party". En maak een tube map van je eigen stad of streek.
Ik miste na lezing maar één hoofdstuk, namelijk een over kaarten waarin in plaats van steeds actuelere en meer accurate informatie juist bewust informatie wordt achtergehouden. Plattegronden van Berlijn als "Hauptstadt der DDR" zijn een bekend voorbeeld, maar ook het wegpoetsen van militaire objecten op onze Nederlandse luchtfoto's valt in die categorie. Misschien iets voor een volgende druk?
Labels:
cartografie,
garfield,
google maps,
kaart,
neuropsychologie,
openstreetmap,
tomtom
zaterdag 15 maart 2014
Verbeteren of echt verníeuwen? Open data als aanjager voor de doe-democratie
Een poosje terug las ik de column van Marian Donner in NRC Next (lees 'm hier) de rake zinsnede "ooit droomden techneuten van bewoonbare ruimtestations, nu dromen ze van de snelste en leukste manier om cappuccino te bestellen.".
Heel erg herkenbaar, ook in "open dataland" waar we dankzij de vrijelijk stromende data gemakkelijker een WC of Wipkip vinden, nooit meer in het spoorboekje hoeven te bladeren op zoek naar de treintijden, en de melding "scheefstaande lantaarnpaal" of "kapotte stoeptegel" (of was het andersom) nog nooit snel richting de backoffice van de gemeentelijke organisatie hebben gekregen. (een combinatie van bovenstaande kan ook: de App "treintoilet" toont welke treinen wel of geen WC aan boord hebben).
Op zich allemaal nuttige toepassingen met vooral een hoog lifehacking gehalte: bestaande handelingen of processen een stukje gemakkelijker maken, een beetje verbeteren. Net zoals je tegenwoordig in ieder GIS-pakket met Python een scriptje in elkaar draait om die immer terugkerende routineklus met de spreekwoordelijke druk op de knop uit te kunnen voeren. En zoals de stofzuiger tegenwoordig zelf zijn weg door het huis vindt, in plaats van dat je -alsof je in een clip van Queen speelt- dat apparaat aan dehand stang mee moet nemen op zijn weg door woon- en slaapkamer.
Maar valt er met die open data nou niet méér te doen dan die verbeteringen? Kunnen er nou niet échte vernieuwingen mee tot stand worden gebracht? Werkt dat wellicht alleen wanneer open data een rol speelt in tweerichtingsverkeer, bijvoorbeeld in een crowdsourcing context? Zoals nu gebeurt met OpenStreetMap (OSM), waar de panden en adressen uit de BAG worden geïmporteerd, maar wel zodanig gecontroleerd dat OSM straks wellicht "een betere BAG dan de BAG" bevat. Open data als aanjager voor het actief krijgen van die burgers die nu alleen reactief melden dat het huisvuil weer eens niet is opgehaald. En zo steeds meer opschuiven van informeren, inspraak en burgerparticipatie naar burgerinitiatief, zelfbeheer en meer van dat moois. Als je er zo naar kijkt is open data hét middel om tot een compacte overheid te komen, maar dat zie ik in weinig liberale gemeentelijke verkiezingsprogramma's terug.
Voor de geo-beroepsgroep én voor iedereen die met open data bezig is kan ik het rapport "Deel je rijk" uit 2013 aanraden. De ondertitel "relevante trends voor overheidsinformatie" laat het misschien niet direct blijken, maar van de 37 gesignaleerde trends heeft zeker de helft een directe relatie met open data, user generated content, of met platforms voor samenwerking. En ofschoon geschreven vanuit de impact voor de Rijksoverheid is het rapport net zo gemakkelijk te projecteren op provincies en gemeenten.
Heel erg herkenbaar, ook in "open dataland" waar we dankzij de vrijelijk stromende data gemakkelijker een WC of Wipkip vinden, nooit meer in het spoorboekje hoeven te bladeren op zoek naar de treintijden, en de melding "scheefstaande lantaarnpaal" of "kapotte stoeptegel" (of was het andersom) nog nooit snel richting de backoffice van de gemeentelijke organisatie hebben gekregen. (een combinatie van bovenstaande kan ook: de App "treintoilet" toont welke treinen wel of geen WC aan boord hebben).
Op zich allemaal nuttige toepassingen met vooral een hoog lifehacking gehalte: bestaande handelingen of processen een stukje gemakkelijker maken, een beetje verbeteren. Net zoals je tegenwoordig in ieder GIS-pakket met Python een scriptje in elkaar draait om die immer terugkerende routineklus met de spreekwoordelijke druk op de knop uit te kunnen voeren. En zoals de stofzuiger tegenwoordig zelf zijn weg door het huis vindt, in plaats van dat je -alsof je in een clip van Queen speelt- dat apparaat aan de
Maar valt er met die open data nou niet méér te doen dan die verbeteringen? Kunnen er nou niet échte vernieuwingen mee tot stand worden gebracht? Werkt dat wellicht alleen wanneer open data een rol speelt in tweerichtingsverkeer, bijvoorbeeld in een crowdsourcing context? Zoals nu gebeurt met OpenStreetMap (OSM), waar de panden en adressen uit de BAG worden geïmporteerd, maar wel zodanig gecontroleerd dat OSM straks wellicht "een betere BAG dan de BAG" bevat. Open data als aanjager voor het actief krijgen van die burgers die nu alleen reactief melden dat het huisvuil weer eens niet is opgehaald. En zo steeds meer opschuiven van informeren, inspraak en burgerparticipatie naar burgerinitiatief, zelfbeheer en meer van dat moois. Als je er zo naar kijkt is open data hét middel om tot een compacte overheid te komen, maar dat zie ik in weinig liberale gemeentelijke verkiezingsprogramma's terug.
Voor de geo-beroepsgroep én voor iedereen die met open data bezig is kan ik het rapport "Deel je rijk" uit 2013 aanraden. De ondertitel "relevante trends voor overheidsinformatie" laat het misschien niet direct blijken, maar van de 37 gesignaleerde trends heeft zeker de helft een directe relatie met open data, user generated content, of met platforms voor samenwerking. En ofschoon geschreven vanuit de impact voor de Rijksoverheid is het rapport net zo gemakkelijk te projecteren op provincies en gemeenten.
Labels:
app,
BAG,
open data,
openstreetmap,
OSM,
participatie,
user generated content
maandag 11 november 2013
Met geo kun je alles maken! (of: open geodata heeft geen waarde: het creëert waarde!)
Vorige week twitterde ik, koud een uur nadat ik mijn lijfblad van haar cellofaan jasje had ontdaan, enthousiast over de open data special van de Geo-Info. (Lees gerust verder, dat enthousiasme is er nog steeds). Vandaag las ik diezelfde Geo-Info nog een keer. Maar waar ik vorige week met een "open data-bril" las, heb ik vandaag door mijn geodata-glazen gekeken. En jawel, dat gaf een ander beeld!
het is namelijk handig onderscheid te maken tussen aan de ene kant geodata met een intrinsieke waarde, zoals de neerslaggegevens van het KNMI en andere sensordata, maar ook ruimtelijke plannen. Aan de andere kant heb je geodata die als "grondplaat" (bekend van Lego, voor PC-bouwers is "moederbord" misschien een betere term) kan dienen, waarmee andere data meer waarde kan krijgen. In die tweede categorie vallen het Nationaal Wegenbestand (NWB), de BAG (en dan met name de adrescoördinaten), de basisregistratie topografie (BRT) en ook OpenStreetMap. Zelfs als zo'n topografische ondergrond alleen maar als plaatje beschikbaar wordt gesteld heeft het al "grondplaatwaarde". Ook gemeentegrenzen, wijk- en buurtindelingen en postcodepunten en -polygonen vallen in deze groep. Allemaal geodatasets die een ruimtelijke verbinding tussen verschillende administratieve data (de "legosteentjes", of voor de PC-bouwers: de processor, de DIMMs, videokaart etc.) mogelijk maken.

Opvallend is dat de bredere beschikbaarheid van "grondplaatgeodata" niet alleen van waarde is voor administratieve data die als "open data" beschikbaar wordt gesteld, maar ook helpt om "closed data" (zoals klantenkaartgegevens) verder uit te nutten. En daarmee de geo-analyse sector weer een boost geeft.
Open "grondplaatgeodata" heeft dus een andere dynamiek, met andere kansen, dan administratieve open data. Uiteraard heeft de geo-sector er belang bij dat er zo veel mogelijk administratieve data laagdrempelig, liefst als open data beschikbaar komt, omdat daarmee de vraag naar "grondplaten" zelf én de vraag naar kennis van hoe je die steentjes het beste op de grondplaat kunt plaatsen groter wordt: werk aan de geo-advies- en itc-winkel!
Dit alles maakt de rol van open geodata wel bijzonder: het is een aanjager om de potentie van andere open data ten volle te benutten. Daarom is het van groot belang dat we als geosector juist de grondplaten als adrescoördinaten, postcodepunten, gemeentegrenzen en topografie eenvoudig en laagdrempelig beschikbaar stellen. Noem het de "G20", de 20 open basisgeodatasets. Dat is de echte open geodata!
het is namelijk handig onderscheid te maken tussen aan de ene kant geodata met een intrinsieke waarde, zoals de neerslaggegevens van het KNMI en andere sensordata, maar ook ruimtelijke plannen. Aan de andere kant heb je geodata die als "grondplaat" (bekend van Lego, voor PC-bouwers is "moederbord" misschien een betere term) kan dienen, waarmee andere data meer waarde kan krijgen. In die tweede categorie vallen het Nationaal Wegenbestand (NWB), de BAG (en dan met name de adrescoördinaten), de basisregistratie topografie (BRT) en ook OpenStreetMap. Zelfs als zo'n topografische ondergrond alleen maar als plaatje beschikbaar wordt gesteld heeft het al "grondplaatwaarde". Ook gemeentegrenzen, wijk- en buurtindelingen en postcodepunten en -polygonen vallen in deze groep. Allemaal geodatasets die een ruimtelijke verbinding tussen verschillende administratieve data (de "legosteentjes", of voor de PC-bouwers: de processor, de DIMMs, videokaart etc.) mogelijk maken.

Opvallend is dat de bredere beschikbaarheid van "grondplaatgeodata" niet alleen van waarde is voor administratieve data die als "open data" beschikbaar wordt gesteld, maar ook helpt om "closed data" (zoals klantenkaartgegevens) verder uit te nutten. En daarmee de geo-analyse sector weer een boost geeft.
Open "grondplaatgeodata" heeft dus een andere dynamiek, met andere kansen, dan administratieve open data. Uiteraard heeft de geo-sector er belang bij dat er zo veel mogelijk administratieve data laagdrempelig, liefst als open data beschikbaar komt, omdat daarmee de vraag naar "grondplaten" zelf én de vraag naar kennis van hoe je die steentjes het beste op de grondplaat kunt plaatsen groter wordt: werk aan de geo-advies- en itc-winkel!
Dit alles maakt de rol van open geodata wel bijzonder: het is een aanjager om de potentie van andere open data ten volle te benutten. Daarom is het van groot belang dat we als geosector juist de grondplaten als adrescoördinaten, postcodepunten, gemeentegrenzen en topografie eenvoudig en laagdrempelig beschikbaar stellen. Noem het de "G20", de 20 open basisgeodatasets. Dat is de echte open geodata!
Labels:
adressen,
BAG,
bestemmingsplan,
gemeenten,
geo-info,
geodata,
nwb,
open data,
openstreetmap
woensdag 9 mei 2012
marktmonitor 2012, de geosector niet in kaart
Een paar weken terug presenteerde branchevereniging Geobusiness de Marktmonitor, de "state of the union" van de geosector in Nederland. Ik pik er een paar opvallende cijfers uit. De cijfers hebben allemaal betrekking op het bedrijfsleven, voor 2012 is er een verwachting gepeild.
Het consumentsegment als afzetmarkt kent tussen 2009 en 2012 een spectaculaire daling. Werd de 4% die 2009 al als "bescheiden" gekenmerkt, in 2012 is dat teruggelopen tot 1% van de omzet uit geoproducten en -diensten. 75% ingeleverd (binnen een totale omzetdaling van ca. 15%, op een totale omzet van zo'n 900 miljoen). Dat doet bijna vermoeden dat TomTom in 2009 wél tot de respondenten behoorde maar voor de monitor van 2012 geen zin had te reageren. Hoewel...in 2009 bestond dit segment uit "internetapplicaties, geo-informatie rondom onroerend goedtransactie en wegenkaarten en luchtfotos." Zijn die eerste weggelekt naar andere sectoren? Is de onroerend goedmarkt ingestort? Zijn OpenStreetMap en het NWB de markt aan het verpesten? Moet die economische waardecreatie op basis van open data geheel gerealiseerd worden?
Dat het aantal werknemers (of arbeidsplaatsen of FTE's?) daalt zal weinigen verrassen. Het positieve is dat in de geosector de krimp kleiner is dan in andere sectoren waarin ingenieursbureaus werkzaam zijn (denk aan de bouwsector!). Daarmee valt het aantal vacatures ook flink terug. Vervelend voor schoolverlaters en zij-instromers die in de geo-sector het paradijs van de eeuwigdurende volledige werkgelegenheid dachten te vinden. en lastig voor overheden die hun overtallige personeel dus niet gemakkelijk aan de straatstenen van het bedrijfsleven zullen kwijtraken.
In de monitor 2009/2010 werd 22% genoemd als percentage van het Research & Development budget dat aan geo werd uitgegeven, in de huidige monitor staat 7% genoemd. Even goed opletten, dat laatste betreft het percentage van de totale geo-omzet die in geo-R&D wordt gestoken. Overigens ruim 2x zo groot als het generieke R&D percentage, blijkbaar zijn we een innovatieve sector... Of komen we nooit aan het oogsten toe? Om het even in perspectief te plaatsen: Google steekt 14% van de omzet in R&D, maar Apple houdt het zeer bescheiden met 2,2% (cijfers 2011).
Om af te sluiten de groeibriljantjes: het verzamelde bedrijfsleven verwacht de meeste groei in het ontwikkelen van geo-services, op de voet gevolgd door webservices. Of de hierbij genoemde percentages (22% resp. 21%) het percentage van de respondenten betreft dat die groei verwacht, of het percentage verwachte groei is niet geheel duidelijk.
Al met al interessant cijfermateriaal dat vooralsnog meer vragen oproept dan beantwoordt. Daar kan nog best een analyseslag overheen, ik mis in ieder geval nog een regionale (geo!) analyse. Als de achterliggende cijfers nou door Geobusiness als open data beschikbaar worden gesteld zijn er vast wel geo-analysten te vinden die die analyse willen uitvoeren. (en vooruit: dan bakken we er ook nog een App omheen).
Het consumentsegment als afzetmarkt kent tussen 2009 en 2012 een spectaculaire daling. Werd de 4% die 2009 al als "bescheiden" gekenmerkt, in 2012 is dat teruggelopen tot 1% van de omzet uit geoproducten en -diensten. 75% ingeleverd (binnen een totale omzetdaling van ca. 15%, op een totale omzet van zo'n 900 miljoen). Dat doet bijna vermoeden dat TomTom in 2009 wél tot de respondenten behoorde maar voor de monitor van 2012 geen zin had te reageren. Hoewel...in 2009 bestond dit segment uit "internetapplicaties, geo-informatie rondom onroerend goedtransactie en wegenkaarten en luchtfotos." Zijn die eerste weggelekt naar andere sectoren? Is de onroerend goedmarkt ingestort? Zijn OpenStreetMap en het NWB de markt aan het verpesten? Moet die economische waardecreatie op basis van open data geheel gerealiseerd worden?
Dat het aantal werknemers (of arbeidsplaatsen of FTE's?) daalt zal weinigen verrassen. Het positieve is dat in de geosector de krimp kleiner is dan in andere sectoren waarin ingenieursbureaus werkzaam zijn (denk aan de bouwsector!). Daarmee valt het aantal vacatures ook flink terug. Vervelend voor schoolverlaters en zij-instromers die in de geo-sector het paradijs van de eeuwigdurende volledige werkgelegenheid dachten te vinden. en lastig voor overheden die hun overtallige personeel dus niet gemakkelijk aan de straatstenen van het bedrijfsleven zullen kwijtraken.
In de monitor 2009/2010 werd 22% genoemd als percentage van het Research & Development budget dat aan geo werd uitgegeven, in de huidige monitor staat 7% genoemd. Even goed opletten, dat laatste betreft het percentage van de totale geo-omzet die in geo-R&D wordt gestoken. Overigens ruim 2x zo groot als het generieke R&D percentage, blijkbaar zijn we een innovatieve sector... Of komen we nooit aan het oogsten toe? Om het even in perspectief te plaatsen: Google steekt 14% van de omzet in R&D, maar Apple houdt het zeer bescheiden met 2,2% (cijfers 2011).
Om af te sluiten de groeibriljantjes: het verzamelde bedrijfsleven verwacht de meeste groei in het ontwikkelen van geo-services, op de voet gevolgd door webservices. Of de hierbij genoemde percentages (22% resp. 21%) het percentage van de respondenten betreft dat die groei verwacht, of het percentage verwachte groei is niet geheel duidelijk.
Al met al interessant cijfermateriaal dat vooralsnog meer vragen oproept dan beantwoordt. Daar kan nog best een analyseslag overheen, ik mis in ieder geval nog een regionale (geo!) analyse. Als de achterliggende cijfers nou door Geobusiness als open data beschikbaar worden gesteld zijn er vast wel geo-analysten te vinden die die analyse willen uitvoeren. (en vooruit: dan bakken we er ook nog een App omheen).
zondag 19 februari 2012
Schaatskoorts
Nu de schaatsen weer ingevet in de kast liggen een goed moment om terug te kijken op de combinatie van schaatskoorts en geo-informatie. Als natuurijsliefhebber ben ik a) geïnteresseerd in de dikte van het ijs, b) in fijn geveegde sloten, vaarten en riviertjes en c) in de mate waarin mede-schaatsers op weg zijn naar het stuk ijs dat ik zelf voor ogen heb.
Voor het eerste heeft Grontmij (ijs)baanbrekend werk verricht door een werknemer bij het zwakste punt van het Elfstedenijs (bij Balk) door middel van een speciale radar de ijsdikte te laten meten.
Een overzicht van beschaatsbare plekken wordt al een aantal jaar crowdsourcenderwijs op de schaatskaart van Erik Ekkel weergegeven. Dit jaar voor het eerst op het Crowdmap platform, waarachter de Open Source techniek van Ushahidi schuil gaat. Wellicht bij sommigen bekend van natuurrampen en politieke omwentelingen.
De schaatskaart weet echter in korte tijd zoveel bezoekers te trekken dat Erik Ekkel zich genoodzaakt zag terug te vallen op het aloude Google platform. Jammer, want dat biedt minder functionaliteit.
Zo lijkt de schaatskaart mij een een prima testcase voor een landelijke of regionale rampensite: hoeveel bandbreedte en servercapaciteit is er nodig om zo'n pieksite in de lucht te houden, en hoe kun je in noodgevallen de vorm en inhoud simplificeren zodat weliswaar minder informatie wordt overgedragen, maar nog wel de gehele doelgroep wordt bereikt. Volgende winter het IcaWeb openstellen voor de schaatskaart?
Een andere optie voor het verzamelen van beschaatstbare plekken zou OpenStreetMap (OSM) kunnen zijn. Maar misschien zijn daarvoor de geveegde ijsvlakten té dynamisch: de wel in OSM opgenomen fiets- en wandelroutes zijn stukken bestendiger. Grappig: in OSM zit wel een objecttype skating, maar in het Nederlands als skaten (inline, op wieltjes) geïnterpreteerd te worden.
En tenslotte de te verwachten drukte. De op mobiele telefoons gebaseerde live verkeersinformatie van TomTom gaf bijzondere beelden, met files bij Loosdracht, Giethoorn, Ankeveen en Broek in Waterland. Mooi om daar een data-analyse op los te laten: gaan Amsterdammers om te schaatsen Noord-Holland in, of zakken ze af naar Vinkeveen of Loosdrecht? En doen ze dat pas om twaalf uur, bijkomend van een avondje stappen, terwijl de autochtone Broek-in-Waterlanders en Ankeveners al bij de eerste zonnestralen om half acht het maagdelijke ijs betreden? Dat lijkt me een mooi onderwerp voor de ultieme aflevering van Nederland van Boven: nederlanders op het ijs.
Voor het eerste heeft Grontmij (ijs)baanbrekend werk verricht door een werknemer bij het zwakste punt van het Elfstedenijs (bij Balk) door middel van een speciale radar de ijsdikte te laten meten.
Een overzicht van beschaatsbare plekken wordt al een aantal jaar crowdsourcenderwijs op de schaatskaart van Erik Ekkel weergegeven. Dit jaar voor het eerst op het Crowdmap platform, waarachter de Open Source techniek van Ushahidi schuil gaat. Wellicht bij sommigen bekend van natuurrampen en politieke omwentelingen.
De schaatskaart weet echter in korte tijd zoveel bezoekers te trekken dat Erik Ekkel zich genoodzaakt zag terug te vallen op het aloude Google platform. Jammer, want dat biedt minder functionaliteit.
Zo lijkt de schaatskaart mij een een prima testcase voor een landelijke of regionale rampensite: hoeveel bandbreedte en servercapaciteit is er nodig om zo'n pieksite in de lucht te houden, en hoe kun je in noodgevallen de vorm en inhoud simplificeren zodat weliswaar minder informatie wordt overgedragen, maar nog wel de gehele doelgroep wordt bereikt. Volgende winter het IcaWeb openstellen voor de schaatskaart?
Een andere optie voor het verzamelen van beschaatstbare plekken zou OpenStreetMap (OSM) kunnen zijn. Maar misschien zijn daarvoor de geveegde ijsvlakten té dynamisch: de wel in OSM opgenomen fiets- en wandelroutes zijn stukken bestendiger. Grappig: in OSM zit wel een objecttype skating, maar in het Nederlands als skaten (inline, op wieltjes) geïnterpreteerd te worden.
En tenslotte de te verwachten drukte. De op mobiele telefoons gebaseerde live verkeersinformatie van TomTom gaf bijzondere beelden, met files bij Loosdracht, Giethoorn, Ankeveen en Broek in Waterland. Mooi om daar een data-analyse op los te laten: gaan Amsterdammers om te schaatsen Noord-Holland in, of zakken ze af naar Vinkeveen of Loosdrecht? En doen ze dat pas om twaalf uur, bijkomend van een avondje stappen, terwijl de autochtone Broek-in-Waterlanders en Ankeveners al bij de eerste zonnestralen om half acht het maagdelijke ijs betreden? Dat lijkt me een mooi onderwerp voor de ultieme aflevering van Nederland van Boven: nederlanders op het ijs.
Labels:
ekkel,
GIS,
grontmij,
Icaweb,
ijs,
nederland van boven,
openstreetmap,
OSM,
schaatsen,
schaatskaart,
tomtom
Abonneren op:
Posts (Atom)