Een wat persoonlijkere blogpost dit keer.
In de ruim kwart eeuw dat ik inmiddels met geografische informatiesystemen bezig ben is op congressen en symposia heel vaak een kreet als "geografische informatie moet net zo gewoon worden als water uit de kraan" gevallen. Daarom is het natuurlijk dom dat ik nooit eerder op het idee ben gekomen, maar sinds begin mei werk ik in de drinkwatersector. Bij PWN om precies te zijn, in Noord-Holland.
Nu kan ik eindelijk van dichtbij zien hoe (oppervlakte-)water wordt ingenomen ("inwinning") , daar drinkwater van wordt gemaakt ("basisregistraties"), en hoe het via ons leidingnetwerk (geo-infrastructuur") wordt getransporteerd ("services") naar de dorstige afnemers. Hoe wij feedback krijgen ("terugmeldingen") van die afnemers, hoe en waar storingen optreden en worden verholpen ("service level agreement") en we er hard aan werken om storingen te voorkomen. En hoe we niet alleen aan thuisgebruikers en bedrijven water leveren, maar ook via een aantal openbare tappunten ("open data") ons drinkwater beschikbaar stellen.
Mede namens mijn circa 500 collega's kan ik zeggen dat het water niet vanzelf uit de kraan komt.
Ik zal de komende tijd in de gaten houden welke van de door PWN gebruikte methoden en technieken, afspraken en procedures maar ook organisatie en eigendomsstructuur (PWN is een N.V., met de provincie als enige aandeelhouder) voor de geosector als inspiratie kunnen dienen om ook geo-informatie "gewoon" uit de kraan te laten komen.
En wie weet kan de geo-sector ook ter inspiratie dienen voor een drinkwaterbedrijf als PWN. Als hebben we bij PWN natuurlijk wel een flinke voorsprong in ervaring.
vrijdag 16 mei 2014
maandag 7 april 2014
Alleen ga je sneller, Geosamen kom je verder
Onlangs verscheen de langverwachte opvolger van de geobeleidsnota Gideon: GeoSamen. Het resultaat van samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en onderwijs. Na recentelijke recensies van een boek en van een webservice nu een beschouwing op een beleidsnota. (wellicht ten overvloede: niet vanuit mijn rol als voorzitter van OSGeo,nl, maar als generiek geo-criticus).
"Alleen ga je sneller, samen kom je verder" is een Afrikaanse spreekwoord dat me bij de titel te binnen schiet. Het "samen" in GeoSamen wordt op twee manieren ingevuld: samenwerking binnen de geosector, en samenwerking over de grens van de sector heen, als geo-aanbieders sámen met geo-afnemers.
Waar in Gideon de shareholders, zij die invloed kunnen uitoefenen op waar het met geo naar toe gaat (de verschillende leden van de geosector) centraal stonden worden in GeoSamen ook de stakeholders in beeld gebracht; dus óók de partijen die zelf niet aan de geo-knoppen draaien, maar wel (positieve of negatieve) invloed ondervinden van de koers die het Nederlandse geo-schip hanteert. Op de eerste bladzijden krijg ik het idee dat GeoSamen zich niet alleen richt tot de geosector, maar ook op die stakeholders. Na het lezen van de volledige 19 pagina's twijfel ik er toch weer aan of die laatste groep ook tot de doelgroep behoort. Wellicht wil GeoSamen alleen de wake-up call maken dat er een buitenwereld ís?
Ik had het "samen" nog wel breder ingevuld willen zien: samen met andere (niet-geo) data- en modellenaanbieders. Samen met andere innovatieve toepassers, met name de creatieve sector. Samen met collega's uit andere EU-landen. Die doen immers ook aan Inspire. Samen met burgers (de participatiesamenleving!). Dat wordt echt te weinig aangestipt.
De term locatie-informatie wordt en passant geïntroduceerd. U en ik hebben vast wel een idee bij wat dat is, locatie-informatie, maar het had van mij expliciet mogen worden benoemd. Is het alle informatie met een ruimtelijke component (zeg maar: 96,8% van alle informatie), is het alleen die ruimtelijke component, of is locatie-informatie de grondplaat (postcodegebieden, buurtcodes, hectometrering, BAG-adressen) die het koppelen van informatie tot een peuleschil maakt.
Niet alleen voor de buitenwereld is de overstap van de term geo-informatie naar locatie-informatie wat verwarrend. Is dit nu hetzelfde? Waarom worden dan die twee termen in GeoSamen door elkaar gebruikt. Of is er verschil? Maar wat is dat dan?
De taakverdeling tussen de drie partijen (overheid, bedrijfsleven, is me nog niet geheel duidelijk, want de overheid moet een basisinfrastructuur neerzetten, het bedrijfsleven moet zorgen voor innovatieve producten en de wetenschap moet technische grenzen verleggen, maar de recente commotie rond de niet geheel geslaagde update van de standaard BRT-kaartondergrond die PDOK serveert leert dat we juist behoefte hebben aan een innovatieve, grensverleggende basisinfrastructuur. Willen we naar Mars, dan gáán we naar Mars! (om wijlen FNV voorman Herman Bode maar eens te parafraseren). Zeker als we "geo" ook als exportproduct positioneren.
"Nederland vormt in meerdere opzichten een geschikte proeftuin voor het uitproberen van nieuwe op locatie-informatie gebaseerde concepten, zoals bijvoorbeeld smart cities.", lees ik in hoofdstuk 2. Ik zeg niet dat het niet zo is, maar ik ben wel benieuwd waarom juist Nederland een goede proeftuin is. GeoSamen noemt die "meerdere opzichten" nu helemaal niet. Is hier een alinea weggevallen?
De context waarin dit wordt genoemd is namelijk heel belangrijk: geo-informatie wordt hier als exportproduct gepositioneerd. Overigens zowel als kennisproduct als product-product, zonder dat met name van die laatste duidelijk wordt wat dat product dan is. cartografie in de traditie van Blaeu? Navigatiekastjes voor op het dashboard van de auto? De gegevenscatalogus van de BGT?
In de governance (besturing) krijgt een topteam bestaande uit de voorzitters van respectievelijke het GI-beraad (namens de publiek partijen), de branche-organisatie Geo-business en van het NCG een rol toebedeeld. Dat is mooi, maar daarmee blijft het wel weer een geo-aanbod gedreven feestje. Terwijl GeoSamen ook 5 sectoren onderscheidt waarin geo kan scoren: zorg, ruimte&mobiliteit, energie, bouw en water. In Prince2 termen is het nu net alsof je een stuurgroep samenstelt waarin de suppliers ruimschoots vertegenwoordigd zijn, maar waar voor de users geen plaats aan tafel is geregeld..Eigen volk eerst. Ik denk dan: heb lef, en zet ook minstens 2 vertegenwoordigers uit die sectoren in dat topteam.Voor mijn part roulerend, maar wel continue die 5 sectoren vertegenwoordigend.
Samengevat: bijna alle benodigde ingrediënten zitten wel in GeoSamen. Maar voor een document dat richting geeft tot en met 2020 verdient het naar mijn idee nog een verbeterslagje. Misschien kunnen we die op 10 april al maken? Met plezier reis ik die dag naar het GeoFort om de presentatie van GeoSamen bij te wonen. En mocht u een lift vanuit Amsterdam nodig hebben, laat het weten: dan maken we die reis samen!
"Alleen ga je sneller, samen kom je verder" is een Afrikaanse spreekwoord dat me bij de titel te binnen schiet. Het "samen" in GeoSamen wordt op twee manieren ingevuld: samenwerking binnen de geosector, en samenwerking over de grens van de sector heen, als geo-aanbieders sámen met geo-afnemers.
Waar in Gideon de shareholders, zij die invloed kunnen uitoefenen op waar het met geo naar toe gaat (de verschillende leden van de geosector) centraal stonden worden in GeoSamen ook de stakeholders in beeld gebracht; dus óók de partijen die zelf niet aan de geo-knoppen draaien, maar wel (positieve of negatieve) invloed ondervinden van de koers die het Nederlandse geo-schip hanteert. Op de eerste bladzijden krijg ik het idee dat GeoSamen zich niet alleen richt tot de geosector, maar ook op die stakeholders. Na het lezen van de volledige 19 pagina's twijfel ik er toch weer aan of die laatste groep ook tot de doelgroep behoort. Wellicht wil GeoSamen alleen de wake-up call maken dat er een buitenwereld ís?
Ik had het "samen" nog wel breder ingevuld willen zien: samen met andere (niet-geo) data- en modellenaanbieders. Samen met andere innovatieve toepassers, met name de creatieve sector. Samen met collega's uit andere EU-landen. Die doen immers ook aan Inspire. Samen met burgers (de participatiesamenleving!). Dat wordt echt te weinig aangestipt.
De term locatie-informatie wordt en passant geïntroduceerd. U en ik hebben vast wel een idee bij wat dat is, locatie-informatie, maar het had van mij expliciet mogen worden benoemd. Is het alle informatie met een ruimtelijke component (zeg maar: 96,8% van alle informatie), is het alleen die ruimtelijke component, of is locatie-informatie de grondplaat (postcodegebieden, buurtcodes, hectometrering, BAG-adressen) die het koppelen van informatie tot een peuleschil maakt.
Niet alleen voor de buitenwereld is de overstap van de term geo-informatie naar locatie-informatie wat verwarrend. Is dit nu hetzelfde? Waarom worden dan die twee termen in GeoSamen door elkaar gebruikt. Of is er verschil? Maar wat is dat dan?
De taakverdeling tussen de drie partijen (overheid, bedrijfsleven, is me nog niet geheel duidelijk, want de overheid moet een basisinfrastructuur neerzetten, het bedrijfsleven moet zorgen voor innovatieve producten en de wetenschap moet technische grenzen verleggen, maar de recente commotie rond de niet geheel geslaagde update van de standaard BRT-kaartondergrond die PDOK serveert leert dat we juist behoefte hebben aan een innovatieve, grensverleggende basisinfrastructuur. Willen we naar Mars, dan gáán we naar Mars! (om wijlen FNV voorman Herman Bode maar eens te parafraseren). Zeker als we "geo" ook als exportproduct positioneren.
"Nederland vormt in meerdere opzichten een geschikte proeftuin voor het uitproberen van nieuwe op locatie-informatie gebaseerde concepten, zoals bijvoorbeeld smart cities.", lees ik in hoofdstuk 2. Ik zeg niet dat het niet zo is, maar ik ben wel benieuwd waarom juist Nederland een goede proeftuin is. GeoSamen noemt die "meerdere opzichten" nu helemaal niet. Is hier een alinea weggevallen?
De context waarin dit wordt genoemd is namelijk heel belangrijk: geo-informatie wordt hier als exportproduct gepositioneerd. Overigens zowel als kennisproduct als product-product, zonder dat met name van die laatste duidelijk wordt wat dat product dan is. cartografie in de traditie van Blaeu? Navigatiekastjes voor op het dashboard van de auto? De gegevenscatalogus van de BGT?
In de governance (besturing) krijgt een topteam bestaande uit de voorzitters van respectievelijke het GI-beraad (namens de publiek partijen), de branche-organisatie Geo-business en van het NCG een rol toebedeeld. Dat is mooi, maar daarmee blijft het wel weer een geo-aanbod gedreven feestje. Terwijl GeoSamen ook 5 sectoren onderscheidt waarin geo kan scoren: zorg, ruimte&mobiliteit, energie, bouw en water. In Prince2 termen is het nu net alsof je een stuurgroep samenstelt waarin de suppliers ruimschoots vertegenwoordigd zijn, maar waar voor de users geen plaats aan tafel is geregeld..Eigen volk eerst. Ik denk dan: heb lef, en zet ook minstens 2 vertegenwoordigers uit die sectoren in dat topteam.Voor mijn part roulerend, maar wel continue die 5 sectoren vertegenwoordigend.
Samengevat: bijna alle benodigde ingrediënten zitten wel in GeoSamen. Maar voor een document dat richting geeft tot en met 2020 verdient het naar mijn idee nog een verbeterslagje. Misschien kunnen we die op 10 april al maken? Met plezier reis ik die dag naar het GeoFort om de presentatie van GeoSamen bij te wonen. En mocht u een lift vanuit Amsterdam nodig hebben, laat het weten: dan maken we die reis samen!
maandag 31 maart 2014
Gelezen: "On the map" van Simon Garfield
Tussen twee banen heb ik eindelijk de tijd om al die boekenleggers en ezelsoren die zich ergens halfweg in diverse boekwerken in mijn cartografische en geografische bibliotheek bevinden op te zoeken en die geschriften alsnog uit te lezen. De komende tijd dus een aantal recensies, of op zijn minst overpeizingen naar aanleiding van een boek.
"On the map" van de Britse journalist en schrijver Simon Garfield uit 2013 was zo'n boek dat ik nog uit wilde lezen. En met plezier! Wat wil je, met "A Mind-expanding Exploration of the Way the World Looks" als ondertitel. Weloverwogen heb ik voor het Engelstalige orgineel gekozen, in plaats van de Nederlandse vertaling, "On the map" heeft immers twee betekenissen ("op de kaart" en "over de kaart") terwijl de Nederlandse versie alleen maar "op de kaart" is.
In "on the map" beschrijft Garfield in 22 lange en een aantal korte ("pocket maps") hoofdstukken die elk een specifieke kaart als uitgangspunt hebben de geschiedenis van de cartografie. Van het wereldbeeld van de Oude Grieken tot en met TomTom, Google Maps en de laatste ontwikkelingen op het gebied van neuropsychologie.
Garfield's schrijfstijl is prettig relativerend, met diverse subtiele grappen die gelukkig weer niet zodanig "inside" zijn dat ze aan deze kant van de Noordzee niet te volgen zouden zijn. "Witty" is de term die een aantal recensenten er voor gebruikten. Adrem, zou je dat in goed Nederlands kunnen noemen. "Associatief" is een ander passend label. De zijstappen en -grappen die Garfield maakt blijven wel zodanig beperkt dat de hoofdroute nooit uit zicht raakt.
Wat Garfield heel erg goed doet is het beschrijven van de kaarten in hun technologische, historische en maatschappelijke context. Niet alleen: wat staat er op die kaart, maar waarom staat juist dát op de kaart. En zo wordt gaandeweg de ruim 400 pagina's de wereld zoals wij die kennen in kaart gebracht. van Europa, naar America (dat eigenlijk Columbus had moeten heten, aldus Garfield), naar de bovenstroom van de Nijl en de Congo, met Scott en Amundsen naar de Zuidpool. Maar ook buiten onze eigen dampkring; naar Mars, en omgekeerd, onder de titel "Mapping the brain" naar onze eigen hersenpan. Ook het bekende vooroordeel dat vrouwen slechter kaart zouden kunnen lezen of minder richtingsgevoel hebben dan mannen komt aan de orde. Daar is overigens niets van waar. Wel oriënteren vrouwen zich over het algemeen meer dan de hand van gebouwen, landmarks, en andere points-of-interest (o nee, die zou ik interessante plaatsen noemen) terwijl mannen grossieren in aanwijzingen als "naar het Noorden", 3e straat links" na 400 meter rechts. Dát is informatie waar je als kaartontwerper je voordeel mee kunt doen!
Als Nederlander gloei je geregeld van trots, zo frequent komen onze voorvaderen als vooruitstrevende voorbeelden voorbij zetten. En niet alleen voorvaderen, want het hoofdstuk over SatNavs spelen TomTom, Tele-Atlas en AND de hoofdrollen. Op de aankomende Cartodag (23 april) maar eens kijken of we die toppositie kunnen vasthouden. En misschien Garfield daar volgend jaar als spreker uitnodigen?
Eigenlijk is "On the map" ook een geweldig lesprogramma voor een opleiding tot cartograaf . En dan het liefst door er net als de auteur op uit te gaan. Bezoek met een groep medestudenten een tentoonstelling in een museum (zoals vanaf morgen die over globes in het Amsterdamse Scheepvaartmuseum). Huur een bus en probeer die nieuwste TomTom uit. Doe mee aan een OpenStreetMap "mapping party". En maak een tube map van je eigen stad of streek.
Ik miste na lezing maar één hoofdstuk, namelijk een over kaarten waarin in plaats van steeds actuelere en meer accurate informatie juist bewust informatie wordt achtergehouden. Plattegronden van Berlijn als "Hauptstadt der DDR" zijn een bekend voorbeeld, maar ook het wegpoetsen van militaire objecten op onze Nederlandse luchtfoto's valt in die categorie. Misschien iets voor een volgende druk?
"On the map" van de Britse journalist en schrijver Simon Garfield uit 2013 was zo'n boek dat ik nog uit wilde lezen. En met plezier! Wat wil je, met "A Mind-expanding Exploration of the Way the World Looks" als ondertitel. Weloverwogen heb ik voor het Engelstalige orgineel gekozen, in plaats van de Nederlandse vertaling, "On the map" heeft immers twee betekenissen ("op de kaart" en "over de kaart") terwijl de Nederlandse versie alleen maar "op de kaart" is.
In "on the map" beschrijft Garfield in 22 lange en een aantal korte ("pocket maps") hoofdstukken die elk een specifieke kaart als uitgangspunt hebben de geschiedenis van de cartografie. Van het wereldbeeld van de Oude Grieken tot en met TomTom, Google Maps en de laatste ontwikkelingen op het gebied van neuropsychologie.
Garfield's schrijfstijl is prettig relativerend, met diverse subtiele grappen die gelukkig weer niet zodanig "inside" zijn dat ze aan deze kant van de Noordzee niet te volgen zouden zijn. "Witty" is de term die een aantal recensenten er voor gebruikten. Adrem, zou je dat in goed Nederlands kunnen noemen. "Associatief" is een ander passend label. De zijstappen en -grappen die Garfield maakt blijven wel zodanig beperkt dat de hoofdroute nooit uit zicht raakt.
Wat Garfield heel erg goed doet is het beschrijven van de kaarten in hun technologische, historische en maatschappelijke context. Niet alleen: wat staat er op die kaart, maar waarom staat juist dát op de kaart. En zo wordt gaandeweg de ruim 400 pagina's de wereld zoals wij die kennen in kaart gebracht. van Europa, naar America (dat eigenlijk Columbus had moeten heten, aldus Garfield), naar de bovenstroom van de Nijl en de Congo, met Scott en Amundsen naar de Zuidpool. Maar ook buiten onze eigen dampkring; naar Mars, en omgekeerd, onder de titel "Mapping the brain" naar onze eigen hersenpan. Ook het bekende vooroordeel dat vrouwen slechter kaart zouden kunnen lezen of minder richtingsgevoel hebben dan mannen komt aan de orde. Daar is overigens niets van waar. Wel oriënteren vrouwen zich over het algemeen meer dan de hand van gebouwen, landmarks, en andere points-of-interest (o nee, die zou ik interessante plaatsen noemen) terwijl mannen grossieren in aanwijzingen als "naar het Noorden", 3e straat links" na 400 meter rechts. Dát is informatie waar je als kaartontwerper je voordeel mee kunt doen!
Als Nederlander gloei je geregeld van trots, zo frequent komen onze voorvaderen als vooruitstrevende voorbeelden voorbij zetten. En niet alleen voorvaderen, want het hoofdstuk over SatNavs spelen TomTom, Tele-Atlas en AND de hoofdrollen. Op de aankomende Cartodag (23 april) maar eens kijken of we die toppositie kunnen vasthouden. En misschien Garfield daar volgend jaar als spreker uitnodigen?
Eigenlijk is "On the map" ook een geweldig lesprogramma voor een opleiding tot cartograaf . En dan het liefst door er net als de auteur op uit te gaan. Bezoek met een groep medestudenten een tentoonstelling in een museum (zoals vanaf morgen die over globes in het Amsterdamse Scheepvaartmuseum). Huur een bus en probeer die nieuwste TomTom uit. Doe mee aan een OpenStreetMap "mapping party". En maak een tube map van je eigen stad of streek.
Ik miste na lezing maar één hoofdstuk, namelijk een over kaarten waarin in plaats van steeds actuelere en meer accurate informatie juist bewust informatie wordt achtergehouden. Plattegronden van Berlijn als "Hauptstadt der DDR" zijn een bekend voorbeeld, maar ook het wegpoetsen van militaire objecten op onze Nederlandse luchtfoto's valt in die categorie. Misschien iets voor een volgende druk?
Labels:
cartografie,
garfield,
google maps,
kaart,
neuropsychologie,
openstreetmap,
tomtom
Recensie: de nieuwe BRT-achtergrondkaart
In de afgelopen 3 jaar werd hij langzaam maar zeker werd het beeldmerk van de Nederlandse webcartografie: de via PDOK geleverde BRT-achtergrondkaart. Natuurlijk, den mensch is conservatief, dus iedere wijziging wordt ook in de wereld van geografie en cartografie met wantrouwen begroet, maar toen ik vanochtend mijn twitter-timeline aanschouwde kreeg ik al snel het idee dat de nieuwe release van die BRT-A bij velen insloeg als een bom.
Eerst even wat achtergrond: de oorsprong van de BRT-achtergrondkaart ligt bij de geografische zoek- en toondienst (GeoZet) waarmee het Ministerie van BZK de openbare bekendmakingen letterlijk op de kaart wilde zetten. Zoiets vergt naast een webservice met die bekendmakingen natuurlijk ook een kaartondergrond, ét voila: ziedaar de entree van de BRT-A. Diezelfde kaart werd ook het gezicht van PDOK: de achtergrondkaart in de PDOK viewer en de standaard ondergrond in de voorbeeldapplicatie PDOK-kaart.
In 2013 kreeg de BRT-A een inhoudelijke update. Onder meer de A5 tussen Schiphol en de Amsterdamse havens kwam daarmee op de kaart te staan. Liefhebbers kunnen deze versie nog vinden op arcgis.com. Handig, wat zo kunnen we de huidige release nog met de vorige versie vergelijken.
Tja. En nu is er een update waarbij diezelfde A5 weer van de kaart is geveegd, als betrof het een staatsgeheim. Waar in vorige release de BRT-achtergrondkaart een bonte maar weldoordachte mix was van de basisregistratie topografie (BRT) en OpenStreetMap (zie voor details het artikel van cartograaf Edward Mac Gillavry en Haico van der Vegt in de geo-info van mei 2011) heeft PDOK er nu voor gekozen de kaart voor 100% op de BRT te baseren. Dat blijkt dus wat te optimistisch te zijn geweest. Die A5 is niet de enige inhoudelijke misser: ook de exact een jaar geleden ter gelegenheid van de floriade geopende A74 tussen Venlo en de Duitse grens is onder het digitale radeermes gesneuveld. En onze geo-collega's van Cap Gemini zullen er niet gelukkig mee zijn dat de Reykjavikstraat in Leidsche Rijn ineens van de aardbodem is verdwenen.
Ook van de cartografie word ik op zijn zachtst gezegd niet gelukkig. Snelwegen hangen bij knooppunten (zoals bij de aansluiting van de A44 op de A4) los in de lucht, in plaats van netjes via een trompertboog of fly-over op elkaar aan te sluiten. Treinstations worden het vermelden niet meer waard geacht. De oer-Holandse slootjes komen bij de stap van level 7 naar level 8 wel erg plotseling en masse in beeld. Wel een verbeterpunt is de weergave van kassen: de oude versie toonde deze in het geheel niet; de nieuwe release brengt deze landschapsverstorende elementen wel duidelijk in beeld.
En dan de labelling. In de oude BRT-A was die ook niet zaligmakend, met name omdat (door de GeoZet--oorsprong) de gemeentenamen wel erg pontificaal in beeld waren. Ook was in de oude versie de hierarchie van plaatsnamen weliswaar niet helemaal perfect, maar wel redelijk consistent. De BRT-A die we sinds vandaag voorgeschoteld krijgen is op het gebied van tekstplaatsing echt onder de maat. Als Amsterdammer vind ik het natuurlijk heel leuk dat bij het starten van de PDOK viewer (=level 2) alleen onze hoofdstad van een naam wordt voorzien, maar logisch is anders. Eén en twee zoomstappen verder (level 3 en 4) mis ik plaatsen als Breda en Tilburg en Venlo (pas maar op: voordat je het weet wordt er daarvandaan "het is een walgelijke kaart!" geroepen...).
Level 6 is redelijk in balans, al is het wel twintig jaar geleden dat ik "Nieuwegein-Noord" en "Nieuwegein-Zuid" als aparte entiteiten ben tegengekomen. Ook de diverse Almere zie ik liever "ongedeeld" dan met aparte vermeldingen voor "Stad", "Haven" (en "Buiten", "Poort" etc.).
Nog een zoomniveau dieper lijkt de labelmachine op hol te slaan: plaatsnamen verschijnen en verdwijnen, corpsgroottes lopen niet meer gelijk op met de logische hierarchie in plaatsnamen en ineens een vreemd übervette font voor de labels van de G4.
Jammer, want ik was na lezing van "On the map" (van Simon Garfield, recensie binnenkort op deze site) en "Op de kaart" (van Annet Pasveer) juist apetrots op beroemde en inspirerende voorbeelden van Vaderlandse Cartografie. De BRT-achtergrondkaart in deze vorm gaat geen ereplaats krijgen in cartografische standaardboekwerken, op tentoonstellingen en in musea.
Ik ben benieuwd of dit aan de data (alleen BRT in plaats van een heerlijke combinatie van ingrediënten), aan de gebruikte software, of aan de cartografische expertise ligt. Sowieso wil ik voorstellen om bij dit soort ingrijpende wijzigingen een bêta-release uit te brengen, waar minstens het PDOK-klantenpanel maar liefst een bredere groep op kan reflecteren. Ik denk dat diverse functioneel beheerders van geo-sites waarin de BRT-A de ondergrond vormt nu een moeilijk verhaal naar hun afnemers/gebruikers hebben. Maar goed, misschien heeft iemand de tegeltjes van de vorige release nog ergens liggen?
Eerst even wat achtergrond: de oorsprong van de BRT-achtergrondkaart ligt bij de geografische zoek- en toondienst (GeoZet) waarmee het Ministerie van BZK de openbare bekendmakingen letterlijk op de kaart wilde zetten. Zoiets vergt naast een webservice met die bekendmakingen natuurlijk ook een kaartondergrond, ét voila: ziedaar de entree van de BRT-A. Diezelfde kaart werd ook het gezicht van PDOK: de achtergrondkaart in de PDOK viewer en de standaard ondergrond in de voorbeeldapplicatie PDOK-kaart.
In 2013 kreeg de BRT-A een inhoudelijke update. Onder meer de A5 tussen Schiphol en de Amsterdamse havens kwam daarmee op de kaart te staan. Liefhebbers kunnen deze versie nog vinden op arcgis.com. Handig, wat zo kunnen we de huidige release nog met de vorige versie vergelijken.
Tja. En nu is er een update waarbij diezelfde A5 weer van de kaart is geveegd, als betrof het een staatsgeheim. Waar in vorige release de BRT-achtergrondkaart een bonte maar weldoordachte mix was van de basisregistratie topografie (BRT) en OpenStreetMap (zie voor details het artikel van cartograaf Edward Mac Gillavry en Haico van der Vegt in de geo-info van mei 2011) heeft PDOK er nu voor gekozen de kaart voor 100% op de BRT te baseren. Dat blijkt dus wat te optimistisch te zijn geweest. Die A5 is niet de enige inhoudelijke misser: ook de exact een jaar geleden ter gelegenheid van de floriade geopende A74 tussen Venlo en de Duitse grens is onder het digitale radeermes gesneuveld. En onze geo-collega's van Cap Gemini zullen er niet gelukkig mee zijn dat de Reykjavikstraat in Leidsche Rijn ineens van de aardbodem is verdwenen.
Ook van de cartografie word ik op zijn zachtst gezegd niet gelukkig. Snelwegen hangen bij knooppunten (zoals bij de aansluiting van de A44 op de A4) los in de lucht, in plaats van netjes via een trompertboog of fly-over op elkaar aan te sluiten. Treinstations worden het vermelden niet meer waard geacht. De oer-Holandse slootjes komen bij de stap van level 7 naar level 8 wel erg plotseling en masse in beeld. Wel een verbeterpunt is de weergave van kassen: de oude versie toonde deze in het geheel niet; de nieuwe release brengt deze landschapsverstorende elementen wel duidelijk in beeld.
En dan de labelling. In de oude BRT-A was die ook niet zaligmakend, met name omdat (door de GeoZet--oorsprong) de gemeentenamen wel erg pontificaal in beeld waren. Ook was in de oude versie de hierarchie van plaatsnamen weliswaar niet helemaal perfect, maar wel redelijk consistent. De BRT-A die we sinds vandaag voorgeschoteld krijgen is op het gebied van tekstplaatsing echt onder de maat. Als Amsterdammer vind ik het natuurlijk heel leuk dat bij het starten van de PDOK viewer (=level 2) alleen onze hoofdstad van een naam wordt voorzien, maar logisch is anders. Eén en twee zoomstappen verder (level 3 en 4) mis ik plaatsen als Breda en Tilburg en Venlo (pas maar op: voordat je het weet wordt er daarvandaan "het is een walgelijke kaart!" geroepen...).
Level 6 is redelijk in balans, al is het wel twintig jaar geleden dat ik "Nieuwegein-Noord" en "Nieuwegein-Zuid" als aparte entiteiten ben tegengekomen. Ook de diverse Almere zie ik liever "ongedeeld" dan met aparte vermeldingen voor "Stad", "Haven" (en "Buiten", "Poort" etc.).
Nog een zoomniveau dieper lijkt de labelmachine op hol te slaan: plaatsnamen verschijnen en verdwijnen, corpsgroottes lopen niet meer gelijk op met de logische hierarchie in plaatsnamen en ineens een vreemd übervette font voor de labels van de G4.
Jammer, want ik was na lezing van "On the map" (van Simon Garfield, recensie binnenkort op deze site) en "Op de kaart" (van Annet Pasveer) juist apetrots op beroemde en inspirerende voorbeelden van Vaderlandse Cartografie. De BRT-achtergrondkaart in deze vorm gaat geen ereplaats krijgen in cartografische standaardboekwerken, op tentoonstellingen en in musea.
Ik ben benieuwd of dit aan de data (alleen BRT in plaats van een heerlijke combinatie van ingrediënten), aan de gebruikte software, of aan de cartografische expertise ligt. Sowieso wil ik voorstellen om bij dit soort ingrijpende wijzigingen een bêta-release uit te brengen, waar minstens het PDOK-klantenpanel maar liefst een bredere groep op kan reflecteren. Ik denk dat diverse functioneel beheerders van geo-sites waarin de BRT-A de ondergrond vormt nu een moeilijk verhaal naar hun afnemers/gebruikers hebben. Maar goed, misschien heeft iemand de tegeltjes van de vorige release nog ergens liggen?
Labels:
basisregistratie topografie,
brt,
cartografie,
labels,
pdok,
PDOK Kaart,
plaatsnamen
zaterdag 15 maart 2014
Verhalende kaarten: van roadmovies tot structuurvisies
"Storytelling maps". Tot anderhalf jaar geleden werd de term amper gebruikt, maar sindsdien heeft Esri de "pratende kaarten" flink in de schijnwerpers gezet. dat daarbij de term "StoryMaps" als merknaam wordt gehanteerd verbaast me enigszins, omdat deze benaming in de filmwereld al langer wordt gebruikt, maar dan voor de outline van een story, en dus los staat van "ons" begrip map. Zie ook mindmap). Los van de marketing die er achter zit is het fenomeen "storytelling map" een nadere beschouwing waard. Bij deze.
Misschien is iedere kaart wel een storytelling map. Je mag tenminste aannemen dat iedere kaart bedoeld is om informatie over te dragen, en als je "storytelling" maar breed genoeg interpreteert valt zelfs de standaard topografische kaart nog onder dit begrip. En is niet iedere kaart een "picture"? En dat "every picture tells a story" is algemeen bekend.
| Minard's kaart van Napoleons veldtocht naar Rusland |
Soms is storytelling de weerslag van een reis. Minard's kaart van de Russische veldtocht van Napoleon is het bekendste voorbeeld, maar de boeken "Zen and the Art of Bicycle Maintenance", "Heart Of Darkness" en de film "Apocalyse Now" zijn ook storytelling, maar niet als map. Die boeken en films hebben menigeen geïnspireerd tot het "mappen" van die reisverhalen: zoals de route van Robert Pirsig in "Zen" en ook de route van kapitein Willard in Francis Ford Coppola's meesterwerk is (op Google Maps) terug te vinden, En vorig jaar hield Laurens ten Dam onder de noemer "Tour de Lau" een dagboek bij waarbij de harde cijfers zoals zijn GPS die klokte (en staan opgeslagen op Strava) gelardeerd worden met wat persoonlijke bespiegelingen.
Als je bovenstaande verhalen ontdoet van hun literaire en psychologische waarde houd je lineaire verhalen over. OK, natuurlijk is dat platslaan van literaire verhalen meer storykilling dan storytelling, maar het gaat even om het idee. Die verhalen kun je op een kaart weergeven, maar een tijdbalk biedt dan eigenlijk meer inzicht. De beperkte waarde van "locatie" in deze gevallen blijkt uit het feit dat in Apocalypse Now de opnamen op de Filipijnen plaatsvonden, de film in Vietman speelt, en het boek waarop het script gebaseerd is in Congo gesitueerd is.
Vanuit storytelling map perspectief is een multi-lineair narratief vaak interessanter. Een verhaal waarbij op meerdere plaatsen tegelijk gebeurtenissen plaatsvinden, die elkaar beïnvloeden. In films is het werk van Tarantino (Reservoir Dogs, Pulp Fiction) hier om bekend: meerdere verhaallijnen, die elkaar af en toe kruisen (en om de kijkers te verwarren ook nog vol zitten met flashbacks).
Oorlogen met meerdere fronten en veldslagen zijn goede voorbeelden van. Dit jaar is het 100 jaar geleden dat de Groote Oorlog uitbrak: verbeeld maar eens hoe een aanslag in Sarajevo leidde tot "Im Westen nichts Neues". En hoe de Duitse troepenverplaatsingen van het Oostfront naar Noord-Frankrijk van invloed waren op het krijgsverloop. Evenzogoed kun je voor onze tijd de oorlog in Syrië duiden met een een verhalende kaart.
Een mooi voorbeeld is het Down By The River project, waarin de streek langs Mississippi rivier in een groot aantal facetten wordt belicht, wat onder meer wordt ondersteund met een multi-layered storytelling map.
Ook in (ruimtelijk) beleidsland kun je er wat mee. Beleid komt niet uit de lucht vallen; er zijn ontwikkelingen, ambities en daaruit voortvloeiende ingrepen. Als je de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte naar een "storytelling map" kunt vertalen heb je een mooi verhaal. En met een beetje mazzel is dat complementair aan de conform de IMRO-regeltjes gedigitaliseerde versie van die structuurvisie. (de hoofdprijs is voor degene die de IMRO-gecodeerde versie tot een "multimediale storytelling experience" weet op te pimpen)
De tooling kan van alles zijn: Esri profileert zich met ArcGIS Online, maar met een tool als Prezi valt misschien nog wel beter een verhalende kaart te maken. De meerwaarde van de interactiviteit in de kaart is immers vaak beperkt, de nadruk moet liggen op het verhaal.
Ik ben benieuwd wat voor vlucht dit neemt. De storymap wedstrijd op de GISTech is er een eerste thermometer voor, de Cartodag 2014 (23 april op het Geofort) een mooie tweede. Of is wellicht deze trend op de recente Infographic Conference al zichtbaar geworden?
Labels:
IMRO,
prezi,
STIR,
storymap,
storytelling map,
structuurvisie
Het simpel georegister op basis van linked metadata
Na de afgelopen weken zelf weer aan het "geo-zoeken" te zijn geweest een goed moment om die versie NGR-user-expercience aan dit blog toe te voegen.
Laten we eens doen alsof we we net een setje open data hebben gescoord, bijvoorbeeld met de verkiezingsuitslagen per buurt. Nu zijn we op zoek naar een geo-dataset om die data op te "mappen".
Zoeken op het trefwoord "buurt" levert 2 hits op. De buurtindeling van Breda, en een verwijzing naar de vastgoedscanner van Dataland. Trefwoord "buurten" dan misschien? Kijk, dat gaat beter. 14 hits, waarbij ik de naam CBS iedere keer zie opduiken. Sommige van de hits lijken onder PDOK vlag aangeboden te worden (herkenbaar aan het Rijksoverheidslogo), anderen door het CBS zelf (herkenbaar aan het aloude hoekige CBS logo).
De entry "Wijk- en Buurtkaart 2012 versie 1" leidt naar een downloadbare gezipte shapefile. Het CBS is zo vriendelijk geweest daarbij verwijzingen op te nemen naar wat andere smaken; WMS en WFS services die op basis van deze dataset zijn gemaakt. Een klik op de naam van zo'n WMS opent die WMS in de kaart, een klik op de WFS opent ... een foutmelding. En weer verlaat een tevreden klant het pand, zou Herman Finkers zeggen.
Terug naar de lijst met de 14 hits. Daar staan die WMS en WFS services óók tussen, en daar vind ik er ook nog wat meer uitleg bij. Het liefst zou ik eigenlijk al deze hits in eerste instantie als één giga-hit zien, met daaronder pas de uitsplitsing naar verschillende smaken (ebook/grote letterboek/genaaid/gebonden), en de uitsplitsing naar verschillende jaren (vergelijkbaar met de jaargangen van een tijdschrift).
Dat er aan de achterkant (in de catalogus) verschillende metadatarecords beheerd moeten worden wil ik best geloven. Al zegt mijn gevoel dat er ook daar nog wat te winnen valt: het lijkt me wat onhandig als de metadatabeheerder van het CBS ieder jaar weer grotendeels hetzelfde verhaal moet intikken. Maar aan de voorkant wil ik die verschillende metadata graag in onderling verband zien. Voor mjin part noemen we het "linked metadata".
Nu ben ik niet de enige die hier over struikelt, ook niet de enige die hierover schijft. Als je mee wilt helpen de pijn- en verbeterpunten op een rijtje te krijgen: graag! En als je aan oplossingen wilt bouwen is dat natuurlijk helemaal mooi.
(zie ook mijn oproep op LinkedIn)
Laten we eens doen alsof we we net een setje open data hebben gescoord, bijvoorbeeld met de verkiezingsuitslagen per buurt. Nu zijn we op zoek naar een geo-dataset om die data op te "mappen".
Zoeken op het trefwoord "buurt" levert 2 hits op. De buurtindeling van Breda, en een verwijzing naar de vastgoedscanner van Dataland. Trefwoord "buurten" dan misschien? Kijk, dat gaat beter. 14 hits, waarbij ik de naam CBS iedere keer zie opduiken. Sommige van de hits lijken onder PDOK vlag aangeboden te worden (herkenbaar aan het Rijksoverheidslogo), anderen door het CBS zelf (herkenbaar aan het aloude hoekige CBS logo).
De entry "Wijk- en Buurtkaart 2012 versie 1" leidt naar een downloadbare gezipte shapefile. Het CBS is zo vriendelijk geweest daarbij verwijzingen op te nemen naar wat andere smaken; WMS en WFS services die op basis van deze dataset zijn gemaakt. Een klik op de naam van zo'n WMS opent die WMS in de kaart, een klik op de WFS opent ... een foutmelding. En weer verlaat een tevreden klant het pand, zou Herman Finkers zeggen.
Terug naar de lijst met de 14 hits. Daar staan die WMS en WFS services óók tussen, en daar vind ik er ook nog wat meer uitleg bij. Het liefst zou ik eigenlijk al deze hits in eerste instantie als één giga-hit zien, met daaronder pas de uitsplitsing naar verschillende smaken (ebook/grote letterboek/genaaid/gebonden), en de uitsplitsing naar verschillende jaren (vergelijkbaar met de jaargangen van een tijdschrift).
Dat er aan de achterkant (in de catalogus) verschillende metadatarecords beheerd moeten worden wil ik best geloven. Al zegt mijn gevoel dat er ook daar nog wat te winnen valt: het lijkt me wat onhandig als de metadatabeheerder van het CBS ieder jaar weer grotendeels hetzelfde verhaal moet intikken. Maar aan de voorkant wil ik die verschillende metadata graag in onderling verband zien. Voor mjin part noemen we het "linked metadata".
Nu ben ik niet de enige die hier over struikelt, ook niet de enige die hierover schijft. Als je mee wilt helpen de pijn- en verbeterpunten op een rijtje te krijgen: graag! En als je aan oplossingen wilt bouwen is dat natuurlijk helemaal mooi.
(zie ook mijn oproep op LinkedIn)
Verbeteren of echt verníeuwen? Open data als aanjager voor de doe-democratie
Een poosje terug las ik de column van Marian Donner in NRC Next (lees 'm hier) de rake zinsnede "ooit droomden techneuten van bewoonbare ruimtestations, nu dromen ze van de snelste en leukste manier om cappuccino te bestellen.".
Heel erg herkenbaar, ook in "open dataland" waar we dankzij de vrijelijk stromende data gemakkelijker een WC of Wipkip vinden, nooit meer in het spoorboekje hoeven te bladeren op zoek naar de treintijden, en de melding "scheefstaande lantaarnpaal" of "kapotte stoeptegel" (of was het andersom) nog nooit snel richting de backoffice van de gemeentelijke organisatie hebben gekregen. (een combinatie van bovenstaande kan ook: de App "treintoilet" toont welke treinen wel of geen WC aan boord hebben).
Op zich allemaal nuttige toepassingen met vooral een hoog lifehacking gehalte: bestaande handelingen of processen een stukje gemakkelijker maken, een beetje verbeteren. Net zoals je tegenwoordig in ieder GIS-pakket met Python een scriptje in elkaar draait om die immer terugkerende routineklus met de spreekwoordelijke druk op de knop uit te kunnen voeren. En zoals de stofzuiger tegenwoordig zelf zijn weg door het huis vindt, in plaats van dat je -alsof je in een clip van Queen speelt- dat apparaat aan dehand stang mee moet nemen op zijn weg door woon- en slaapkamer.
Maar valt er met die open data nou niet méér te doen dan die verbeteringen? Kunnen er nou niet échte vernieuwingen mee tot stand worden gebracht? Werkt dat wellicht alleen wanneer open data een rol speelt in tweerichtingsverkeer, bijvoorbeeld in een crowdsourcing context? Zoals nu gebeurt met OpenStreetMap (OSM), waar de panden en adressen uit de BAG worden geïmporteerd, maar wel zodanig gecontroleerd dat OSM straks wellicht "een betere BAG dan de BAG" bevat. Open data als aanjager voor het actief krijgen van die burgers die nu alleen reactief melden dat het huisvuil weer eens niet is opgehaald. En zo steeds meer opschuiven van informeren, inspraak en burgerparticipatie naar burgerinitiatief, zelfbeheer en meer van dat moois. Als je er zo naar kijkt is open data hét middel om tot een compacte overheid te komen, maar dat zie ik in weinig liberale gemeentelijke verkiezingsprogramma's terug.
Voor de geo-beroepsgroep én voor iedereen die met open data bezig is kan ik het rapport "Deel je rijk" uit 2013 aanraden. De ondertitel "relevante trends voor overheidsinformatie" laat het misschien niet direct blijken, maar van de 37 gesignaleerde trends heeft zeker de helft een directe relatie met open data, user generated content, of met platforms voor samenwerking. En ofschoon geschreven vanuit de impact voor de Rijksoverheid is het rapport net zo gemakkelijk te projecteren op provincies en gemeenten.
Heel erg herkenbaar, ook in "open dataland" waar we dankzij de vrijelijk stromende data gemakkelijker een WC of Wipkip vinden, nooit meer in het spoorboekje hoeven te bladeren op zoek naar de treintijden, en de melding "scheefstaande lantaarnpaal" of "kapotte stoeptegel" (of was het andersom) nog nooit snel richting de backoffice van de gemeentelijke organisatie hebben gekregen. (een combinatie van bovenstaande kan ook: de App "treintoilet" toont welke treinen wel of geen WC aan boord hebben).
Op zich allemaal nuttige toepassingen met vooral een hoog lifehacking gehalte: bestaande handelingen of processen een stukje gemakkelijker maken, een beetje verbeteren. Net zoals je tegenwoordig in ieder GIS-pakket met Python een scriptje in elkaar draait om die immer terugkerende routineklus met de spreekwoordelijke druk op de knop uit te kunnen voeren. En zoals de stofzuiger tegenwoordig zelf zijn weg door het huis vindt, in plaats van dat je -alsof je in een clip van Queen speelt- dat apparaat aan de
Maar valt er met die open data nou niet méér te doen dan die verbeteringen? Kunnen er nou niet échte vernieuwingen mee tot stand worden gebracht? Werkt dat wellicht alleen wanneer open data een rol speelt in tweerichtingsverkeer, bijvoorbeeld in een crowdsourcing context? Zoals nu gebeurt met OpenStreetMap (OSM), waar de panden en adressen uit de BAG worden geïmporteerd, maar wel zodanig gecontroleerd dat OSM straks wellicht "een betere BAG dan de BAG" bevat. Open data als aanjager voor het actief krijgen van die burgers die nu alleen reactief melden dat het huisvuil weer eens niet is opgehaald. En zo steeds meer opschuiven van informeren, inspraak en burgerparticipatie naar burgerinitiatief, zelfbeheer en meer van dat moois. Als je er zo naar kijkt is open data hét middel om tot een compacte overheid te komen, maar dat zie ik in weinig liberale gemeentelijke verkiezingsprogramma's terug.
Voor de geo-beroepsgroep én voor iedereen die met open data bezig is kan ik het rapport "Deel je rijk" uit 2013 aanraden. De ondertitel "relevante trends voor overheidsinformatie" laat het misschien niet direct blijken, maar van de 37 gesignaleerde trends heeft zeker de helft een directe relatie met open data, user generated content, of met platforms voor samenwerking. En ofschoon geschreven vanuit de impact voor de Rijksoverheid is het rapport net zo gemakkelijk te projecteren op provincies en gemeenten.
Labels:
app,
BAG,
open data,
openstreetmap,
OSM,
participatie,
user generated content
Straatplaat: De Nationale-Opera-en-Ballet-projectie
Daarnaast is het opzienbarend hoe de "Google Pin" (hier overigens in een iets afwijkende vorm) dé visuele standaard voor een point of interest is geworden. Sorry: ik krijg het Nederlandse "nuttige plaats" niet uit mijn strot en toetsenbord. Is "interessante plek" een goede benaming?
![]() |
| Het affiche van Nationale Opera & Ballet op de Amsterdamse Geldersekade |
vrijdag 14 februari 2014
PDOK Kaart: de contente kaart op zoek naar een "killer app"
Dat is nooit zo uit de verf gekomen. Met onder meer de beheerders van content management systemen als doelgroep is PDOK Kaart teveel een old-school geo-ding gebleven, terwijl de Google Maps markt juist de neo-geo's betreft. Dat is jammer, want ofschoon ik zelf nooit heb toegejuicht dat PDOK een voorkant zou aanbieden maar liever zag dat PDOK zich zou richten op de services als core-business, is het concept nog steeds kansrijk. Maar om echte de concurrentie met Google Maps, ArcGIS Online etc. aan te gaan moet de uitvoering een tikkie meer op deze doelgroep gericht worden.
Echte integratie in een CMS is daarvoor een eerste stap. Natuurlijk is het aantal verschillende CMS-en dat in overheidsland wordt gebruikt gigantisch, maar met een PDOK Kaart verpakt als plugin voor pakweg Drupal en Typo3 zou een flink marktaandeel kunnen worden bereikt, wat tot een goede exposure op dit gebied kan leiden.
Ook de koppeling met het NGR en andere registers kan verder worden uitgewerkt. Nu biedt PDOK Kaart alleen de eigen PDOK services via de user-interface aan: eventuele andere (WMS-)services moet ik er met de hand in plakken. Met een verbinding naar een organisatie-eigen of landelijk georegister gaan er werelden extra open. Daarbij het liefst natuurlijk een interface die zorgt dat de nietsvermoedende eindgebruiker niet hoeft na te denken over het NGR-record dat de dataset beschrijft, en het record dat de service beschrijft, maar dit als een gecombineerd informatiepakket aanbiedt aan de webredacteur, die vervolgens uit de aangeboden service de gewenste kaartlagen kan selecteren.
En zo'n CMS-plugin moet natuurlijk wel kunnen voorzien in het achteraf wijzigen van kaartlagen. Het gros van de berichten en artikelen op een website wordt in de loop der tijden 1 of 2 keer bijgewerkt, dan moet datv met die kaart ook kunnen. Een PDOK Kaartwizard waarbij voor het wijzigen van de kaartlagen de hele exercitie opnieuw moet worden gedaan lijkt meer op een Boze Tovenaar dan op een Goede Fee.
Een zoekfunctie, met niet alleen adressen (PDOK biedt ook een op de OpenLS standaard en BAG-adressen gebaseerde geocoder) maar ook markante punten (MP's, nog te vaak aangeduid met de Engelse term POIs) als ziekenhuizen, scholen, sportstadions etc. moet natuurlijk ook tot de standaard uitrusting behoren.
Ook de marketing kan wat helderder: door het prominent aangeven dat je de PDOK kaart programmacode kunt downloaden is bij sommige potentiële gebruikers het idee ontstaan dat je het moet downloaden (en op een eigen server installeren). PDOK Kaart is opgezet als software-as-a-service, maar dat is in de marketing opvallend weinig als unique selling point naar voren gebracht.
Tot zover de ideeën over wat PDOK kaart 2.0 zou hebben kunnen worden. Maar ik begrijp dat PDOK beheerorganisatie er voor heeft gekozen om PDOK Kaart niet verder te supporten. De API blijft wel intact, de software-as-as-service blijft draaien. Dus enthousiaste ontwikkelaars kunnen nieuwe ideeën nog wel doorontwikkelen,
Conclusie van anderhalf jaar PDOK Kaart: Het is zelf geen killer app, maar is altijd op zoek geweest op zoek naar een killer app: een site die veel publiek trekt en die de mogelijkheden van PDOK Kaart onomstotelijk aantoont. Dat die killer app nooit gevonden is doet niets af aan de potentie er van: de voorzet is er, iemand moet 'm nog inkoppen.
Labels:
gis viewer,
marketing,
openlayers,
pdok,
PDOK Kaart,
SAAS
zondag 9 februari 2014
De Minister van metadata (of: terrorismebestrijding in de polder)
De meest extraverte minister uit het kabinet Rutte II, Ronald Plasterk, ligt onder vuur vanwege het vlijtig verzamelen van metadata. Blijkbaar wordt dit verzamelen niet al deugd beschouwd, want de Minister beweerde dat niet onze Vaderlandse veiligheidsdiensten de 1,8 miljoen records hadden geregistreerd, maar dat de veiligheidsdiensten van onze Amerikaanse bondgenoten hier de hand in hadden. Zij begonnen!
Nu wordt in de geosector "metadata" al enige decennia als speerpunt beschouwd, met Inspire als voorlopig hoogtepunt, maar de metadata waar het hier om gaat zijn van iets andere aard. Toch hebben deze wel een equivalent in de wereld van (geo-)webservices. Ik denk namelijk dat Plasterk en zijn veiligheidsdiensten geografische best zouden willen weten welke organisaties welke geografische thema's wanneer opvragen.
Op zich niets nieuws: de webservices van de risicokaart zijn enige jaren geleden al gesplitst in de publiek en een professioneel deel, waarbij de smakelijke details om redenen van veiligheid op aansporing van de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken voor het grote publiek verborgen moesten worden. Dat waren de jaren waarin de terroristische jeugdclub die bekend werd onder de naam "Hofstadgroep" geregeld de krantenkolommen haalde.
Juist met het voor een groot publiek beschikbaar komen van die geodata is voor onze veiligheidsdiensten het bijhouden wie a) in een georegisters als NGR en PGR zoekt naar bepaalde soorten data, en b) wie vervolgens ook nog daadwerkelijk zo'n webservice aanspreekt een spekkie voor het bekkie. En omdat de logfiles van de GetMap-requests ongetwijfeld ook registreren welke geografisch gebied met die webservices wordt bekeken hebben we hier een mooie bron van informatie voor NSA en
Allemaal metadata, de data zelf, wat een gebruiker er mee doet hoef je nog niet eens te weten. Keer op keer de risicokaart bevragen op ''en bepaalde plek, én dan ook nog bovenmatige interesse tonen voor de PDOK webservice met locaties van overheidsdiensten is natuurlijk verdacht gedrag.
Zo zou je natuurlijk juist ook een voor (aanstaande) terroristen interessant thema als "lokservice" in het NGR en tussen de PDOK webservices kunnen opnemen. na de lokeend, de lok-oma en de loktiener is de lokkaart *) maar een kleine stap.
Het omgekeerde kan ook: de kennisbank terrorisme biedt een mooi overzicht met herkomst en werkgebied van de veiligheid ondermijnende organisaties. Op die kaart moeten de locaties met een korreltje zout worden genomen: het is niet zo dat Al Aqsa Nederland haar thuisbasis tussen het Flevolandse graan heeft, en de inwoners van Eemland hoeven niet direct te vrezen dat het Turkse Marxistische-Leninistisch georiënteerde "Revolutionaire volksbevrijdingsfront" de grazige weiden van Eemnes tot belangrijkste doel van aanslagen heeft verheven.
Voor Ronald Plasterk zijn ambtenaren wel complex dat ook bij het registreren van het gebruik van geo-services er zowel een nationale (PDOK) als een Amerikaanse (ArcGIS Online) service-provider met logfiles over de brug moet komen. En daar bovenop nog eens de diverse OpenStreetMap aanbieders. Best complex!
Tot slot: Zo kan Open Data naast economische waardecreatie, bevordering van bestuurlijke transparantie en uitnodigen tot participatie nog een doel dienen: als lokmiddel waarmee aanstaande terroristen in kaart kunnen worden gebracht. Wie is ook alweer de Minister van Open Data...?
*) Overigens al een bekende kreet in kringen van cryptogrammenmakers. Drie letters.
Nu wordt in de geosector "metadata" al enige decennia als speerpunt beschouwd, met Inspire als voorlopig hoogtepunt, maar de metadata waar het hier om gaat zijn van iets andere aard. Toch hebben deze wel een equivalent in de wereld van (geo-)webservices. Ik denk namelijk dat Plasterk en zijn veiligheidsdiensten geografische best zouden willen weten welke organisaties welke geografische thema's wanneer opvragen.
Op zich niets nieuws: de webservices van de risicokaart zijn enige jaren geleden al gesplitst in de publiek en een professioneel deel, waarbij de smakelijke details om redenen van veiligheid op aansporing van de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken voor het grote publiek verborgen moesten worden. Dat waren de jaren waarin de terroristische jeugdclub die bekend werd onder de naam "Hofstadgroep" geregeld de krantenkolommen haalde.
Juist met het voor een groot publiek beschikbaar komen van die geodata is voor onze veiligheidsdiensten het bijhouden wie a) in een georegisters als NGR en PGR zoekt naar bepaalde soorten data, en b) wie vervolgens ook nog daadwerkelijk zo'n webservice aanspreekt een spekkie voor het bekkie. En omdat de logfiles van de GetMap-requests ongetwijfeld ook registreren welke geografisch gebied met die webservices wordt bekeken hebben we hier een mooie bron van informatie voor NSA en
Allemaal metadata, de data zelf, wat een gebruiker er mee doet hoef je nog niet eens te weten. Keer op keer de risicokaart bevragen op ''en bepaalde plek, én dan ook nog bovenmatige interesse tonen voor de PDOK webservice met locaties van overheidsdiensten is natuurlijk verdacht gedrag.
Zo zou je natuurlijk juist ook een voor (aanstaande) terroristen interessant thema als "lokservice" in het NGR en tussen de PDOK webservices kunnen opnemen. na de lokeend, de lok-oma en de loktiener is de lokkaart *) maar een kleine stap.
Het omgekeerde kan ook: de kennisbank terrorisme biedt een mooi overzicht met herkomst en werkgebied van de veiligheid ondermijnende organisaties. Op die kaart moeten de locaties met een korreltje zout worden genomen: het is niet zo dat Al Aqsa Nederland haar thuisbasis tussen het Flevolandse graan heeft, en de inwoners van Eemland hoeven niet direct te vrezen dat het Turkse Marxistische-Leninistisch georiënteerde "Revolutionaire volksbevrijdingsfront" de grazige weiden van Eemnes tot belangrijkste doel van aanslagen heeft verheven.
Voor Ronald Plasterk zijn ambtenaren wel complex dat ook bij het registreren van het gebruik van geo-services er zowel een nationale (PDOK) als een Amerikaanse (ArcGIS Online) service-provider met logfiles over de brug moet komen. En daar bovenop nog eens de diverse OpenStreetMap aanbieders. Best complex!
Tot slot: Zo kan Open Data naast economische waardecreatie, bevordering van bestuurlijke transparantie en uitnodigen tot participatie nog een doel dienen: als lokmiddel waarmee aanstaande terroristen in kaart kunnen worden gebracht. Wie is ook alweer de Minister van Open Data...?
*) Overigens al een bekende kreet in kringen van cryptogrammenmakers. Drie letters.
Labels:
AIVD,
arcgis online,
bzk,
metadata,
ngr,
NSA,
open data,
pdok,
Plasterk,
risicokaart,
webservice
woensdag 8 januari 2014
"kijken zonder reclame of "de gesponsorde overheid"?
Met het gebruik van Google Maps in overheidswebsites laaide in geo-land een paar jaar geleden de discussie op of we dat nou wel zouden moeten willen. Naast de geokwaliteitsaspecten werd het argument dat Google de kaart ongevraagd van reclame kan voorzien hierbij vaak aangedragen. Niet voor niets werd de overheidsviewer Geozet in 2011 met de slogan "kijken zonder reclame" gelanceerd. Met de opmars van Apps, en de open data die daarvoor als "brandstof" kan dienen is dat reclame-aspect nog steeds aan de orde. En ik merk dat "100% reclamevrij" daarbij vaak als onwrikbaar uitgangspunt wordt gehanteerd.
En dat is vreemd, want al sinds jaar en dag laten gemeenten wel hun informatiegids vervaardigen door commerciële aanbieders. Om een of andere reden zit "Suurland's Vademecum" als een institutioneel begrip in mijn hoofd geprent, maar tegenwoordig zijn het Akse, Kleine Media en FMR die de gemeentegidsen uitbrengen. Ook in 2014 nog vrijwel overal in papieren vorm, zij het dat de uitgever naast de klassieke gids ook websites en apps verzorgen. Ze bekostigen die gidsen vanouds door bedrijven te verleiden tot het plaatsen van reclame, met als "unique selling point" dat het de officiële gemeentegids betreft. Dat leidt soms tot tragi-komsiche taferelen, als de concurrent de bedrijfsdeuren langs gaat met de vraag of men advertentieruimte wil kopen in de gemeentegids, waarbij het dan om een niet officiële variant blijkt te gaan.
Zo'n model kun je natuurlijk ook op meer overheidswebsites en apps loslaten: reclame mag, maar de site of app kan wel een stempel "door de gemeente Juinen goedgekeurde officiële app voor meldingen openbare ruimte" verkrijgen. Waarbij onderdeel van die gemeentelijke goedkeuring een reclamecode is. Ook voor thematische overheidswebsites kan reclame interessant zijn: de plaatselijke architect of aannemer zal best willen adverteren op RO-Online, of op Omgevingsloket Online. Daar zit immers de doelgroep!
De 21e eeuwse valkuil zit hem natuurlijk in het verzamelen van persoonlijke gegevens: als de uitbater van website, app (of kaart daarin, zoals Google) met een cookie nauwkeurig kan bijhouden welke pagina's ik raadpleeg en daar de advertenties op kan afstemmen en (de logische stap verder) deze informatie weer verder kan vermarkten wordt het een ander verhaal.
Niet alleen in die aloude gemeentegidsen is sponsoring een bekend fenomeen: Amsterdam Zuidoost laat al sinds de jaren 90 van de vorige eeuw haar straatnaamborden sponsoren, en de laatste (crisis-)jaren zijn steeds meer er toe overgegaan hun fraai aangelegde rotonde te vermarkten onder het motto "deze rotonde wordt u aangeboden door bakkerij De Jong". Dat concept kan natuurlijk nog veel verder worden uitgebreid: als Rijkswaterstaat de knooppunten, bruggen en tunnels laat sponsoren krijgt de verkeersinformatie een heel nieuwe dimensie: "voor de ABN-Amro-Coentunnel staat een file van 6 kilometer. Verkeer wordt geadviseerd om te rijden via de Rabo-Zeeburgertunnel".
Terug naar geo, want het kan nog allemaal een stap verder: Google heeft in 2010 een patent verkregen op de techniek om billboard en andere reclamezuilen in Streetview "over te plakken" met eigen reclame. Zo worden de door gemeentelijke GIS-afdeling verzamelde statistieken over welke deel van de kaart het meest worden bekeken extra waardevol: die plaatsen lenen zich voor reclame, "ingeschoren" in grasvelden, of op daken van voetbaltribunes bijvoorbeeld. Dan heeft de VPRO met Nederland van Boven ook een nieuw verdienmodel!
En dat is vreemd, want al sinds jaar en dag laten gemeenten wel hun informatiegids vervaardigen door commerciële aanbieders. Om een of andere reden zit "Suurland's Vademecum" als een institutioneel begrip in mijn hoofd geprent, maar tegenwoordig zijn het Akse, Kleine Media en FMR die de gemeentegidsen uitbrengen. Ook in 2014 nog vrijwel overal in papieren vorm, zij het dat de uitgever naast de klassieke gids ook websites en apps verzorgen. Ze bekostigen die gidsen vanouds door bedrijven te verleiden tot het plaatsen van reclame, met als "unique selling point" dat het de officiële gemeentegids betreft. Dat leidt soms tot tragi-komsiche taferelen, als de concurrent de bedrijfsdeuren langs gaat met de vraag of men advertentieruimte wil kopen in de gemeentegids, waarbij het dan om een niet officiële variant blijkt te gaan.
Zo'n model kun je natuurlijk ook op meer overheidswebsites en apps loslaten: reclame mag, maar de site of app kan wel een stempel "door de gemeente Juinen goedgekeurde officiële app voor meldingen openbare ruimte" verkrijgen. Waarbij onderdeel van die gemeentelijke goedkeuring een reclamecode is. Ook voor thematische overheidswebsites kan reclame interessant zijn: de plaatselijke architect of aannemer zal best willen adverteren op RO-Online, of op Omgevingsloket Online. Daar zit immers de doelgroep!
De 21e eeuwse valkuil zit hem natuurlijk in het verzamelen van persoonlijke gegevens: als de uitbater van website, app (of kaart daarin, zoals Google) met een cookie nauwkeurig kan bijhouden welke pagina's ik raadpleeg en daar de advertenties op kan afstemmen en (de logische stap verder) deze informatie weer verder kan vermarkten wordt het een ander verhaal.
Niet alleen in die aloude gemeentegidsen is sponsoring een bekend fenomeen: Amsterdam Zuidoost laat al sinds de jaren 90 van de vorige eeuw haar straatnaamborden sponsoren, en de laatste (crisis-)jaren zijn steeds meer er toe overgegaan hun fraai aangelegde rotonde te vermarkten onder het motto "deze rotonde wordt u aangeboden door bakkerij De Jong". Dat concept kan natuurlijk nog veel verder worden uitgebreid: als Rijkswaterstaat de knooppunten, bruggen en tunnels laat sponsoren krijgt de verkeersinformatie een heel nieuwe dimensie: "voor de ABN-Amro-Coentunnel staat een file van 6 kilometer. Verkeer wordt geadviseerd om te rijden via de Rabo-Zeeburgertunnel".
Terug naar geo, want het kan nog allemaal een stap verder: Google heeft in 2010 een patent verkregen op de techniek om billboard en andere reclamezuilen in Streetview "over te plakken" met eigen reclame. Zo worden de door gemeentelijke GIS-afdeling verzamelde statistieken over welke deel van de kaart het meest worden bekeken extra waardevol: die plaatsen lenen zich voor reclame, "ingeschoren" in grasvelden, of op daken van voetbaltribunes bijvoorbeeld. Dan heeft de VPRO met Nederland van Boven ook een nieuw verdienmodel!
maandag 9 december 2013
De geo-weersverwachting voor 2014: wisselend bewolkt
De Sint is het land uit, dus dan mogen we ons zoetjesaan weer wagen aan voorspellingen voor het volgende jaar.
Ik zie voor 2014 veel "cloud" aan de geo-hemel.Net zoals wolken worden onderscheiden naar lage, middelbare, hoge en verticaal ontwikkelende exemplaren is zien we in de geo-lucht ook een variëteit aan cloud-oplossingen. Esri is met ArcGIS Online (AGOL) een grote speler, maar sinds 2013 begeeft ook Google zich op deze zakelijke markt: Google Maps Engine (GME) spuugt niet alleen kaarten uit die in Google Maps zelf of in Google Earth bekeken kunnen worden, het serveert ook WMS (zij het heel basaal). Ik ben benieuwd hoe dit Google wolkje zich gaat ontwikkelen. Safe software heeft er in ieder geval het volste vertrouwen in gezien het feit dat FME 2013 al ondersteuning biedt voor GME tables.
Ondertussen wordt er aan het open source front ook druk gewerkt om support voor GME in de GDAL-library in te bouwen. Omdat de GDAL-library wordt gebruikt in vrijwel alle open source geo-software (en trouwens ook in veel "closed source geo-software) ligt daarmee de GME-cloud vanuit heel veel software open.
Maar er is nog veel meer "open source cloud": het Zwitserse bedrijf Sourcepole biedt met QGisCloud een "wolkoplossing" voor QGis. CartoDB is een op open source componenten gebaseerde SaaS (software-as-a-service) oplossing die je echter zelf als lokale of regionale cloud kunt installeren. Misschien iets voor PDOK? MapBox is nog een hosting service, die vooral bekend is van de cartografische tool TileMill waar je héél mooie webkaarten mee kunt maken, zoals de deelnemers aan de TileMill workshop op de OSGeo.nl dag op 13 november jl. hebben kunnen ervaren. Daarmee komt (web)cartografie weer wat dichter bij ontwerpers, die bekend zijn met zaken als CSS en Photoshop-achtige filters.
En zoals FME het gat tussen desktop en cloud probeert te overbruggen voor geodata, zo doet Arc2Earth dat door een tool aan te bieden waarmee je vanuit ArcGIS Desktop naar alle bovengenoemde cloud oplossingen kunt serveren. Dus ook je ArcMap-mxd opzetten naar het CartoCSS van TileMill! (los van publiceren naar de cloud is dat trouwens ook interessant in het kader van de digitale duurzaamheid)
Er zijn nog vele meer wolken een aan de geo-hemel. Google maar eens op "geo" en "cloud". Is dat lastig? Welnee, die rijk geschakeerde wolkenluchten wisten Hollandse meesters als Jacob van Ruisdael in de 17e eeuw ook tot geweldige kunstwerken te inspireren!
De weg kwijt in cloudland? Pink Floyd had het daar in 1973 al over:
Ik zie voor 2014 veel "cloud" aan de geo-hemel.Net zoals wolken worden onderscheiden naar lage, middelbare, hoge en verticaal ontwikkelende exemplaren is zien we in de geo-lucht ook een variëteit aan cloud-oplossingen. Esri is met ArcGIS Online (AGOL) een grote speler, maar sinds 2013 begeeft ook Google zich op deze zakelijke markt: Google Maps Engine (GME) spuugt niet alleen kaarten uit die in Google Maps zelf of in Google Earth bekeken kunnen worden, het serveert ook WMS (zij het heel basaal). Ik ben benieuwd hoe dit Google wolkje zich gaat ontwikkelen. Safe software heeft er in ieder geval het volste vertrouwen in gezien het feit dat FME 2013 al ondersteuning biedt voor GME tables.
Ondertussen wordt er aan het open source front ook druk gewerkt om support voor GME in de GDAL-library in te bouwen. Omdat de GDAL-library wordt gebruikt in vrijwel alle open source geo-software (en trouwens ook in veel "closed source geo-software) ligt daarmee de GME-cloud vanuit heel veel software open.
Maar er is nog veel meer "open source cloud": het Zwitserse bedrijf Sourcepole biedt met QGisCloud een "wolkoplossing" voor QGis. CartoDB is een op open source componenten gebaseerde SaaS (software-as-a-service) oplossing die je echter zelf als lokale of regionale cloud kunt installeren. Misschien iets voor PDOK? MapBox is nog een hosting service, die vooral bekend is van de cartografische tool TileMill waar je héél mooie webkaarten mee kunt maken, zoals de deelnemers aan de TileMill workshop op de OSGeo.nl dag op 13 november jl. hebben kunnen ervaren. Daarmee komt (web)cartografie weer wat dichter bij ontwerpers, die bekend zijn met zaken als CSS en Photoshop-achtige filters.
En zoals FME het gat tussen desktop en cloud probeert te overbruggen voor geodata, zo doet Arc2Earth dat door een tool aan te bieden waarmee je vanuit ArcGIS Desktop naar alle bovengenoemde cloud oplossingen kunt serveren. Dus ook je ArcMap-mxd opzetten naar het CartoCSS van TileMill! (los van publiceren naar de cloud is dat trouwens ook interessant in het kader van de digitale duurzaamheid)
Er zijn nog vele meer wolken een aan de geo-hemel. Google maar eens op "geo" en "cloud". Is dat lastig? Welnee, die rijk geschakeerde wolkenluchten wisten Hollandse meesters als Jacob van Ruisdael in de 17e eeuw ook tot geweldige kunstwerken te inspireren!
De weg kwijt in cloudland? Pink Floyd had het daar in 1973 al over:
Labels:
AGOL,
arcgis online,
cartodb,
cloud,
cloud computing,
GIS,
google maps engine,
mapbox,
photoshop,
pink floyd,
tilemill,
webcartografie,
webgis
maandag 11 november 2013
Met geo kun je alles maken! (of: open geodata heeft geen waarde: het creëert waarde!)
Vorige week twitterde ik, koud een uur nadat ik mijn lijfblad van haar cellofaan jasje had ontdaan, enthousiast over de open data special van de Geo-Info. (Lees gerust verder, dat enthousiasme is er nog steeds). Vandaag las ik diezelfde Geo-Info nog een keer. Maar waar ik vorige week met een "open data-bril" las, heb ik vandaag door mijn geodata-glazen gekeken. En jawel, dat gaf een ander beeld!
het is namelijk handig onderscheid te maken tussen aan de ene kant geodata met een intrinsieke waarde, zoals de neerslaggegevens van het KNMI en andere sensordata, maar ook ruimtelijke plannen. Aan de andere kant heb je geodata die als "grondplaat" (bekend van Lego, voor PC-bouwers is "moederbord" misschien een betere term) kan dienen, waarmee andere data meer waarde kan krijgen. In die tweede categorie vallen het Nationaal Wegenbestand (NWB), de BAG (en dan met name de adrescoördinaten), de basisregistratie topografie (BRT) en ook OpenStreetMap. Zelfs als zo'n topografische ondergrond alleen maar als plaatje beschikbaar wordt gesteld heeft het al "grondplaatwaarde". Ook gemeentegrenzen, wijk- en buurtindelingen en postcodepunten en -polygonen vallen in deze groep. Allemaal geodatasets die een ruimtelijke verbinding tussen verschillende administratieve data (de "legosteentjes", of voor de PC-bouwers: de processor, de DIMMs, videokaart etc.) mogelijk maken.

Opvallend is dat de bredere beschikbaarheid van "grondplaatgeodata" niet alleen van waarde is voor administratieve data die als "open data" beschikbaar wordt gesteld, maar ook helpt om "closed data" (zoals klantenkaartgegevens) verder uit te nutten. En daarmee de geo-analyse sector weer een boost geeft.
Open "grondplaatgeodata" heeft dus een andere dynamiek, met andere kansen, dan administratieve open data. Uiteraard heeft de geo-sector er belang bij dat er zo veel mogelijk administratieve data laagdrempelig, liefst als open data beschikbaar komt, omdat daarmee de vraag naar "grondplaten" zelf én de vraag naar kennis van hoe je die steentjes het beste op de grondplaat kunt plaatsen groter wordt: werk aan de geo-advies- en itc-winkel!
Dit alles maakt de rol van open geodata wel bijzonder: het is een aanjager om de potentie van andere open data ten volle te benutten. Daarom is het van groot belang dat we als geosector juist de grondplaten als adrescoördinaten, postcodepunten, gemeentegrenzen en topografie eenvoudig en laagdrempelig beschikbaar stellen. Noem het de "G20", de 20 open basisgeodatasets. Dat is de echte open geodata!
het is namelijk handig onderscheid te maken tussen aan de ene kant geodata met een intrinsieke waarde, zoals de neerslaggegevens van het KNMI en andere sensordata, maar ook ruimtelijke plannen. Aan de andere kant heb je geodata die als "grondplaat" (bekend van Lego, voor PC-bouwers is "moederbord" misschien een betere term) kan dienen, waarmee andere data meer waarde kan krijgen. In die tweede categorie vallen het Nationaal Wegenbestand (NWB), de BAG (en dan met name de adrescoördinaten), de basisregistratie topografie (BRT) en ook OpenStreetMap. Zelfs als zo'n topografische ondergrond alleen maar als plaatje beschikbaar wordt gesteld heeft het al "grondplaatwaarde". Ook gemeentegrenzen, wijk- en buurtindelingen en postcodepunten en -polygonen vallen in deze groep. Allemaal geodatasets die een ruimtelijke verbinding tussen verschillende administratieve data (de "legosteentjes", of voor de PC-bouwers: de processor, de DIMMs, videokaart etc.) mogelijk maken.

Opvallend is dat de bredere beschikbaarheid van "grondplaatgeodata" niet alleen van waarde is voor administratieve data die als "open data" beschikbaar wordt gesteld, maar ook helpt om "closed data" (zoals klantenkaartgegevens) verder uit te nutten. En daarmee de geo-analyse sector weer een boost geeft.
Open "grondplaatgeodata" heeft dus een andere dynamiek, met andere kansen, dan administratieve open data. Uiteraard heeft de geo-sector er belang bij dat er zo veel mogelijk administratieve data laagdrempelig, liefst als open data beschikbaar komt, omdat daarmee de vraag naar "grondplaten" zelf én de vraag naar kennis van hoe je die steentjes het beste op de grondplaat kunt plaatsen groter wordt: werk aan de geo-advies- en itc-winkel!
Dit alles maakt de rol van open geodata wel bijzonder: het is een aanjager om de potentie van andere open data ten volle te benutten. Daarom is het van groot belang dat we als geosector juist de grondplaten als adrescoördinaten, postcodepunten, gemeentegrenzen en topografie eenvoudig en laagdrempelig beschikbaar stellen. Noem het de "G20", de 20 open basisgeodatasets. Dat is de echte open geodata!
Labels:
adressen,
BAG,
bestemmingsplan,
gemeenten,
geo-info,
geodata,
nwb,
open data,
openstreetmap
zondag 3 november 2013
OSGeo.nl in de Blender?
Over 10 dagen barst op de faculteit Bouwkunde van de TU Delft de OSGeo.nl dag 2013 los.
Als trekker vanuit OSGeo.nl ben ik daar dezer dagen druk mee bezig: programmapuntjes op de i, zorgen dat de begroting klopt, nog een laatste rondje persoonlijke "je mag dit niet missen!" mails en niet vergeten mijn verhaal waarmee de dag begint voor te bereiden.
En natuurlijk ook bezig zijn met "the day after", want met de leuke variëteit aan bezoekers op de OSGeo.nl dag krijgen we als bestuur van de stichting OSGeo.nl vast en zeker ideeën aangereikt over waar de stichting het verschil kan maken: het verbinden van bestaande open geo-ict communities met elkaar, met nieuwe gebruikers, én met relevante open source ontwikkelingen op het randje van geo.
Wat dat laatste betreft moet ik met schaamrood op de kaken bekennen dat ik een conferentie compleet over het hoofd heb gezien: de Blender-conference, precies een week geleden. In de hoofdstedelijke Beurs van Berlage nog wel: dus in mijn achtertuin, en een mooie locatie bovendien. (maar niet zo mooi als de Oostserre bij Bouwkunde waar de OSGeo.nl dag gaat plaatsvinden!).
Voor de duidelijkheid: ik heb het hier over Blender-met-twee-e's, het open source 3D modelleer en animatieprogramma. Niet te verwarren met Blendr (dus met één e): de geosocial networking application. (overigens ten onrecht nogal eens neergezet als de hetero uitvoering van Grindr). Over die geosocial networking apps'in een volgende blog meer.
Blender is om meerdere redenen interessant.
Allereerst als open source organisatie. Blender is ontstaan als commerciële software , maar op het moment dat de investeerders de stekker er zo'n beetje uittrokken heeft de Blender-community 100.000 euro bij elkaar weten te harken om de software "los te kopen". En sindsdien is Blender open source, onder een GPL license. (nog een aardigheidje voor geo-ers: de animatiestudio die in 1988 de ontwikkeling van Blender begin heette.... NeoGeo).
Inmiddels is er naast de community een Blender Institute dat zich toelegt op het maken van open 3D animaties en games waarbij Blender niet alleen als tool wordt gebruikt, maar ook verder wordt ontwikkeld.
Daarnaast is Blender voor geo's interessant omdat er inmiddels importmogelijkheden voor geodata in Blender mogelijk zijn. Daarmee is er een brug geslagen tussen geo en een zeer krachtige 3D modelleeromgeving, die weer eens uit een heel andere hoek komt.
Misschien op 19 november maar eens op de 3D inspiratiesessie kijken in hoeverre de B.V. Geo-Nederland al een hand in de Blender heeft gestoken. En in ieder geval op 13 november aanstaande de OSGeo.nl de vraag eens aan de bezoekers stellen wie hier al mee bezig is.
Als trekker vanuit OSGeo.nl ben ik daar dezer dagen druk mee bezig: programmapuntjes op de i, zorgen dat de begroting klopt, nog een laatste rondje persoonlijke "je mag dit niet missen!" mails en niet vergeten mijn verhaal waarmee de dag begint voor te bereiden.
En natuurlijk ook bezig zijn met "the day after", want met de leuke variëteit aan bezoekers op de OSGeo.nl dag krijgen we als bestuur van de stichting OSGeo.nl vast en zeker ideeën aangereikt over waar de stichting het verschil kan maken: het verbinden van bestaande open geo-ict communities met elkaar, met nieuwe gebruikers, én met relevante open source ontwikkelingen op het randje van geo.
Wat dat laatste betreft moet ik met schaamrood op de kaken bekennen dat ik een conferentie compleet over het hoofd heb gezien: de Blender-conference, precies een week geleden. In de hoofdstedelijke Beurs van Berlage nog wel: dus in mijn achtertuin, en een mooie locatie bovendien. (maar niet zo mooi als de Oostserre bij Bouwkunde waar de OSGeo.nl dag gaat plaatsvinden!).
Voor de duidelijkheid: ik heb het hier over Blender-met-twee-e's, het open source 3D modelleer en animatieprogramma. Niet te verwarren met Blendr (dus met één e): de geosocial networking application. (overigens ten onrecht nogal eens neergezet als de hetero uitvoering van Grindr). Over die geosocial networking apps'in een volgende blog meer.
Blender is om meerdere redenen interessant.
Allereerst als open source organisatie. Blender is ontstaan als commerciële software , maar op het moment dat de investeerders de stekker er zo'n beetje uittrokken heeft de Blender-community 100.000 euro bij elkaar weten te harken om de software "los te kopen". En sindsdien is Blender open source, onder een GPL license. (nog een aardigheidje voor geo-ers: de animatiestudio die in 1988 de ontwikkeling van Blender begin heette.... NeoGeo).
Inmiddels is er naast de community een Blender Institute dat zich toelegt op het maken van open 3D animaties en games waarbij Blender niet alleen als tool wordt gebruikt, maar ook verder wordt ontwikkeld.
Daarnaast is Blender voor geo's interessant omdat er inmiddels importmogelijkheden voor geodata in Blender mogelijk zijn. Daarmee is er een brug geslagen tussen geo en een zeer krachtige 3D modelleeromgeving, die weer eens uit een heel andere hoek komt.
Misschien op 19 november maar eens op de 3D inspiratiesessie kijken in hoeverre de B.V. Geo-Nederland al een hand in de Blender heeft gestoken. En in ieder geval op 13 november aanstaande de OSGeo.nl de vraag eens aan de bezoekers stellen wie hier al mee bezig is.
Labels:
3D,
blender,
geonovum,
GIS,
Open Source,
open source geo-ict,
osgeo.nl,
WebGL
zaterdag 19 oktober 2013
Een écht geo-bewust broertje van Buienradar
Terwijl ik dit stukje tik, tikt de regen zachtjes op mijn zolderraam. Perfecte inspiratie voor dit blog dus.
Sinds een paar maanden heb ik de app Buienalarm op mijn smartphone geïnstalleerd. Voor mij hardstikke handig: ik fiets iedere ochtend naar Amsterdam Centraal en pedaleer in Den Haag naar de "nieuwe wijken" waar mijn gemeentelijke werkplek gevestigd is en leg die route 's avonds in omgekeerde richting af. Buienalarm geeft voor mij -naast mijn actuele locatie- voor die 2 plekken aan wanneer er regen wordt verwacht.
Voor mij is de locatie immers "fixed" (ik ga niet omdat het op mijn vast route regent naar een andere bestemming) terwijl ik wel de keuze heb om eerder of later op de fiets te stappen; mijn tijdstip van reizen is flexibel.
Zo biedt Buienalarm voor mij informatie op maat, terwijl ik bij Buienradar zelf nog interpretatie in ruimte (door kaartlezen) en tijd (door de animatie) zou moeten doen.
Om een bekend geo-gezegde te parafraseren: één tijdas zegt meer dan duizend kaartbeelden!
Sinds een paar maanden heb ik de app Buienalarm op mijn smartphone geïnstalleerd. Voor mij hardstikke handig: ik fiets iedere ochtend naar Amsterdam Centraal en pedaleer in Den Haag naar de "nieuwe wijken" waar mijn gemeentelijke werkplek gevestigd is en leg die route 's avonds in omgekeerde richting af. Buienalarm geeft voor mij -naast mijn actuele locatie- voor die 2 plekken aan wanneer er regen wordt verwacht.
Voor mij is de locatie immers "fixed" (ik ga niet omdat het op mijn vast route regent naar een andere bestemming) terwijl ik wel de keuze heb om eerder of later op de fiets te stappen; mijn tijdstip van reizen is flexibel.
Zo biedt Buienalarm voor mij informatie op maat, terwijl ik bij Buienradar zelf nog interpretatie in ruimte (door kaartlezen) en tijd (door de animatie) zou moeten doen.
Om een bekend geo-gezegde te parafraseren: één tijdas zegt meer dan duizend kaartbeelden!
zondag 13 oktober 2013
Innovatie doe je zelf, uitvinden doen de buren. Maar wie zijn die buren?
De quote kwam voorbij tijdens het lustrum van de AGGN (sorry, ik weet niet meer of Layar voorman Raimo van der Klein was, of dat Geodan-er Eduado Dias de opmerking plaatste): "innovatie is niet zelf iets uitvinden, maar het zinvol toepassen van iets dat al uitgevonden is". En vandaag las ik in de lectorale rede van Alexander Pleijter (Fontsys Hogeschool) woorden van gelijke strekking. Dus stop met zelf Willie Wortel spelen, maar kijk over de schutting om te zien of buurman of buurvrouw het wiel heeft uitgevonden waar jij een nieuwe draai aan kunt geven.
Om die reden is het altijd interessant om bijeenkomsten van andere (liefst wel enigszins aanpalende) disciplines te bezoeken. Ik heb het geluk dat zo ongeveer in mijn achtertuin Pakhuis De Zwijger staat, waar de hoofdstedelijke creatieve sector geregeld evenementen organiseert, waar Platform 31 (de opvolger van het NIROV) een aantal keer per jaar haar vaktijdschrift presenteert, waar de uitreiking van de privacyprijs "Big Brother Award" plaats heeft, waar Nederland van Boven aan de pers wordt gepresenteerd en waar de Adobe gebruikersgroep (Illustrator, Photoshop enzo) geregeld een verenigingsbijeenkomst houdt.
Allemaal onderwerpen die aan mijn vakgebied (geo-informatie) raken. Waarom? Omdat ze gaan over het toepassen van geo-informatie. Open data, datavisualisatie, ruimtelijke ordening, allemaal zaken die tegen het gebruik van geo-informatie aanschurken.
Als cartograaf heb ik dus de luxe dat het aantal aanpalende vakdisciplines bijzonder groot is, maar hoe doen mijn geo-collega's die zich geodeet of landmeter noemen dat eigenlijk. Wie zijn de buurmannen en -vrouwen bij wie zij over de schutting kijken om zich te laten inspireren? Het Koninklijk Wiskundig Genootschap? De Nederlandse vereniging voor Ruimtevaart? Ik kan het even niet bedenken, maar ben er oprecht nieuwsgierig naar!
Overigens: naast inspiratie opdoen bij aanpalende of zelfs wat verder verwijderde vakdisciplines blijft een goed gesprek met een geo-collega natuurlijk ook waardevol. Net als trouwens een mooie tentoonstelling, een goed boek of fraaie film. Be inspired!
Om die reden is het altijd interessant om bijeenkomsten van andere (liefst wel enigszins aanpalende) disciplines te bezoeken. Ik heb het geluk dat zo ongeveer in mijn achtertuin Pakhuis De Zwijger staat, waar de hoofdstedelijke creatieve sector geregeld evenementen organiseert, waar Platform 31 (de opvolger van het NIROV) een aantal keer per jaar haar vaktijdschrift presenteert, waar de uitreiking van de privacyprijs "Big Brother Award" plaats heeft, waar Nederland van Boven aan de pers wordt gepresenteerd en waar de Adobe gebruikersgroep (Illustrator, Photoshop enzo) geregeld een verenigingsbijeenkomst houdt.
Allemaal onderwerpen die aan mijn vakgebied (geo-informatie) raken. Waarom? Omdat ze gaan over het toepassen van geo-informatie. Open data, datavisualisatie, ruimtelijke ordening, allemaal zaken die tegen het gebruik van geo-informatie aanschurken.
Als cartograaf heb ik dus de luxe dat het aantal aanpalende vakdisciplines bijzonder groot is, maar hoe doen mijn geo-collega's die zich geodeet of landmeter noemen dat eigenlijk. Wie zijn de buurmannen en -vrouwen bij wie zij over de schutting kijken om zich te laten inspireren? Het Koninklijk Wiskundig Genootschap? De Nederlandse vereniging voor Ruimtevaart? Ik kan het even niet bedenken, maar ben er oprecht nieuwsgierig naar!
Overigens: naast inspiratie opdoen bij aanpalende of zelfs wat verder verwijderde vakdisciplines blijft een goed gesprek met een geo-collega natuurlijk ook waardevol. Net als trouwens een mooie tentoonstelling, een goed boek of fraaie film. Be inspired!
Labels:
AGGN,
cartografie,
de zwijger,
innovatie,
inspiratie,
visualisatie
donderdag 10 oktober 2013
Open data: slachtafval of (w)etenwaardige kliekjes?
De vaste lezers van dit blog (overigens: excuses voor de blogstilte, de voorbereidingen voor de osgeo.nl dag 2013 kosten nogal wat tijd) weten dat de metafoor een van mijn favoriete stijlfiguren is. Voor open data was ik al een poos op zoek naar een fijne metafoor.
Eergisteren was ik aanwezig op een "Inspiration Lab" van de University Leiden/campus The Hague (voertaal inderdaad Engels) waar Open State voorman Arjan El Fassad sprak over open data.
De 10 minuten van Arjan waren voor de doorgewinterde open data betrokkene niet wereldschokkend. Wel grappig: de verontschuldiging, haast schaamte van Arjan voor de naam "Hack de Overheid" (onderdeel van Open State). Even grappig: de suggestie aan het publiek (dat overwegend een Jeugd van Tegenwoordige leeftijd had) dat alle ambtenaren Methusalemiaanse leeftijden zouden hebben. Nu is de scribent dezes weliswaar ambtenaar, en grijs, en varifocusbrildragend, maar ik loop nog zonder rollator en luister zonder gehoorapparaat naar mijn iPod. En trouwens, El Fassed zit zelf ook al aan de verkeerde kant van de veertig.
Maar goed, weer on-topic, en dat topic was open data. In de uitgebreide nazit van de meeting prettig gesproken met Arjan El Fassed en anderen, waarbij natuurlijk weer die mantra "het beschikbaar stellen van alle overheidsdata, ook de ruwe data, zou integraal onderdeel van het werkproces moeten zijn". Daar kun je ver mee gaan, ik kan me niet zo goed voorstellen dat er mensen zitten te wachten op de nog niet eens vereffende punten die mijn landmetende geo-collega's op een dag bij elkaar meten (of gaat er iemand een App maken met de functionaliteit van MOVE3, ik laat me graag verrassen), of op de individuele enquetes waar alle half ingevulde exemplaren ook nog tussen zitten.
Voor de duidelijkheid: alle bij-nijvere dataproducenten doen dat niet omdat ze data willen produceren, maar omdat ze informatie willen genereren. Data is daar een middel bij. Net als kennis trouwens.
Terugkijkend op eergisteren bedacht ik de restaurantkok als metafoor: die maakt voor u een smakelijke hap, en snijdt daarvoor de vetrandjes van het vlees, haalt het loof van de worteltjes en schilt de aardappelen. Die restjes gaan, hup!, de biobak in. Of naar de varkenstrog als de biggetjes in de achtertuin van het restaurant rondlopen. Die kok gebruikt er ook nog een klontje boter bij (en zet de rest van de boter terug in de koelkast), voegt er wat versgemalen peper aan toe (en laat de rest van de peperkorrels in de molen zitten). En dat biefstukreepje dat tijdens het bakken uit de pan springt serveert onze kok ook niet aan u als gast, maar -dierenvriend als hij is- voert hij dat aan de kat van de buren.
En dan hebben we het nog maar over een routinematige restaurantavond, niet over de maandagavond waarop het restaurant gesloten is en de kok voor een select gezelschap dingen probeert waarbij er halverwege de middag goedbedoelde doch niet etenswaardige maaltijden de kliko in gaan.
Zo ook met data. Tijdens het informatieproductieproces (want dat is het doel!) wordt er geëxperimenteerd, weggegooid, toch weer uit de afvalbak (lees: van de backuptape) teruggehaald, geclassificeerd, geïnterpoleerd, gegeneraliseerd. Ik kan me niet voorstellen dat iemand in die complete datadiarree wil zitten roeren.
Is dan alleen de tabel of kaart zoals die op de gemeentelijke website of in het provinciale rapport wordt gepresenteerd datgene wat als open data beschikbaar moet worden gesteld? Nee. Ik denk dat we moeten insteken op één stap daaraan voorafgaand, namelijk de stap waarbij de (beleidsneutrale) onderzoeker de data overdraagt aan de beleidsmaker. Oftewel: het punt waarop data geïnterpreteerd wordt. En ja hoor: dan mis je als open data militant de mogelijkheid de onderzoeker te onderzoeken.
Maar om de huidige open data impasse te doorbreken zullen we voor het moment toch ergens een middenweg moeten vinden tussen het als open data beschikbaar stellen van alleen de viergangenmaaltijd aan de ene kant en het beschikbaar stellen van schillen, botten en gebruikt frituurvet aan de andere kant.
Dan blijft het voor alle partijen behapbaar.
Eergisteren was ik aanwezig op een "Inspiration Lab" van de University Leiden/campus The Hague (voertaal inderdaad Engels) waar Open State voorman Arjan El Fassad sprak over open data.
De 10 minuten van Arjan waren voor de doorgewinterde open data betrokkene niet wereldschokkend. Wel grappig: de verontschuldiging, haast schaamte van Arjan voor de naam "Hack de Overheid" (onderdeel van Open State). Even grappig: de suggestie aan het publiek (dat overwegend een Jeugd van Tegenwoordige leeftijd had) dat alle ambtenaren Methusalemiaanse leeftijden zouden hebben. Nu is de scribent dezes weliswaar ambtenaar, en grijs, en varifocusbrildragend, maar ik loop nog zonder rollator en luister zonder gehoorapparaat naar mijn iPod. En trouwens, El Fassed zit zelf ook al aan de verkeerde kant van de veertig.
Maar goed, weer on-topic, en dat topic was open data. In de uitgebreide nazit van de meeting prettig gesproken met Arjan El Fassed en anderen, waarbij natuurlijk weer die mantra "het beschikbaar stellen van alle overheidsdata, ook de ruwe data, zou integraal onderdeel van het werkproces moeten zijn". Daar kun je ver mee gaan, ik kan me niet zo goed voorstellen dat er mensen zitten te wachten op de nog niet eens vereffende punten die mijn landmetende geo-collega's op een dag bij elkaar meten (of gaat er iemand een App maken met de functionaliteit van MOVE3, ik laat me graag verrassen), of op de individuele enquetes waar alle half ingevulde exemplaren ook nog tussen zitten.
Voor de duidelijkheid: alle bij-nijvere dataproducenten doen dat niet omdat ze data willen produceren, maar omdat ze informatie willen genereren. Data is daar een middel bij. Net als kennis trouwens.
Terugkijkend op eergisteren bedacht ik de restaurantkok als metafoor: die maakt voor u een smakelijke hap, en snijdt daarvoor de vetrandjes van het vlees, haalt het loof van de worteltjes en schilt de aardappelen. Die restjes gaan, hup!, de biobak in. Of naar de varkenstrog als de biggetjes in de achtertuin van het restaurant rondlopen. Die kok gebruikt er ook nog een klontje boter bij (en zet de rest van de boter terug in de koelkast), voegt er wat versgemalen peper aan toe (en laat de rest van de peperkorrels in de molen zitten). En dat biefstukreepje dat tijdens het bakken uit de pan springt serveert onze kok ook niet aan u als gast, maar -dierenvriend als hij is- voert hij dat aan de kat van de buren.
En dan hebben we het nog maar over een routinematige restaurantavond, niet over de maandagavond waarop het restaurant gesloten is en de kok voor een select gezelschap dingen probeert waarbij er halverwege de middag goedbedoelde doch niet etenswaardige maaltijden de kliko in gaan.
Zo ook met data. Tijdens het informatieproductieproces (want dat is het doel!) wordt er geëxperimenteerd, weggegooid, toch weer uit de afvalbak (lees: van de backuptape) teruggehaald, geclassificeerd, geïnterpoleerd, gegeneraliseerd. Ik kan me niet voorstellen dat iemand in die complete datadiarree wil zitten roeren.
Is dan alleen de tabel of kaart zoals die op de gemeentelijke website of in het provinciale rapport wordt gepresenteerd datgene wat als open data beschikbaar moet worden gesteld? Nee. Ik denk dat we moeten insteken op één stap daaraan voorafgaand, namelijk de stap waarbij de (beleidsneutrale) onderzoeker de data overdraagt aan de beleidsmaker. Oftewel: het punt waarop data geïnterpreteerd wordt. En ja hoor: dan mis je als open data militant de mogelijkheid de onderzoeker te onderzoeken.
Maar om de huidige open data impasse te doorbreken zullen we voor het moment toch ergens een middenweg moeten vinden tussen het als open data beschikbaar stellen van alleen de viergangenmaaltijd aan de ene kant en het beschikbaar stellen van schillen, botten en gebruikt frituurvet aan de andere kant.
Dan blijft het voor alle partijen behapbaar.
Labels:
datadiarree,
hack de overheid,
open data,
open informatie,
open state
dinsdag 23 juli 2013
Het Nederlandse keurmerk op WMS
Gisteren beweerde ik dat WMS minder standaard is dan we wel eens denken, met name door de vrijheidsgraden die deze OGC standaard in zich heeft. Ik had zelf al een follow-up in gedachten, en toen er ook nog een reactie van Thijs Brentjens binnenkwam kon ik niet meer uit onder het publiceren van deze aanvulling:
GeoNovum weet raad, want heeft voor WMS services een Nederlands profiel opgesteld. In dat profiel zijn een flink deel van de hier boven geschetste vrijheidsgraden dichtgetimmerd, zoals de verplichting de WMS in 3 coördinaatsystemen te serveren: RD, ETRS89 en WGS84. Met de bij dat profiel behorende validator kun je nagaan of een WMS service (niet noodzakelijker wijs een die je zelf serveert) aan dit Nederlandse profiel voldoet.
Ook in het Nationaal Georegister staat onder iedere WMS-service een knopje waarmee die service kan worden gechecked op het voldoen aan de Vaderlandse Set van Afspraken. Eerlijk gezegd dacht ik tot gisteren dacht ik dat dat icoontje aangaf óf een service aan het profiel voldoet, maar nee, je moet zelf nog even op die knop drukken om de ("live"-)testresultaten te krijgen.
Ik heb ze niet allemaal uitgeprobeerd, maar een forse steekproef leert dat met name de manier waarop de resultaten van GetFeatureInfo (de "identify") wordt teruggegeven een struikelblok is; "text/xml" blijkt maar weinig ondersteund te worden. Ook de PDOK services gaan daar "nat" op. Dat het wel kan bewijst TNO, de GeoTop-services formatie van Stramproy (onderdeel van DINO) slaagt met vlag en wimpel voor het Nederlandse profiel-"examen".
"The devil is in the detail" riep toenmalig PDOK-programmamanager Pieter Meijer vorig jaar bij het puntjes-op-de-i-zetten. Inderdaad, want juist dit soort details maken het verschil tussen webservices als eeuwige belofte en webservices als echte doorbraak naar een breder publiek.
WMS is niet de enige standaard die een rekbaar begrip is:
GeoNovum weet raad, want heeft voor WMS services een Nederlands profiel opgesteld. In dat profiel zijn een flink deel van de hier boven geschetste vrijheidsgraden dichtgetimmerd, zoals de verplichting de WMS in 3 coördinaatsystemen te serveren: RD, ETRS89 en WGS84. Met de bij dat profiel behorende validator kun je nagaan of een WMS service (niet noodzakelijker wijs een die je zelf serveert) aan dit Nederlandse profiel voldoet.
Ook in het Nationaal Georegister staat onder iedere WMS-service een knopje waarmee die service kan worden gechecked op het voldoen aan de Vaderlandse Set van Afspraken. Eerlijk gezegd dacht ik tot gisteren dacht ik dat dat icoontje aangaf óf een service aan het profiel voldoet, maar nee, je moet zelf nog even op die knop drukken om de ("live"-)testresultaten te krijgen.
Ik heb ze niet allemaal uitgeprobeerd, maar een forse steekproef leert dat met name de manier waarop de resultaten van GetFeatureInfo (de "identify") wordt teruggegeven een struikelblok is; "text/xml" blijkt maar weinig ondersteund te worden. Ook de PDOK services gaan daar "nat" op. Dat het wel kan bewijst TNO, de GeoTop-services formatie van Stramproy (onderdeel van DINO) slaagt met vlag en wimpel voor het Nederlandse profiel-"examen".
"The devil is in the detail" riep toenmalig PDOK-programmamanager Pieter Meijer vorig jaar bij het puntjes-op-de-i-zetten. Inderdaad, want juist dit soort details maken het verschil tussen webservices als eeuwige belofte en webservices als echte doorbraak naar een breder publiek.
WMS is niet de enige standaard die een rekbaar begrip is:
Labels:
DINO,
geonovum,
nationaal georegister,
ngr,
pdok,
standaarden,
WMS
maandag 22 juli 2013
WMS is geen standaard
Een paar maanden geleden schreef ik dat shapefiles geen standaard zijn. Dat was natuurlijk een open deur. Maar ook die mooie OGC-standaarden, de WxS familie (WMS, WFS, WCS etc.) zijn wat minder standaard dan je zou denken en willen.
Als voorbeeld de WMS, de Web Map Service, zo'n beetje de moeder aller geo-webservicestandarden. Dat die verschillende versies kent (1.1.0, 1.1.1, 1.3.0) is een kwestie van voortschrijdend inzicht, maar in ieder geval zijn die versies door hun nummers helder onderscheidbaar. Lastiger wordt het met de vrijheidsgraden die er binnen die versies zitten. Een "GetCapabilities" en een "GetMap" moet iedere WMS service kunnen ophoesten, maar als je er ook een reeks legendablokjes van wilt opvragen ("GetLegendGraphic") of er met de spreekwoordelijke geo-breinaald een identify op wilt uitvoeren ("GetFeatureInfo") moet je maar hopen dat de serversoftware zo vriendelijk is dat te ondersteunen. En als die GetFeatureInfo wél geïmplementeerd is is het nog een verrassing wat voor soort antwoord je krijgt; dat kan een opgemaakt stukje HTML zijn, of kale text, of een brokje XML of zelfs een hapje GML of JSON.
Opgemaakte HTML leest natuurlijk lekker weg als antwoord, maar als je een webapplicatie hebt waar verschillende WMS services onder hangen, waarvan de aanbieders allemaal hun eigen ideeën hebben over de grafische HTML-opmaak van de GetFeatureInfo wordt die applicatie voor de eindgebruiker erg rommelig. Dan is het handiger als je wat XML terugkrijgt, om daar vervolgens aan de client-kant wat opmaak-logica op toe te passen. Of als je een eigen opmaak-template met het GetFeatureInfo request kunt meesturen om zo voor de nietsvermoedende eindgebruiker een consistente gebruikservaring aan te bieden.
Dus voordat je een externe WMS-service gaat gebruiken even de checklist aflopen: is het een platte WMS zonder zelfs maar identify-mogelijkheden ("koffie zwart") of gaat het om een SLD-enabled WMS met user-stylable GetFeatureInfo ondersteuning ("Decaf Double tall non-fat extra-dry cappuccino"). Dat is voor de geo-sensatie van de eindgebruiker een wereld van verschil!
Als voorbeeld de WMS, de Web Map Service, zo'n beetje de moeder aller geo-webservicestandarden. Dat die verschillende versies kent (1.1.0, 1.1.1, 1.3.0) is een kwestie van voortschrijdend inzicht, maar in ieder geval zijn die versies door hun nummers helder onderscheidbaar. Lastiger wordt het met de vrijheidsgraden die er binnen die versies zitten. Een "GetCapabilities" en een "GetMap" moet iedere WMS service kunnen ophoesten, maar als je er ook een reeks legendablokjes van wilt opvragen ("GetLegendGraphic") of er met de spreekwoordelijke geo-breinaald een identify op wilt uitvoeren ("GetFeatureInfo") moet je maar hopen dat de serversoftware zo vriendelijk is dat te ondersteunen. En als die GetFeatureInfo wél geïmplementeerd is is het nog een verrassing wat voor soort antwoord je krijgt; dat kan een opgemaakt stukje HTML zijn, of kale text, of een brokje XML of zelfs een hapje GML of JSON.
Opgemaakte HTML leest natuurlijk lekker weg als antwoord, maar als je een webapplicatie hebt waar verschillende WMS services onder hangen, waarvan de aanbieders allemaal hun eigen ideeën hebben over de grafische HTML-opmaak van de GetFeatureInfo wordt die applicatie voor de eindgebruiker erg rommelig. Dan is het handiger als je wat XML terugkrijgt, om daar vervolgens aan de client-kant wat opmaak-logica op toe te passen. Of als je een eigen opmaak-template met het GetFeatureInfo request kunt meesturen om zo voor de nietsvermoedende eindgebruiker een consistente gebruikservaring aan te bieden.
Dus voordat je een externe WMS-service gaat gebruiken even de checklist aflopen: is het een platte WMS zonder zelfs maar identify-mogelijkheden ("koffie zwart") of gaat het om een SLD-enabled WMS met user-stylable GetFeatureInfo ondersteuning ("Decaf Double tall non-fat extra-dry cappuccino"). Dat is voor de geo-sensatie van de eindgebruiker een wereld van verschil!
woensdag 26 juni 2013
"big data" of "understanding our world"?
Stomtoevallig kwamen vanochtend twee artikelen voor mijn leesbril die "big data" en "geo" met elkaar in verband brachten. Allereerst las ik in de weekendbijlage van het NRC een artikel van internetscepticus Evgeny Morozov. Dat artikel is in de Engelstalige versie online te lezen op Slate Magazine, dus lees vooral even mee. Morozov betoogt in het artikel dat "big data" vooral gaat over het ontdekken van een cijfermatig verband tussen verschijnselen door bergen data in de übergrote statistiekmolen te gooien, terwijl het geen enkel inzicht geeft in causaliteit: wordt verschijnsel A door verschijnsel B veroorzaakt, of is het er juist een gevolg van, of zijn beide verschijnselen allebei het gevolg van oorzaak C?
Morozov geeft aan dat big data ons lui maakt; in plaats van op zoek te gaan naar de oorzaak van verschijnselen focussen we alleen maar op de gevolgen: "we hoeven niet te vragen waarom alles is zoals het is, zolang we het maar naar believen kunnen beïnvloeden", schrijft Morozov.
5 minuten later werd ik gewezen op het artikel Mapping the Future with Big Data van Patrick Tucker in "The Futurist", het magazine van de World Future Society. Daarin beschrijft Tucker hoe het simpelweg op elkaar stapelen van bergen data op het eerste inzicht wel inzicht lijkt te bieden, maar dat bij nader inzien juist een dwaalspoor blijkt te zijn: het op een topografische ondergrond projecteren van a) een dataset met sociale woningbouw en b) een dataset met misdaadlocaties geeft slechtsaan dat er correlatie is, maar vertelt helemaal niets over een oorzakelijk verband. "Every map is only as good as the data that built it and the understanding of the map maker", schrijft Tucker na een interview met Jack Dangermond, en "If we can avoid the temptation to view any map as complete, if we can remind ourselves not to simply layer a map of housing subsidies on top of the crime map and call it a day, if we can find the energy to instead go one map further, and then another, and then another, then perhaps GIS will live up to its fullest potential."
Dát is de opgave voor iedere serieuze cartograaf: duidelijk maken dat de kaart niet de ultieme waarheid is, maar een hulmiddel naar het ontdekken van oorzakelijke verbanden. En die oorzakelijke verbanden hoeven helemaal niet ruimtelijk te zijn. "Understanding our world" noemt Esri dat, en dat is wezenlijk meer dan (pseudo-)informatie genereren door datasets te stapelen.
Morozov geeft aan dat big data ons lui maakt; in plaats van op zoek te gaan naar de oorzaak van verschijnselen focussen we alleen maar op de gevolgen: "we hoeven niet te vragen waarom alles is zoals het is, zolang we het maar naar believen kunnen beïnvloeden", schrijft Morozov.
5 minuten later werd ik gewezen op het artikel Mapping the Future with Big Data van Patrick Tucker in "The Futurist", het magazine van de World Future Society. Daarin beschrijft Tucker hoe het simpelweg op elkaar stapelen van bergen data op het eerste inzicht wel inzicht lijkt te bieden, maar dat bij nader inzien juist een dwaalspoor blijkt te zijn: het op een topografische ondergrond projecteren van a) een dataset met sociale woningbouw en b) een dataset met misdaadlocaties geeft slechtsaan dat er correlatie is, maar vertelt helemaal niets over een oorzakelijk verband. "Every map is only as good as the data that built it and the understanding of the map maker", schrijft Tucker na een interview met Jack Dangermond, en "If we can avoid the temptation to view any map as complete, if we can remind ourselves not to simply layer a map of housing subsidies on top of the crime map and call it a day, if we can find the energy to instead go one map further, and then another, and then another, then perhaps GIS will live up to its fullest potential."
Dát is de opgave voor iedere serieuze cartograaf: duidelijk maken dat de kaart niet de ultieme waarheid is, maar een hulmiddel naar het ontdekken van oorzakelijke verbanden. En die oorzakelijke verbanden hoeven helemaal niet ruimtelijk te zijn. "Understanding our world" noemt Esri dat, en dat is wezenlijk meer dan (pseudo-)informatie genereren door datasets te stapelen.
Labels:
arcgis.com,
big data,
cartografie,
esri,
geo-informatie,
geo-inzicht,
Morozov,
Patrick Tucker
Abonneren op:
Posts (Atom)

