Vele toetsaanslagen hebben mijn toetsenbord al geteisterd als het aankwam op de interface van wat het uithangbord van de Nederlandse geo-informatie zou moeten zijn: het Nationaal Georegister.
Gebruikers klagen -nog steeds- dat er wel een "zoek"- maar geen "vind"-functie in het NGR zit.
En er schijnen gebruikers te zijn die de zoekfunctie zelfs niet kunnen vinden!
Vandaag heb ik een sneak preview gehad van een mogelijke nieuwe interface voor het NGR, en voor andere registers. De gedachte er achter is dat "thema" de belangrijkste zoekingang is. Nu zijn de afbakeningen van thema's in registers als het NGR altijd wat "fuzzy". Zo zijn "planologie" en "ruimtelijke ordening" weliswaar geen synoniemen maar wel zeer nauw verwant. Met een goede thesaurus kunnen die verbanden worden aangebracht. Nog beter is het combineren van thesauri uit verschillende sectoren en disciplines, juist omdat de datasets en services in het NGR betrekking hebben op een grote diversiteit aan sectoren en vakgebieden.
Wat is nu die interface? Zoiets:
Klik er vooral even op om 'm "in het echt" te zien.
Ik kwam 'm tegen op synoniemen.net. De crux is dat de zoekterm in het centrum wordt weergegeven, en dat de "eerstegraads"-synoniemen als direct verbonden bolletjes worden weergegeven, en de "tweedegraads"-synoniemen daar weer aan verbonden.
Lijkt me erg leuk om zo de termen uit de NGR-thesaurus, en de datasets en services waar deze zoekterm aan hangt weer te geven. Het lijkt dan wel linked metadata!
Deze vrolijke zoekfunctie is gemaakt met D3.js, dé JavaScript bibliotheek voor alle mogelijke datavisualisaties. Absoluut de moeite waard om daar eens in te duiken.
Naast de verwantschap tussen thema's zou je ook nog een onderlinge verwantschap tussen datasets kunnen toepassen. In de metadatastandaarden is daar ruimte voor gereserveerd om die aan te geven.Wellicht dat daarmee de verwarring over het verschil tussen zes typen bebouwde kommen kan worden weggenomen.
Wat tenslotte ook meerwaarde kan hebben is het op soortgelijke wijze presenteren van de verschijningsvormen van een dataset: dat brengt de logische samenhang tussen een dataset, een daarvan afgeleide WFS of downloadservice en een of meer daarvan afgeleide WMS-services in één oogopslag in beeld.
Aanvulling: een misschien wel nog mooiere versie is te vinden op http://zoeken.bibliotheek.nl/
zaterdag 7 maart 2015
vrijdag 6 maart 2015
Verscheurde woonplaatsen in de BAG: Avezaath en Vinkel
Een beetje in het verlengde van mijn vorige blog (over bebouwde kommen) heb ik het vergrootglas eens op het fenomeen woonplaatsen gelegd.
Met de invoering van de BAG (basisregistratie adressen en gebouwen) heeft Nederland eindelijk een formele indeling van woonplaatsen. Uitgangspunt is een of meer woonplaatsen samen één gemeente vormen, en dat zodoende de woonplaatsindeling een landsdekkende indeling vormt. Hartstikke handig, want zo'n indeling is redelijk robuust, al is het maar dat het nogal een administratieve (gemeentelijke) rompslomp is om een woonplaatsindeling te veranderen. Ik ken maar een geval: het opgaan van de voorheen afzonderlijke Amsterdam-Zuidoost in de woonplaats Amsterdam. Daarmee is het complete grondgebied van de gemeente Amsterdam nu ook één woonplaats Amsterdam geworden.
GIS-technisch aandachtspunt daarbij is dat de woonplaats Amsterdam nu een multi-polygoon is. dat blijkt vaker voor te komen: zo bestaat uit de woonplaats Geldermalsen uit een multi-polygoon. Dat hoeft geen probleem te zijn; ik ga er van uit dat een fatsoenlijk GIS-pakket snapst dat die 2 deeltjes bij elkaar horen.
Iets verder stroomopwaarts langs de Linge (en de A15) is de situatie een stuk complexer. Door een gemeentelijke herindeling is het noordelijke deel van Kapel-Avezaath (met tussenstreepje, met BAG-ID 3377) bij de gemeente Buren terecht gekomen, en het deel ten zuiden van de A15 als woonplaats Kapel Avezaath (zonder tussenstreepje, met BAG-ID 2560) bij Tiel.
Nog iets oostelijker is de situatie nog complexer: daar ligt ten noorden van de A15 het "gestreepte" Kerk-Avezaath (BAG-ID 3378) in de gemeente Buren. Ten zuiden van de snelweg het streeploze Kerk Avezaath (BAG-ID 2561), dat een multipolygoon blijkt te zijn.
25 kilometer naar het Zuiden, in het Brabantse Vinkel een soortgelijke situatie. Ook deze woonplaats is de afgelopen decennia geteisterd door herindelingen. Inmiddels is Vinkel opgedeeld in een groot westelijk deel (BAG-ID 3612) dat sinds 1 januari 2015 bij de gemeente 's-Hertogenbosch hoort, en twee kleine oostelijke delen die onder het gezag van de burgemeester van Bernheze valt. Die oostelijke delen (BAG-ID 3063) lijken een multipolygoon te zijn, maar blijken bij nadere bestudering door een 5 meter brede corridor langs de gemeentegrens met elkaar verbonden te zijn. Een creatieve oplossing! Helaas voor het onderscheid met het Bossche deel van Vinkel een tussenstrepje (Vin-kel?) geen soelaas
Conclusie: pas op voordat je met alleen de woonplaatsennámen uit de BAG aan de gang gaat. Voor je het weet mis je de helft. Een goed idee: gebruik het ID!
Met de invoering van de BAG (basisregistratie adressen en gebouwen) heeft Nederland eindelijk een formele indeling van woonplaatsen. Uitgangspunt is een of meer woonplaatsen samen één gemeente vormen, en dat zodoende de woonplaatsindeling een landsdekkende indeling vormt. Hartstikke handig, want zo'n indeling is redelijk robuust, al is het maar dat het nogal een administratieve (gemeentelijke) rompslomp is om een woonplaatsindeling te veranderen. Ik ken maar een geval: het opgaan van de voorheen afzonderlijke Amsterdam-Zuidoost in de woonplaats Amsterdam. Daarmee is het complete grondgebied van de gemeente Amsterdam nu ook één woonplaats Amsterdam geworden.
GIS-technisch aandachtspunt daarbij is dat de woonplaats Amsterdam nu een multi-polygoon is. dat blijkt vaker voor te komen: zo bestaat uit de woonplaats Geldermalsen uit een multi-polygoon. Dat hoeft geen probleem te zijn; ik ga er van uit dat een fatsoenlijk GIS-pakket snapst dat die 2 deeltjes bij elkaar horen.
Iets verder stroomopwaarts langs de Linge (en de A15) is de situatie een stuk complexer. Door een gemeentelijke herindeling is het noordelijke deel van Kapel-Avezaath (met tussenstreepje, met BAG-ID 3377) bij de gemeente Buren terecht gekomen, en het deel ten zuiden van de A15 als woonplaats Kapel Avezaath (zonder tussenstreepje, met BAG-ID 2560) bij Tiel.
Nog iets oostelijker is de situatie nog complexer: daar ligt ten noorden van de A15 het "gestreepte" Kerk-Avezaath (BAG-ID 3378) in de gemeente Buren. Ten zuiden van de snelweg het streeploze Kerk Avezaath (BAG-ID 2561), dat een multipolygoon blijkt te zijn.
25 kilometer naar het Zuiden, in het Brabantse Vinkel een soortgelijke situatie. Ook deze woonplaats is de afgelopen decennia geteisterd door herindelingen. Inmiddels is Vinkel opgedeeld in een groot westelijk deel (BAG-ID 3612) dat sinds 1 januari 2015 bij de gemeente 's-Hertogenbosch hoort, en twee kleine oostelijke delen die onder het gezag van de burgemeester van Bernheze valt. Die oostelijke delen (BAG-ID 3063) lijken een multipolygoon te zijn, maar blijken bij nadere bestudering door een 5 meter brede corridor langs de gemeentegrens met elkaar verbonden te zijn. Een creatieve oplossing! Helaas voor het onderscheid met het Bossche deel van Vinkel een tussenstrepje (Vin-kel?) geen soelaas
Conclusie: pas op voordat je met alleen de woonplaatsennámen uit de BAG aan de gang gaat. Voor je het weet mis je de helft. Een goed idee: gebruik het ID!
dinsdag 3 maart 2015
De ene kom is de andere niet: 6 smaken bebouwde kom
Verwarring in geoland! Sinds de februari -release van 2015 levert Kadaster in de top10nl bij de "geografische gebieden" drie gradaties: "buurtschap", "huizengroep" en "plaats, bewoond oord".
Van die eerste soort geniet Bartlehiem landelijke bekendheid. Bij de "huizengroep" springen "De Lucht-West" en "De Lucht-Oost" (welbekend voor wie wel eens op de A2 van Utrecht naar 's-Hertogenbosch rijdt) in het oog. En de derde groep is natuurlijk de hoofdmoot. Al lijken daar op dit moment Amsterdam-Noord en -Zuidoost, en de Haagse Vinexwijken "Leidschenveen" en "Ypenburg" nog te ontbreken. Het vermoeden rijst dat we hier met een multi-polygon probleempje van doen hebben.
De verwarring zit 'm in de status van deze geografische gebieden. Het lijken aanduidingen voor bebouwde kommen, zoals we die allemaal kennen van de blauwe (verkeers-)borden bij het binnenrijden van een plaats. Maar dan zijn die buurtschappen en huizengroepen weer wat teveel van het goede. Alhoewel, er zijn ook plaatsnaamaanduidingen met blauwe of zwarte letters op een witte achtergrond (in vaktaal: pseudeo-komborden). Als u Bartlehiem binnenrijdt komt u zo'n bord tegen.
De verwarring wordt nog wat groter omdat er diverse definities van bebouwde kommen blijken te zijn. Naast de hierboven aangehaalde versie (1) die op grond van de Wegenverkeerswet door de gemeenteraad moet worden vastgesteld is er ook een bebouwde kom (2) die op grond van de Wegenwet door Gedeputeerde Staten wordt vastgesteld. Hiermee wordt bepaald welke wegen in een gemeentelijke wegenlegger moeten worden geregistreerd. Van de provincie Utrecht heb ik daarvan een fijne webservice kunnen vinden.
We gaan nog even door, want er bestaat ook een bebouwde kom in de Boswet. Die wet gaat over kappen en herplanten van bomen buiten de bebouwde kom. Steeds meer gemeenten gaan er toe over om in dit Boswet-perspectief de grens van de bebouwde kom gelijk te stellen aan de gemeentegrens. We zijn er nog niet, want ook in de context van de WABO (o.a. vergunningsverlening) en in de zin van de APV (o.a. hond wel of niet aan de lijn) speelt de grens van de bebouwde kom een juridische rol. Het is aan de gemeente om te bepalen of er voor ieder van bovengenoemde doelen een aparte bebouwde kom wordt vastgesteld, of dat er met 1 of 2 bebouwde komgrenzen wordt volstaan.
Verder is het goed om nog even te wijzen op het CBS bestand Bevolkingskernen in Nederland. De definitie voor deze dataset sluit aan bij een definitie die de Verenigde Naties hanteren. Het gaat hierbij een een aaneengesloten gebied, met een herkenbaar stratenpatroon, overwegend door mensen bewoond. Hierbij kan één kern zich overigens over gemeentegrenzen uitstrekken. Zo omvat "Groot-Dordrecht" de bewoonde delen van Dordrecht, Zwijndrecht, hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Waarom het Amsterdamse havengebied wél, en de Europoort en Maasvlakte niet tot een bevolkingskern worden gerekend is me overigens nog niet duidelijk. Deze dataset is ook als webservice beschikbaar.
En om het verhaal compleet te maken haal ik er dan ook nog een beleidsmatige begrenzing bij. In de hoogtijdagen van de Rijks-ruimtelijke ordening (de Vijfe Nota) wees Minister Jan Pronk "met de dikke duim" rode contouren aan als grens voor verdere verstedelijking. Met de Nota Ruimte zijn die contouren in 2000 vervangen door de op een GIS-analyse gebaseerde "Begrenzing Bebouwd Gebied" (BBG). Dit bestand heeft diverse reorganisaties op dat departement glansrijk doorstaan en is te vinden op de website van de Rijksoverheid. De bijgaande zeer gedegen beschrijving geeft niet alleen inzicht in de achterliggende rekenregels, maar is ook een tijdsdocument voor zowel de status van Rijksbemoeienis met ruimtelijke ordening als voor de geo-ict rond de eeuwwisseling. Coverages! AML! Those were the days my friend!
Al met al genoeg voer voor verwarring. Als de geo-professionals door de bomen het bos al niet meer zien, hoe moet een "buitenstaander" er dan iets van kunnen snappen? Hier merk je dat een georegister meer zou moeten zijn dan een aanbodgestuurde opsomming van datasets, maar juist een context (=vraag) gestuurde benadeing zou moeten hebben. Op zijn minst door kruisverwijzing tussen deze datasets. Daarvoor is registratie van de genoemde datasets in het Nationaal Georegister natuurlijk het absolute minimum.
Voor deze blogpost heb ik dankbaar gebruik gemaakt van een artikel op de site van Dirkzwager Overheid&Vastgoed
Van die eerste soort geniet Bartlehiem landelijke bekendheid. Bij de "huizengroep" springen "De Lucht-West" en "De Lucht-Oost" (welbekend voor wie wel eens op de A2 van Utrecht naar 's-Hertogenbosch rijdt) in het oog. En de derde groep is natuurlijk de hoofdmoot. Al lijken daar op dit moment Amsterdam-Noord en -Zuidoost, en de Haagse Vinexwijken "Leidschenveen" en "Ypenburg" nog te ontbreken. Het vermoeden rijst dat we hier met een multi-polygon probleempje van doen hebben.
De verwarring zit 'm in de status van deze geografische gebieden. Het lijken aanduidingen voor bebouwde kommen, zoals we die allemaal kennen van de blauwe (verkeers-)borden bij het binnenrijden van een plaats. Maar dan zijn die buurtschappen en huizengroepen weer wat teveel van het goede. Alhoewel, er zijn ook plaatsnaamaanduidingen met blauwe of zwarte letters op een witte achtergrond (in vaktaal: pseudeo-komborden). Als u Bartlehiem binnenrijdt komt u zo'n bord tegen.
De verwarring wordt nog wat groter omdat er diverse definities van bebouwde kommen blijken te zijn. Naast de hierboven aangehaalde versie (1) die op grond van de Wegenverkeerswet door de gemeenteraad moet worden vastgesteld is er ook een bebouwde kom (2) die op grond van de Wegenwet door Gedeputeerde Staten wordt vastgesteld. Hiermee wordt bepaald welke wegen in een gemeentelijke wegenlegger moeten worden geregistreerd. Van de provincie Utrecht heb ik daarvan een fijne webservice kunnen vinden.
We gaan nog even door, want er bestaat ook een bebouwde kom in de Boswet. Die wet gaat over kappen en herplanten van bomen buiten de bebouwde kom. Steeds meer gemeenten gaan er toe over om in dit Boswet-perspectief de grens van de bebouwde kom gelijk te stellen aan de gemeentegrens. We zijn er nog niet, want ook in de context van de WABO (o.a. vergunningsverlening) en in de zin van de APV (o.a. hond wel of niet aan de lijn) speelt de grens van de bebouwde kom een juridische rol. Het is aan de gemeente om te bepalen of er voor ieder van bovengenoemde doelen een aparte bebouwde kom wordt vastgesteld, of dat er met 1 of 2 bebouwde komgrenzen wordt volstaan.
Verder is het goed om nog even te wijzen op het CBS bestand Bevolkingskernen in Nederland. De definitie voor deze dataset sluit aan bij een definitie die de Verenigde Naties hanteren. Het gaat hierbij een een aaneengesloten gebied, met een herkenbaar stratenpatroon, overwegend door mensen bewoond. Hierbij kan één kern zich overigens over gemeentegrenzen uitstrekken. Zo omvat "Groot-Dordrecht" de bewoonde delen van Dordrecht, Zwijndrecht, hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Waarom het Amsterdamse havengebied wél, en de Europoort en Maasvlakte niet tot een bevolkingskern worden gerekend is me overigens nog niet duidelijk. Deze dataset is ook als webservice beschikbaar.
En om het verhaal compleet te maken haal ik er dan ook nog een beleidsmatige begrenzing bij. In de hoogtijdagen van de Rijks-ruimtelijke ordening (de Vijfe Nota) wees Minister Jan Pronk "met de dikke duim" rode contouren aan als grens voor verdere verstedelijking. Met de Nota Ruimte zijn die contouren in 2000 vervangen door de op een GIS-analyse gebaseerde "Begrenzing Bebouwd Gebied" (BBG). Dit bestand heeft diverse reorganisaties op dat departement glansrijk doorstaan en is te vinden op de website van de Rijksoverheid. De bijgaande zeer gedegen beschrijving geeft niet alleen inzicht in de achterliggende rekenregels, maar is ook een tijdsdocument voor zowel de status van Rijksbemoeienis met ruimtelijke ordening als voor de geo-ict rond de eeuwwisseling. Coverages! AML! Those were the days my friend!
Al met al genoeg voer voor verwarring. Als de geo-professionals door de bomen het bos al niet meer zien, hoe moet een "buitenstaander" er dan iets van kunnen snappen? Hier merk je dat een georegister meer zou moeten zijn dan een aanbodgestuurde opsomming van datasets, maar juist een context (=vraag) gestuurde benadeing zou moeten hebben. Op zijn minst door kruisverwijzing tussen deze datasets. Daarvoor is registratie van de genoemde datasets in het Nationaal Georegister natuurlijk het absolute minimum.
Voor deze blogpost heb ik dankbaar gebruik gemaakt van een artikel op de site van Dirkzwager Overheid&Vastgoed
Labels:
bebouwde kom,
bevolkingskernen,
cbs,
kadaster,
top10nl,
wegenverkeerswet,
wegenwet,
woonplaats
zondag 8 februari 2015
Een Huis der Kansen aan de Laan van de Leefomgeving
Een dik half jaar terug schreef ik op deze plek al eens over de Laan van de Leefomgeving, en met name de wijze waarop je met geo-informatie ontwikkelingsplanologie kunt bedrijven.
Nu de laatste weken het voortbestaan van het warenhuis V&D de economische krantenpagina's overheerst toetste ik de ambities van de Laan van de Leefomgeving eens aan de ontwikkelingen in de retailsector. Wat me opvalt is dat de Laan met haar informatiehuizen focust op wat er wel of niet op een bepaalde locatie mag. uit de programmadefinitie GOAL: "Het gaat daarbij om informatie voor besluiten met rechtsgevolgen, zoals vergunningen of een omgevingsplan".
Naar mijn idee liggen er daarmee nog kansen voor een informatiehuis (of misschien wel aanbouwtjes bij de bestaande informatiehuizen) die informatie verzamelt over wat er op een bepaalde locatie haalbaar is. De gevolgen van de overvloedige kantoor- en bedrijfshallenbouw rond de eeuwwisseling kan iedereen om zich heen zien. Het overschot aan fysieke winkelruimte wordt ook steeds duidelijker, en dat heeft niet alleen met V&D te maken.
Het zou de kwaliteit van ruimtelijke initiatieven helpen als ook informatie over bevolkingsontwikkeling, arbeidsmarkt, koopkracht etc. via de Laan van de Leefomgeving wordt ontsloten. Daarnaast draagt de laagdrempelige beschikbaarheid (huizen aan deze Laan kennen hopelijk geen drempels!) bij aan een transparanter besluitvormingsproces; betrokken burgers en andere stakeholders kunnen met de beschikbaarheid van dit soort informatie ruimtelijke initiatieven in hun achtertuin beter op waarde schatten. En het helpt de verantwoordelijke overheden om tot betere omgevingsplannen te komen die aansluiten bij actuele ontwikkelingen ten aanzien van woning- kantoren- en winkelmarkt.
Dus als er nog een kaveltje vrij is aan de Laan van de Leefomgeving: een Huis der Kansen zou een verrijking voor het straatbeeld zijn. Of dat huis door de overheid gebouwd mag worden valt nog te bezien; als een of meer commerciële geodata-aanbieders zo'n pakhuis kunnen neerzetten lijkt me dat ook prima. Al is het in dat verband wel wrang dat onlangs de "V&D van de geodata" (Bridgis) failliet is gegaan.
Nu de laatste weken het voortbestaan van het warenhuis V&D de economische krantenpagina's overheerst toetste ik de ambities van de Laan van de Leefomgeving eens aan de ontwikkelingen in de retailsector. Wat me opvalt is dat de Laan met haar informatiehuizen focust op wat er wel of niet op een bepaalde locatie mag. uit de programmadefinitie GOAL: "Het gaat daarbij om informatie voor besluiten met rechtsgevolgen, zoals vergunningen of een omgevingsplan".
Naar mijn idee liggen er daarmee nog kansen voor een informatiehuis (of misschien wel aanbouwtjes bij de bestaande informatiehuizen) die informatie verzamelt over wat er op een bepaalde locatie haalbaar is. De gevolgen van de overvloedige kantoor- en bedrijfshallenbouw rond de eeuwwisseling kan iedereen om zich heen zien. Het overschot aan fysieke winkelruimte wordt ook steeds duidelijker, en dat heeft niet alleen met V&D te maken.
Het zou de kwaliteit van ruimtelijke initiatieven helpen als ook informatie over bevolkingsontwikkeling, arbeidsmarkt, koopkracht etc. via de Laan van de Leefomgeving wordt ontsloten. Daarnaast draagt de laagdrempelige beschikbaarheid (huizen aan deze Laan kennen hopelijk geen drempels!) bij aan een transparanter besluitvormingsproces; betrokken burgers en andere stakeholders kunnen met de beschikbaarheid van dit soort informatie ruimtelijke initiatieven in hun achtertuin beter op waarde schatten. En het helpt de verantwoordelijke overheden om tot betere omgevingsplannen te komen die aansluiten bij actuele ontwikkelingen ten aanzien van woning- kantoren- en winkelmarkt.
Dus als er nog een kaveltje vrij is aan de Laan van de Leefomgeving: een Huis der Kansen zou een verrijking voor het straatbeeld zijn. Of dat huis door de overheid gebouwd mag worden valt nog te bezien; als een of meer commerciële geodata-aanbieders zo'n pakhuis kunnen neerzetten lijkt me dat ook prima. Al is het in dat verband wel wrang dat onlangs de "V&D van de geodata" (Bridgis) failliet is gegaan.
Labels:
GOAL,
laan van de leefomgeving,
omgevingswet,
planologie,
retail,
V&D,
winkels
Nieuwe postcodegrenzen geven greep op geodatakwaliteit (1)
De inkt van het -voor mij verrassende- bericht over het faillissement van geodatamakelaar Bridgis was nog niet droog of op diverse plekken ontstonden er discussies en initiatieven over het zélf vervaardigen van een bestand met postcodegrenzen. Niet dat erop dit moment in het geheel geen bronnen meer zijn voor zo'n bestand, bij mijn weten levert First Element nog steeds de Bridgis versie, terwijl Geodan al sinds jaar en dag zelf zo'n bestand maakt en vermarkt.
In de Nederlandse open source geo community werd de discussie of we geen crowdsourced 6 positie postcodevlakkenkaart zouden kunnen maken aangezwengeld door Jan-Willem van Aalst, en een weekje later zag ik dat Esri Nederland ook aan het experimenteren is met het zelf uitwerken van een algoritme om aan de hand van de BAG, het NWB en andere open data tot een landsdekkend 6-positie postcodevlakkenbestand te komen.
Los van de vraag over nut en noodzaak van het zelf maken van zo'n dataset, over eigenaarschap en hoe je een en ander "vermarkt" is zijn deze initiatieven erg interessant voor het thema datakwaliteit. Het is een prima oefening in het definiëren van kwaliteitsparameters: waar moet een 6-positie postcodevlak (en zijn "vader" en "grootvader", de 5- en 4-positie vlakken) eigenlijk aan voldoen?
Een primaire eis lijkt mij dat alle adrespunten van een 6-positie postcode binnen het resulterende vlak moeten liggen. Maar zelfs dat is niet altijd evident; de plaatsing van een verblijfsobjectpunt in de BAG is soms discutabel: neem je als BAG-beheerder de bij een appartement de locatie van de gemeenschappelijke ingang (vaak ook de locatie van de brievenbus) of prik je dat VBO-punt op het verblijfsobject zelf? Die 355 verblijfsobjecten in de 42 verdiepingen tellende Haagse Toren zijn op dat punt een mooie uitdaging! Zoek 'm maar op in de BAG-viewer: bij postcode 2516LX.
Voor het oog van de kaartlezer is het daarnaast prettig als de grenzen van de postcodegebieden er een beetje smakelijk uitzien: liefst geharmoniseerd met topografie wegen, spoorlijnen, rivieren en kanalen. En voor het koppelen van data ook handig als de grenzen waar mogelijk samenvallend met wijk- en buurtgrenzen zoals CBS en gemeenten die hanteren. Maar dat dan wel met zo min mogelijk vertices (tussenpunten): performance is immers ook een kwaliteit.
Historie opbouwen zou natuurlijk mooi zijn, maar dan leg ik de lat wel heel erg hoog; als ik er van uitgaan dat het een landsdekkend bestand moet opleveren ontkom je er niet aan dat bij het ontstaan van een nieuwe 6-positie postcode de buurvlakken iets van hun oorspronkelijke territorium moeten prijsgeven. O ja, wat is dan eigenlijk landsdekkend? Moet het IJsselmeer in 6-positie postcodes worden verkaveld? Het Hollands Diep? De Rijn, IJssel, Waal en Maas. Het Uddelermeertje?
Nog een stap verder redenerend kun je je afvragen waarvoor je eigenlijk een 6-positie vlakkenkaart zou willen toepassen. Voor het weergeven van een absoluut verschijnsel (bijvoorbeeld: aantal inwoners) is een figuratieve kaart beter geschikt, voor het weergeven van een relatief verschijnsel (zoals inwonerdichtheid) zou dit de extra eis opleveren dat de oppervlakte van de te maken postcodevlakken een direct relatie heeft met het aantal adressen (of nog scherper: verblijfsobjecten) in dat postcodegebiedje. Dat wordt wel heel complex. Mag ik die even parkeren?
Zoals u op de GeoBuzz kon merken is Alterra bezig met het opzetten van een framework waarmee de vraag "wat is datakwaliteit?" beter moet kunnen worden beantwoord. Misschien zijn deze bottom-up postcodegrenzen een leuke case: het vereist geen specifieke domeinkennis (over bijv. bodem, geluid of natuur), de discussie leeft al op diverse plekken, en is concreet genoeg om ook direct toepasbaar te zijn.
Ik ben er nog niet over uitgepraat, zoals de lezer aan de titel al merkte. Stay tuned voor meer aspecten, en voortschrijdend inzicht
In de Nederlandse open source geo community werd de discussie of we geen crowdsourced 6 positie postcodevlakkenkaart zouden kunnen maken aangezwengeld door Jan-Willem van Aalst, en een weekje later zag ik dat Esri Nederland ook aan het experimenteren is met het zelf uitwerken van een algoritme om aan de hand van de BAG, het NWB en andere open data tot een landsdekkend 6-positie postcodevlakkenbestand te komen.
Los van de vraag over nut en noodzaak van het zelf maken van zo'n dataset, over eigenaarschap en hoe je een en ander "vermarkt" is zijn deze initiatieven erg interessant voor het thema datakwaliteit. Het is een prima oefening in het definiëren van kwaliteitsparameters: waar moet een 6-positie postcodevlak (en zijn "vader" en "grootvader", de 5- en 4-positie vlakken) eigenlijk aan voldoen?
Een primaire eis lijkt mij dat alle adrespunten van een 6-positie postcode binnen het resulterende vlak moeten liggen. Maar zelfs dat is niet altijd evident; de plaatsing van een verblijfsobjectpunt in de BAG is soms discutabel: neem je als BAG-beheerder de bij een appartement de locatie van de gemeenschappelijke ingang (vaak ook de locatie van de brievenbus) of prik je dat VBO-punt op het verblijfsobject zelf? Die 355 verblijfsobjecten in de 42 verdiepingen tellende Haagse Toren zijn op dat punt een mooie uitdaging! Zoek 'm maar op in de BAG-viewer: bij postcode 2516LX.
Voor het oog van de kaartlezer is het daarnaast prettig als de grenzen van de postcodegebieden er een beetje smakelijk uitzien: liefst geharmoniseerd met topografie wegen, spoorlijnen, rivieren en kanalen. En voor het koppelen van data ook handig als de grenzen waar mogelijk samenvallend met wijk- en buurtgrenzen zoals CBS en gemeenten die hanteren. Maar dat dan wel met zo min mogelijk vertices (tussenpunten): performance is immers ook een kwaliteit.
Historie opbouwen zou natuurlijk mooi zijn, maar dan leg ik de lat wel heel erg hoog; als ik er van uitgaan dat het een landsdekkend bestand moet opleveren ontkom je er niet aan dat bij het ontstaan van een nieuwe 6-positie postcode de buurvlakken iets van hun oorspronkelijke territorium moeten prijsgeven. O ja, wat is dan eigenlijk landsdekkend? Moet het IJsselmeer in 6-positie postcodes worden verkaveld? Het Hollands Diep? De Rijn, IJssel, Waal en Maas. Het Uddelermeertje?
Nog een stap verder redenerend kun je je afvragen waarvoor je eigenlijk een 6-positie vlakkenkaart zou willen toepassen. Voor het weergeven van een absoluut verschijnsel (bijvoorbeeld: aantal inwoners) is een figuratieve kaart beter geschikt, voor het weergeven van een relatief verschijnsel (zoals inwonerdichtheid) zou dit de extra eis opleveren dat de oppervlakte van de te maken postcodevlakken een direct relatie heeft met het aantal adressen (of nog scherper: verblijfsobjecten) in dat postcodegebiedje. Dat wordt wel heel complex. Mag ik die even parkeren?
Zoals u op de GeoBuzz kon merken is Alterra bezig met het opzetten van een framework waarmee de vraag "wat is datakwaliteit?" beter moet kunnen worden beantwoord. Misschien zijn deze bottom-up postcodegrenzen een leuke case: het vereist geen specifieke domeinkennis (over bijv. bodem, geluid of natuur), de discussie leeft al op diverse plekken, en is concreet genoeg om ook direct toepasbaar te zijn.
Ik ben er nog niet over uitgepraat, zoals de lezer aan de titel al merkte. Stay tuned voor meer aspecten, en voortschrijdend inzicht
Labels:
6ppc,
BAG,
bridgis,
cartografie,
crowdsourcing,
geodata,
kwaliteit,
open source geo,
postcode
zondag 7 december 2014
De ene sector is de andere niet, of toch wel? Wat "geo" van "water" kan leren
Sinds dit voorjaar ben ik -onder de titel asset engineer data- werkzaam in de watersector. Om iets specifieker te zijn: in mijn geval is dat de drinkwatersector; ik doe bij PWN aan leidingbeheer.
Dat heeft me in contact gebracht met de GIN van de watersector: het Koninklijk Nederlands Waternetwerk (KNW).
Het is aardig om eens een vergelijking te maken tussen het KNW en de geo-beroepsvereniging GIN. De sectoren (voor zover je daar bij geo-"sector", zie een eerdere blogpost over kunt spreken) hebben een aantal overeenkomsten. Zo is de gemiddelde leeftijd van de werknemers in beide bedrijfstakken hoog. Ook zijn beide sectoren op vergelijkbare wijze divers: in de geosector heb je de klassieke indeling in "inwinners" en "toepassers", in het KNW zijn de mannen van de droge voeten (waterschappen), die van het vuile water (waterzuivering) en die van het schone water (drinkwater) broederlijk verenigd. Ik hanteer expres de term "Mannen", want net als in de geosector zijn Jan, Piet, Klaas ruimer vertegenwoordigd dan Willemijn, Roosmarijn en Sytske. Ook qua omvang zit het in dezelfde buurt: het GIN heeft iets meer dan 2000 leden, het KNW bijna 4000.
Zelfs qua doel lijken beide verenigingen op elkaar: KNW "slaat een brug tussen diverse disciplines in het werkveld van de watersector", GIN (iets minder bondig) "is een interactieve ontmoetingsplaats en vormt een toegankelijk kennisnetwerk voor iedereen die zich beroepsmatig bezighoudt met geo-informatie. GIN organiseert activiteiten en stimuleert en faciliteert haar leden kennis te delen en over te dragen ter ontplooiing van alle leden en ter versterking van de positie van het vakgebied geo-informatie in de maatschappij. GIN doet dit samen met anderen."
Een opvallend verschil is de rol van het vakblad: het inmiddels naar een tweemaandelijkse frequentie teruggebrachte Geo-Info is een uitgave van de vereniging GIN, terwijl de maandelijkse H2O Magazine een uitgave is van de stichting H2O. Bij H2O is de mix van analoog en digitaal verder ontwikkeld: het magazine en de H2O Online worden nadrukkelijk als twee communicerende delen gepositioneerd.
Voor de geosector in het algemeen en het bestuur van GIN en de redactie van Geo-Info in het bijzonder aardig om eens dieper in zo'n collega-organisatie en -vakblad te duiken. Blader bijvoorbeeld eens door de H2O Magazine van juli/augustus, Die werd aangeprezen als ICT special, waarbij opvalt dat vrijwel al die ICT op geo-informatie slaat. En dat terwijl de termen "geo-informatie" en "GIS" er nauwelijks in voorkomen!
Dat heeft me in contact gebracht met de GIN van de watersector: het Koninklijk Nederlands Waternetwerk (KNW).
Het is aardig om eens een vergelijking te maken tussen het KNW en de geo-beroepsvereniging GIN. De sectoren (voor zover je daar bij geo-"sector", zie een eerdere blogpost over kunt spreken) hebben een aantal overeenkomsten. Zo is de gemiddelde leeftijd van de werknemers in beide bedrijfstakken hoog. Ook zijn beide sectoren op vergelijkbare wijze divers: in de geosector heb je de klassieke indeling in "inwinners" en "toepassers", in het KNW zijn de mannen van de droge voeten (waterschappen), die van het vuile water (waterzuivering) en die van het schone water (drinkwater) broederlijk verenigd. Ik hanteer expres de term "Mannen", want net als in de geosector zijn Jan, Piet, Klaas ruimer vertegenwoordigd dan Willemijn, Roosmarijn en Sytske. Ook qua omvang zit het in dezelfde buurt: het GIN heeft iets meer dan 2000 leden, het KNW bijna 4000.
Zelfs qua doel lijken beide verenigingen op elkaar: KNW "slaat een brug tussen diverse disciplines in het werkveld van de watersector", GIN (iets minder bondig) "is een interactieve ontmoetingsplaats en vormt een toegankelijk kennisnetwerk voor iedereen die zich beroepsmatig bezighoudt met geo-informatie. GIN organiseert activiteiten en stimuleert en faciliteert haar leden kennis te delen en over te dragen ter ontplooiing van alle leden en ter versterking van de positie van het vakgebied geo-informatie in de maatschappij. GIN doet dit samen met anderen."
Een opvallend verschil is de rol van het vakblad: het inmiddels naar een tweemaandelijkse frequentie teruggebrachte Geo-Info is een uitgave van de vereniging GIN, terwijl de maandelijkse H2O Magazine een uitgave is van de stichting H2O. Bij H2O is de mix van analoog en digitaal verder ontwikkeld: het magazine en de H2O Online worden nadrukkelijk als twee communicerende delen gepositioneerd.
Voor de geosector in het algemeen en het bestuur van GIN en de redactie van Geo-Info in het bijzonder aardig om eens dieper in zo'n collega-organisatie en -vakblad te duiken. Blader bijvoorbeeld eens door de H2O Magazine van juli/augustus, Die werd aangeprezen als ICT special, waarbij opvalt dat vrijwel al die ICT op geo-informatie slaat. En dat terwijl de termen "geo-informatie" en "GIS" er nauwelijks in voorkomen!
Labels:
drinkwater,
geo-info,
geo-informatie,
GIN,
H2O,
KNW,
vakblad,
waterschappen,
watersector
zondag 30 november 2014
Samen op de Open GeoBuzz
Afgelopen week was de Nederlandse geosector bijeen in 1931 (zeg maar: de Brabanthallen) in 's-Hertogenbosch om daar in 2 dagen met z'n 2000-en te beurzen, congressen, talken, workshoppen, netwerken en anderszins informatie uit te wisselen. Te "Geobuzzen", dus.
Tijdens het avondprogramma kwam in de talkshow van De Speld ter sprake of de geosector het nou moest willen om zich hier specifiek onder "soortgenoten" te verzamelen. Of was het beter om de deuren naar de buitenwereld, waar geo een onderdeel van een toepassing is, verder open te zetten?
Daar merk je weer dat de geosector 2 kanten kent. Ten eerste de inwinningskant: landmeetkunde en geodesie, basisregistraties. Je zou het de back-office van de sector kunnen noemen. Die kant verricht die inwinnnigsactiviteiten ten behoeve van de andere kant van de geosector, het deel dat zich bezig houdt met de toepassingen, de front-end. Daar zitten de geospecialisten die -naar je mag hopen- geregeld contact hebben met de geobehoeftigen uit ruimtelijke ordening, de watersector, de gezondheidszorg en noem maar op.
Marco Duiker (van MD-kwadraat) had daar een aardige analyse over, die op het volgende neerkwam: We zijn als geosector heel goed in het omarmen van die verschillende toepassingen. Zelfs zo goed dat we niet zeggen "wij kunnen u hierbij helpen", maar "geeft dat probleem maar gauw hier, want dat is een geo-probleem. U hoort nog wel van ons". Een geo-centrische aanpak die doet vermoeden dat de geosector de ultieme wijsheid in pacht heeft.
Er zit een parallel met de discussie die we binnen de Nederlandse OSGeo-community hadden over het als OSGeo.nl wel of niet deelnemen aan de GeoBuzz. Sommige OSGeo.nl-ers gaven en geven de voorkeur aan een evenement waar je als aanhangers van het Open Source model "onder elkaar" bent. Daarbij wordt er ook gerefereerd aan de sfeer op het jaarlijkse FOSS4G, waar een kleine 1000 deelnemers elkaar niet alleen tijdens presentaties tegenkomen, maar ook tussendoor, tijdens de lunch, in de wandelgangen of 's avonds nog eens even de laptop openklappen om een nieuwe release van een QGis plug-in een stap dichterbij te brengen. Dat is misschien ook wel het verschil tussen een beurs of congres met bezoekers en een evenement met deelnemers. Passief tegenover actief.
Door de jaarlijkse OSGeo.nl dag wél als onderdeel van de GeoBuzz te houden, maar dit in een aparte (en zeer fraaie) zaal te doen hebben we naar ik hoop een mix weten te bereiken van "behoud van eigen identiteit" en "aanspreken van een breder publiek". De komende weken zullen we de bezoekers, herstel: déélnemerscijfers eens onder de loep nemen om te kijken of we echt een breder publiek hebben laten kennismaken met Open Source geo. Zowel met de producten als met de mensen!
Nog even terug naar de geosector als geheel. In de eerder dit jaar door overheid, bedrijfsleven en wetenschap uitbrachte visie "GeoSamen" worden onder de noemer "beter benutten" 5 sectoren genoemd waar met geo nog een hoop valt te winnen. Zorg, energie, water, ruimte en mobiliteit, ze hebben alle vijf ook hun eigen vakcongressen. Dáár als geosector niet alleen met individuele stands maar ook collectief aanwezig zijn kan het verschil maken.
Tijdens het avondprogramma kwam in de talkshow van De Speld ter sprake of de geosector het nou moest willen om zich hier specifiek onder "soortgenoten" te verzamelen. Of was het beter om de deuren naar de buitenwereld, waar geo een onderdeel van een toepassing is, verder open te zetten?
Daar merk je weer dat de geosector 2 kanten kent. Ten eerste de inwinningskant: landmeetkunde en geodesie, basisregistraties. Je zou het de back-office van de sector kunnen noemen. Die kant verricht die inwinnnigsactiviteiten ten behoeve van de andere kant van de geosector, het deel dat zich bezig houdt met de toepassingen, de front-end. Daar zitten de geospecialisten die -naar je mag hopen- geregeld contact hebben met de geobehoeftigen uit ruimtelijke ordening, de watersector, de gezondheidszorg en noem maar op.
Marco Duiker (van MD-kwadraat) had daar een aardige analyse over, die op het volgende neerkwam: We zijn als geosector heel goed in het omarmen van die verschillende toepassingen. Zelfs zo goed dat we niet zeggen "wij kunnen u hierbij helpen", maar "geeft dat probleem maar gauw hier, want dat is een geo-probleem. U hoort nog wel van ons". Een geo-centrische aanpak die doet vermoeden dat de geosector de ultieme wijsheid in pacht heeft.
Er zit een parallel met de discussie die we binnen de Nederlandse OSGeo-community hadden over het als OSGeo.nl wel of niet deelnemen aan de GeoBuzz. Sommige OSGeo.nl-ers gaven en geven de voorkeur aan een evenement waar je als aanhangers van het Open Source model "onder elkaar" bent. Daarbij wordt er ook gerefereerd aan de sfeer op het jaarlijkse FOSS4G, waar een kleine 1000 deelnemers elkaar niet alleen tijdens presentaties tegenkomen, maar ook tussendoor, tijdens de lunch, in de wandelgangen of 's avonds nog eens even de laptop openklappen om een nieuwe release van een QGis plug-in een stap dichterbij te brengen. Dat is misschien ook wel het verschil tussen een beurs of congres met bezoekers en een evenement met deelnemers. Passief tegenover actief.
Door de jaarlijkse OSGeo.nl dag wél als onderdeel van de GeoBuzz te houden, maar dit in een aparte (en zeer fraaie) zaal te doen hebben we naar ik hoop een mix weten te bereiken van "behoud van eigen identiteit" en "aanspreken van een breder publiek". De komende weken zullen we de bezoekers, herstel: déélnemerscijfers eens onder de loep nemen om te kijken of we echt een breder publiek hebben laten kennismaken met Open Source geo. Zowel met de producten als met de mensen!
Nog even terug naar de geosector als geheel. In de eerder dit jaar door overheid, bedrijfsleven en wetenschap uitbrachte visie "GeoSamen" worden onder de noemer "beter benutten" 5 sectoren genoemd waar met geo nog een hoop valt te winnen. Zorg, energie, water, ruimte en mobiliteit, ze hebben alle vijf ook hun eigen vakcongressen. Dáár als geosector niet alleen met individuele stands maar ook collectief aanwezig zijn kan het verschil maken.
Labels:
foss4g,
geobusiness,
geobuzz. geosamen,
GIS,
open source geo,
osgeo.nl
donderdag 13 november 2014
Functioneel beheer? Kill your darlings!
Niet ingegeven door hedendaagse IS-gruwelen in het Midden-Oosten, ook niet door de herdenking van de Groote Oorlog mensengehaktmolen van 100 jaar geleden, maar waarom dan wel deze moordlustige titel?
De kreet kwam voorbij tijdens de GeoBuzz-sprekersvoorbereidingsdag die ik vorige week volgde. Van oorsprong bekend uit de schrijverswereld, maar daarmee ook toepasbaar bij het voorbereiden van een presentatie: je oorspronkelijke concrte idee of voorbeeld waar je je presentatie aan ophangt is je "darling". Het idee van "kill your darlings" is dat het wéglaten van die oorspronkelijke aanleiding je betoog, verhaal, presentatie, of zelfs film vaak sterker maakt: daarmee laat je het incident weg, en daarmee komt de generieke boodschap (die je zelf tijdens het schrijven van dit specifieke incident hebt afgeleid) des te sterker over.
Deze week bedacht ik dat dit ook vaak geldt voor het functioneel beheer *) van al die mooie GIS-oplossingen. Als beheerder zijn we zó verliefd geworden op die -vaak in moeizame samenwerking met de plaatselijke ICT-afdeling gerealiseerde- oplossing dat het in stand houden van die technische oplossing een doel op zich is geworden. En dat we daarmee uit het beeld zijn verloren voor welk probleem (uit de business, het primaire proces, de werkvloer) die GIS-viewer, app of anderszins fraaie geo-applicatie ook alweer een oplossing was.
Het bloed, zweet en tranen waarmee je je plaatselijke GIS-viewer of een landelijke voorziening als PDOK tot stand is gekomen neemt het zicht wel eens weg op de vraag of de behoefte van de gebruikers überhaupt nog wel bestaat, en zo ja, waarmee je die behoefte moet faciliteren. Da's een zelfde soort blinde vlek als die van de cartograaf die de kaart als werkelijkheid ziet, in plaats van als model van de werkelijkheid.
In onze GIS-niche zien we maar al te vaak dat degene die betrokken is bij de ontwikkeling van een GIS oplossing ook een belangrijke rol in het beheer krijgt. Tja, dan wordt het wel lastig om die eigen "darling" te "killen". Wat meer afstand tussen ontwikkeling en beheer kan helpen om continue met een frisse, kritische blik naar de GIS-oplossing te kijken.
Fijn voorbeeld uit de grote boze buitenwereld is de telefooncel. Die voorzag oorspronkelijk in een behoefte omdat mensen thuis geen telefoon hadden, vervolgens -vanaf de jaren 70- in een behoefte voor reizigers die onderweg een belletje wilden plegen, en na de van jong-tot-oud doorbraak van de mobiele telefonie in . Waarna staatssecretaris Heemskerk in 2008 de verplichting schrapte dat de KPN per 5000 inwoners 1 telefooncel moest exploiteren. Het aanbieden van een goed dekkend mobiel netwerk is sinds die tijd een zinvollere invulling van de functionele behoefte "aanbieden van telefonie op wisselende locaties". Inmiddels heeft KPN de laatste telefooncellen overgedragen aan RBL Telecom. Tot mijn verbazing exploiteert die nog ruim 400 telefooncellen, met een opvallend ongelijke dekking over Nederland die allerlei vragen oproept:
Wat doet die telefooncel in het Markermeer? En een telefooncel in de Schrijversstraat (Almere) vind ik ook een geweldige locatie! Is er dan toch nog markt voor een telefooncelvinder-app?
*) Zelf spreek ik liever van functionaliteitenbeheer dan van functioneel beheer, maar ik conformeer me voor deze keer nog aan de algemeen gebruikte term.
De kreet kwam voorbij tijdens de GeoBuzz-sprekersvoorbereidingsdag die ik vorige week volgde. Van oorsprong bekend uit de schrijverswereld, maar daarmee ook toepasbaar bij het voorbereiden van een presentatie: je oorspronkelijke concrte idee of voorbeeld waar je je presentatie aan ophangt is je "darling". Het idee van "kill your darlings" is dat het wéglaten van die oorspronkelijke aanleiding je betoog, verhaal, presentatie, of zelfs film vaak sterker maakt: daarmee laat je het incident weg, en daarmee komt de generieke boodschap (die je zelf tijdens het schrijven van dit specifieke incident hebt afgeleid) des te sterker over.
Deze week bedacht ik dat dit ook vaak geldt voor het functioneel beheer *) van al die mooie GIS-oplossingen. Als beheerder zijn we zó verliefd geworden op die -vaak in moeizame samenwerking met de plaatselijke ICT-afdeling gerealiseerde- oplossing dat het in stand houden van die technische oplossing een doel op zich is geworden. En dat we daarmee uit het beeld zijn verloren voor welk probleem (uit de business, het primaire proces, de werkvloer) die GIS-viewer, app of anderszins fraaie geo-applicatie ook alweer een oplossing was.
Het bloed, zweet en tranen waarmee je je plaatselijke GIS-viewer of een landelijke voorziening als PDOK tot stand is gekomen neemt het zicht wel eens weg op de vraag of de behoefte van de gebruikers überhaupt nog wel bestaat, en zo ja, waarmee je die behoefte moet faciliteren. Da's een zelfde soort blinde vlek als die van de cartograaf die de kaart als werkelijkheid ziet, in plaats van als model van de werkelijkheid.
In onze GIS-niche zien we maar al te vaak dat degene die betrokken is bij de ontwikkeling van een GIS oplossing ook een belangrijke rol in het beheer krijgt. Tja, dan wordt het wel lastig om die eigen "darling" te "killen". Wat meer afstand tussen ontwikkeling en beheer kan helpen om continue met een frisse, kritische blik naar de GIS-oplossing te kijken.
Fijn voorbeeld uit de grote boze buitenwereld is de telefooncel. Die voorzag oorspronkelijk in een behoefte omdat mensen thuis geen telefoon hadden, vervolgens -vanaf de jaren 70- in een behoefte voor reizigers die onderweg een belletje wilden plegen, en na de van jong-tot-oud doorbraak van de mobiele telefonie in . Waarna staatssecretaris Heemskerk in 2008 de verplichting schrapte dat de KPN per 5000 inwoners 1 telefooncel moest exploiteren. Het aanbieden van een goed dekkend mobiel netwerk is sinds die tijd een zinvollere invulling van de functionele behoefte "aanbieden van telefonie op wisselende locaties". Inmiddels heeft KPN de laatste telefooncellen overgedragen aan RBL Telecom. Tot mijn verbazing exploiteert die nog ruim 400 telefooncellen, met een opvallend ongelijke dekking over Nederland die allerlei vragen oproept:
Wat doet die telefooncel in het Markermeer? En een telefooncel in de Schrijversstraat (Almere) vind ik ook een geweldige locatie! Is er dan toch nog markt voor een telefooncelvinder-app?
*) Zelf spreek ik liever van functionaliteitenbeheer dan van functioneel beheer, maar ik conformeer me voor deze keer nog aan de algemeen gebruikte term.
Labels:
functioneel beheer,
gis-viewer,
KPN,
telefooncel
woensdag 29 oktober 2014
Voorbij de Omgevingswet: de kruispunten van de Laan van de Leefomgeving
Toen ik nog in de schoolbanken van de Tilburgse Stappegoorweg en de Utrechte Vondellaan zat was in de colleges planologie en ruimtelijke ordening onderstaande schema zo ongeveer les één:
Dit schema gaf aan wat de rol en positie van ruimtelijke ordening is: het behandelt één facet van diverse sectoren (verkeer en vervoer, defensie, landbouw, natuur). Net zoals als die sectoren ook onder meer een economisch en een juridisch facet kennen. Daarmee werd ruimtelijke ordening als integrator tussen diverse sectoren neergezet. De sectoren zijn daarbij leidend. Dat GIS als integrator vanouds in de ruimtelijke ordening wordt gebruikt is niet zo vreemd, het ruimtelijk domein is de logische plek om de kracht van geo-informatie als verbindend element tot zijn recht te laten komen.
Inmiddels is in alle sectoren ook voor de eigen primaire processen het gebruik van ruimtelijke informatiesystemen vanzelfsprekend. De verkeer en vervoer sector doet aan ongevallenregistratie, dynamisch verkersmanagement en wegonderhoud, in de watersector gebruiken de waterschappen geo-informatie ten behoeve van dijkbeheer, de drinkwaterbedrijven hebben allemaal een leidinginformatiesysteem, de milieusector kent zijn meetnetten en modellen voor luchtkwaliteit en ga zo maar door. Het zal zo'n beetje de eeuwwisseling zijn geweest dat het zwaartepunt van de GIS toepassingen verschoven van de integrerende, facet-geörienteerde toepassingen naar de sectorale geo-informatiesystemen.
Momenteel wordt er aan gewerkt de sectorale versnippering tegen te gaan door diverse sectorale wetten (zoals de Tracéwet en de Wet geluidhinder) samen te voegen in de nieuwe Omgevingswet. Een zegen voor de geo-informatie, want daarmee krijgt de aloude droom van geo als superglue waarmee de ruimtelijke facetten van de diverse sectoren aan elkaar worden verbonden spontaan een wettelijke basis. Onder de titel : "Laan van de Leefomgeving" werkt het programma GOAL aan een samenhangend stelsel van informatiehuizen. Zojuist is de programmadefinitie hiervoor verschenen.. Dat is absoluut een leesuurtje waard. Het doel van GOAL is om bestaande informatiesystemen te verbinden. Interessant, want dat betekent dat GOAL een sectoroverstijgende, integrale geo-informatie-architectuur moet opstellen. Daarvoor is afgelopen zomer een architectuurdocument opgesteld (vooruit, nog 20 extra minuten leespauze).
Als medewerker van een drinkwaterbedrijf valt het me op dat uit het rijtje informatiehuizen het informatiehuis water zich zo te zien alleen met het droge voeten bezig houdt. Je hoeft maar een slinger aan de kraan te geven om je te realiseren dat er ook water is dat niet bedreigend is. Dat heeft er ongetwijfeld mee te maken dat voor de Laan van de Leefomgeving het perspectief van de Omgevingswet leidend is. Maar ook voor allerlei processen in de diverse sectoren van de Laan van de Leefomgeving een rol vervullen in de informatievoorziening. In iedere sector is er vroeg of laat informatie nodig uit andere sectoren, ook buiten het kader van de Omgevingswet. Zo wordt met het programma KlicWin niet alleen beoogd te komen tot een betere WION-procesondersteuningen en te voldoen aan de Inspire-vereisten maar ook om "de KLICinformatiehuishouding van ondergrondse netten meer te verbinden met aanpalende thema’s en ontwikkelingen in de ruimtelijke informatievoorziening". Strikt genomen is dat geen Laan van de Leefomgeving, maar het is wel een "geo-informatiestraat" die aan de Laan grenst.
Het is uitermate interessant om vanuit de Laan van de Leefomgeving in de richting van alle sectoren te verkennen waar de eigen "sectorale informatiestraten" de Laan van de Leefomgeving kruisen. Het zou zonde zijn als we die kruispunten niet herkennen, waardoor het ongelijkvloerse kruisingen blijven.
Die kruispunten hebben immer de potentie om uit te groeien tot informatiepleinen waar de kracht van geo-informatie volop zichtbaar wordt!
Dit schema gaf aan wat de rol en positie van ruimtelijke ordening is: het behandelt één facet van diverse sectoren (verkeer en vervoer, defensie, landbouw, natuur). Net zoals als die sectoren ook onder meer een economisch en een juridisch facet kennen. Daarmee werd ruimtelijke ordening als integrator tussen diverse sectoren neergezet. De sectoren zijn daarbij leidend. Dat GIS als integrator vanouds in de ruimtelijke ordening wordt gebruikt is niet zo vreemd, het ruimtelijk domein is de logische plek om de kracht van geo-informatie als verbindend element tot zijn recht te laten komen.
Inmiddels is in alle sectoren ook voor de eigen primaire processen het gebruik van ruimtelijke informatiesystemen vanzelfsprekend. De verkeer en vervoer sector doet aan ongevallenregistratie, dynamisch verkersmanagement en wegonderhoud, in de watersector gebruiken de waterschappen geo-informatie ten behoeve van dijkbeheer, de drinkwaterbedrijven hebben allemaal een leidinginformatiesysteem, de milieusector kent zijn meetnetten en modellen voor luchtkwaliteit en ga zo maar door. Het zal zo'n beetje de eeuwwisseling zijn geweest dat het zwaartepunt van de GIS toepassingen verschoven van de integrerende, facet-geörienteerde toepassingen naar de sectorale geo-informatiesystemen.
Momenteel wordt er aan gewerkt de sectorale versnippering tegen te gaan door diverse sectorale wetten (zoals de Tracéwet en de Wet geluidhinder) samen te voegen in de nieuwe Omgevingswet. Een zegen voor de geo-informatie, want daarmee krijgt de aloude droom van geo als superglue waarmee de ruimtelijke facetten van de diverse sectoren aan elkaar worden verbonden spontaan een wettelijke basis. Onder de titel : "Laan van de Leefomgeving" werkt het programma GOAL aan een samenhangend stelsel van informatiehuizen. Zojuist is de programmadefinitie hiervoor verschenen.. Dat is absoluut een leesuurtje waard. Het doel van GOAL is om bestaande informatiesystemen te verbinden. Interessant, want dat betekent dat GOAL een sectoroverstijgende, integrale geo-informatie-architectuur moet opstellen. Daarvoor is afgelopen zomer een architectuurdocument opgesteld (vooruit, nog 20 extra minuten leespauze).
Als medewerker van een drinkwaterbedrijf valt het me op dat uit het rijtje informatiehuizen het informatiehuis water zich zo te zien alleen met het droge voeten bezig houdt. Je hoeft maar een slinger aan de kraan te geven om je te realiseren dat er ook water is dat niet bedreigend is. Dat heeft er ongetwijfeld mee te maken dat voor de Laan van de Leefomgeving het perspectief van de Omgevingswet leidend is. Maar ook voor allerlei processen in de diverse sectoren van de Laan van de Leefomgeving een rol vervullen in de informatievoorziening. In iedere sector is er vroeg of laat informatie nodig uit andere sectoren, ook buiten het kader van de Omgevingswet. Zo wordt met het programma KlicWin niet alleen beoogd te komen tot een betere WION-procesondersteuningen en te voldoen aan de Inspire-vereisten maar ook om "de KLICinformatiehuishouding van ondergrondse netten meer te verbinden met aanpalende thema’s en ontwikkelingen in de ruimtelijke informatievoorziening". Strikt genomen is dat geen Laan van de Leefomgeving, maar het is wel een "geo-informatiestraat" die aan de Laan grenst.
Het is uitermate interessant om vanuit de Laan van de Leefomgeving in de richting van alle sectoren te verkennen waar de eigen "sectorale informatiestraten" de Laan van de Leefomgeving kruisen. Het zou zonde zijn als we die kruispunten niet herkennen, waardoor het ongelijkvloerse kruisingen blijven.
Die kruispunten hebben immer de potentie om uit te groeien tot informatiepleinen waar de kracht van geo-informatie volop zichtbaar wordt!
zondag 26 oktober 2014
De voetbalkaart van Nederland toont bijzondere spreiding én concentratie van voetbalfans
Er is al minstens een tweetal keer in het tijdschrift Geografie in beeld gebracht hoe groot het marktaandeel van de Nederlandse BVO's (betaald voetbal organisaties, zeg maar: de clubs uit ere- en eerste divisie) is. In 2006 schreven Trudo DeJonghe en Sjef van Hoof onder te titel "Over slapende reuzen en wakkere dwergen" voor het eerst over de marktaandelen, in 2010 constateerde Henk van Houtum in hetzelfde blad dat "de provincie" (FC Groningen, AZ, FC Twente) qua marktaandeel een flinke groeispurt had doorgemaakt.
Daarvoor werd het aantal seizoenskaarthouder per club per 4-positiepostcodegebied in beeld gebracht. Zowel in 2006 als in 2010 was dat een statische kaart.
Dagblad Tubantia heeft nu hetzelfde gedaan, maar dan met een interactieve kaart. Het leuke is dat je nu je per betaald voetbalclub, per postcode kunt kijken hoeveel trouwe fans er wonen. Dat levert leuke inzichten op.
Die grote aantallen Ajaxfans door heel Nederland geloof ik wel even, ik stortte me op de kleine clubs. Die hebben veelal een regionale aanhang, maar bij FC Oss viel het me wel op dat er in hoofddorp-Zuid (postcode 2132) maar liefst 52 seizoenskaartbezitter van de Brabantse club wonen. Telstar, toch geen club met een bovenmatig aantal seizoenskaarthouders, blijkt 3 vaste fans in het Botlekgebied te hebben wonen. En dat terwijl er in totaal 5 mensen in dat postcodegebied wonen! Da's nog eens een marktaandeel! Nu blijkt het hele Rotterdamse havengebied voetbalgek te zijn, want de 5 inwoners van de Europoort (postcode 3198) bezitten in totaal maar liefst 26 seizoenskaarten (van NAC, Feyenoord en Ajax) en op de Maasvlakte (3199) is ondanks het feit dat hier niemand woont toch goed voor 24 seizoenskaarten van de club uit Rotterdam-Zuid.
't Is geen typisch Rotterdams fenomeen, want ook in het hoofdstedelijk Westelijk Havengebied en op de nationale luchthaven Schiphol komt het aantal seizoenskaarthouder ruim boven het aantal inwoners uit. Opvallendste postcodegebied in dit verband is 1101. Dat is het 75 inwoners tellende kantorengebied in Amsterdam-Zuidoost, waar maar liefst 142 seizoenskaarthouder wonen. Gezien het feit dat Ajax hier zijn thuiswedstrijden speelt (in de Arena) is het helemaal bijzonder te zien dat er zich onder die 142 zelfs 7 Feyenoordaanhangers bevinden. Kortom, er lijkt wat vervuiling in de seizoenskaarthouderdatabase te zitten.
Zo biedt de voetbalkaart heel wat stof tot nadenken. Ik ga proberen me iets voor te stellen bij die ene Roda JC-fan uit Anna Paulowna. 't Is dat de koempels en de Sjengen elkaar niet zo liggen, anders dat hij (of zij?) mooi een club van excentrische supporters kunnen vormen met die ene MVV-fan uit Koudum.
Daarvoor werd het aantal seizoenskaarthouder per club per 4-positiepostcodegebied in beeld gebracht. Zowel in 2006 als in 2010 was dat een statische kaart.
Dagblad Tubantia heeft nu hetzelfde gedaan, maar dan met een interactieve kaart. Het leuke is dat je nu je per betaald voetbalclub, per postcode kunt kijken hoeveel trouwe fans er wonen. Dat levert leuke inzichten op.
Die grote aantallen Ajaxfans door heel Nederland geloof ik wel even, ik stortte me op de kleine clubs. Die hebben veelal een regionale aanhang, maar bij FC Oss viel het me wel op dat er in hoofddorp-Zuid (postcode 2132) maar liefst 52 seizoenskaartbezitter van de Brabantse club wonen. Telstar, toch geen club met een bovenmatig aantal seizoenskaarthouders, blijkt 3 vaste fans in het Botlekgebied te hebben wonen. En dat terwijl er in totaal 5 mensen in dat postcodegebied wonen! Da's nog eens een marktaandeel! Nu blijkt het hele Rotterdamse havengebied voetbalgek te zijn, want de 5 inwoners van de Europoort (postcode 3198) bezitten in totaal maar liefst 26 seizoenskaarten (van NAC, Feyenoord en Ajax) en op de Maasvlakte (3199) is ondanks het feit dat hier niemand woont toch goed voor 24 seizoenskaarten van de club uit Rotterdam-Zuid.
't Is geen typisch Rotterdams fenomeen, want ook in het hoofdstedelijk Westelijk Havengebied en op de nationale luchthaven Schiphol komt het aantal seizoenskaarthouder ruim boven het aantal inwoners uit. Opvallendste postcodegebied in dit verband is 1101. Dat is het 75 inwoners tellende kantorengebied in Amsterdam-Zuidoost, waar maar liefst 142 seizoenskaarthouder wonen. Gezien het feit dat Ajax hier zijn thuiswedstrijden speelt (in de Arena) is het helemaal bijzonder te zien dat er zich onder die 142 zelfs 7 Feyenoordaanhangers bevinden. Kortom, er lijkt wat vervuiling in de seizoenskaarthouderdatabase te zitten.
Zo biedt de voetbalkaart heel wat stof tot nadenken. Ik ga proberen me iets voor te stellen bij die ene Roda JC-fan uit Anna Paulowna. 't Is dat de koempels en de Sjengen elkaar niet zo liggen, anders dat hij (of zij?) mooi een club van excentrische supporters kunnen vormen met die ene MVV-fan uit Koudum.
Labels:
BVO,
FC Oss,
geografie,
geomarketing,
marktaandeel,
MVV,
Roda,
Tubantia,
voetbal
zondag 5 oktober 2014
Met geo-informatie (en zonder privacy) word je de beste gemeente van Nederland
Op sociale en old-school media een hit: het PinkRoccade promo-filmpje "de adviseur van de toekomst". Via wearables en andere sensoren, en door het het koppelen van databestanden (GBA) aan actuele informatie (de aanwezigheid van @&#!marokkanen die niet in jouw witte wijk wonen, ik vertáál het PinkRoccade filmpje maar even...) komt oom agent met zijn collega in zijn dienstauto langs om de situatie te checken.
Nu zie ik de prioriteiten van de politie in de participatiemaatschappij van 2020 niet direct liggen bij dit soort situaties, maar de gedachte er achter is natuurlijk helemaal creepy. Films als Das Leben der Anderen (over de Oostduitse Staatssicherheitdienst vallen in het niet bij het Orwelliaanse toekomstperspectief dat PinkRoccade de gemeenten biedt: zo word je de beste gemeente van Nederland!
Want we kunnen zien wie zich ophoudt op een plaats waar hij niet thuishoort. Hup, terug naar je eigen ghetto, en snel een beetje. Geldt voor iedere bevolkingsgroep hoor: Dus ook "Hé white boy, what you're doin' downtown", zoals Lou Reed ooit zong. Nog beter: doe vooral niets dat buiten de normen valt, normen die onder invloed van Big Data meer en meer verworden tot "dat wat de grootste gemene burger denkt en doet". Kleur vooral niet buiten de lijntjes. Nog sterker: dénk zelfs niet aan buiten de lijntjes kleuren.
Dit lijkt mij de snelste weg naar het uitbannen van creativiteit. Het af en toe buiten de gebaande paden denken en doen is juist immers wat de mensheid onderscheid van die andere leden van het dierenrijk.
Leuk voor de geosector dat locatie hier zo'n doorslaggevende rol speelt. Misschien moeten de vakken "privacy" en "ethiek maar eens een plaats krijgen in het curriculum van de geo-opleidingen.
Want we kunnen zien wie zich ophoudt op een plaats waar hij niet thuishoort. Hup, terug naar je eigen ghetto, en snel een beetje. Geldt voor iedere bevolkingsgroep hoor: Dus ook "Hé white boy, what you're doin' downtown", zoals Lou Reed ooit zong. Nog beter: doe vooral niets dat buiten de normen valt, normen die onder invloed van Big Data meer en meer verworden tot "dat wat de grootste gemene burger denkt en doet". Kleur vooral niet buiten de lijntjes. Nog sterker: dénk zelfs niet aan buiten de lijntjes kleuren.
Dit lijkt mij de snelste weg naar het uitbannen van creativiteit. Het af en toe buiten de gebaande paden denken en doen is juist immers wat de mensheid onderscheid van die andere leden van het dierenrijk.
Leuk voor de geosector dat locatie hier zo'n doorslaggevende rol speelt. Misschien moeten de vakken "privacy" en "ethiek maar eens een plaats krijgen in het curriculum van de geo-opleidingen.
Labels:
gemeenten,
geo-informatie,
internet of things,
locatie,
pinkroccade,
privacy,
sensoren
Mapping decline: De neergang van de cartografie te boek gesteld
Een dikke maand geleden schreef ik vol enthousiasme over de website die het boek "Mapping decline" begeleidt. Mapping decline beschrijft de exemplarische neergang van de Amerikaanse stad St. Louis. Het boek wordt alom geprezen om het veelvuldige gebruik van kaarten om die neergang te duiden. Inmiddels is het boek de oceaan overgestoken en op mijn nachtkastje belandt.
Ik zal er maar niet omheen draaien: het is qua cartografie een bittere teleurstelling. Kaarten zonder schaalstok of andere aanduiding die me iets zou kunnen zeggen over de afstanden waarover de "white flight" vanuit downtow St. Louis naar suburbia plaats heeft.
Geen topografie, waardoor ik nauwelijks idee heb waar parken, en spoorlijnen etc. liggen. O nee, er stat in het begin een soort van topografische kaart, waarin echter een zodanige projectie is gebruikt dat het klassieke Amerikaanse rechthoekige stratenpatroon tot een soort parallellogram is verworden.
Twee kaarten die in een spread over 2 pagina's hetzelfde thema in 2 verschillende decennia belichten, maar met de kaarten 90 graden gedraaid ten opzichte van elkaar. (zie afbeelding)
Titels die onder de kaart staan zodat ze in de binding van het boek verdwijnen (en ik de pagina's los moet trekken om de titel te kunnen lezen). Maar ook knullige zaken, zoals onbedoelde verschillen in lijndikten van polygonen binnen een kaart.
Hier is iemand lekker met (Arc-)GIS aan het stoeien geweest, maar de uitgever vond het niet nodig een cartograaf op deze verzamelingen gekleurde polygonen los te laten. Besides that, ik had graag een aantal kaarten in dit boek ingeleverd ten faveure van wat fotomateriaal die de wonderbaarlijke en treurige neergang van St. Louis beter zou illustreren.
Zo lijkt "Mapping decline" niet alleen de neergang van St. Louis te beschrijven, maar nog meer een illustratie te zijn van de neergang van de cartografie in het (post-)GIS tijdperk.
Maar mijn mening over de website "Mapping decline" houd ik overeind!
Ik zal er maar niet omheen draaien: het is qua cartografie een bittere teleurstelling. Kaarten zonder schaalstok of andere aanduiding die me iets zou kunnen zeggen over de afstanden waarover de "white flight" vanuit downtow St. Louis naar suburbia plaats heeft.
Geen topografie, waardoor ik nauwelijks idee heb waar parken, en spoorlijnen etc. liggen. O nee, er stat in het begin een soort van topografische kaart, waarin echter een zodanige projectie is gebruikt dat het klassieke Amerikaanse rechthoekige stratenpatroon tot een soort parallellogram is verworden.
Twee kaarten die in een spread over 2 pagina's hetzelfde thema in 2 verschillende decennia belichten, maar met de kaarten 90 graden gedraaid ten opzichte van elkaar. (zie afbeelding)
Titels die onder de kaart staan zodat ze in de binding van het boek verdwijnen (en ik de pagina's los moet trekken om de titel te kunnen lezen). Maar ook knullige zaken, zoals onbedoelde verschillen in lijndikten van polygonen binnen een kaart.
Hier is iemand lekker met (Arc-)GIS aan het stoeien geweest, maar de uitgever vond het niet nodig een cartograaf op deze verzamelingen gekleurde polygonen los te laten. Besides that, ik had graag een aantal kaarten in dit boek ingeleverd ten faveure van wat fotomateriaal die de wonderbaarlijke en treurige neergang van St. Louis beter zou illustreren.
Zo lijkt "Mapping decline" niet alleen de neergang van St. Louis te beschrijven, maar nog meer een illustratie te zijn van de neergang van de cartografie in het (post-)GIS tijdperk.
Maar mijn mening over de website "Mapping decline" houd ik overeind!
Labels:
cartografie,
GIS,
kaarten,
St. Louis,
stadsvernieuwing
woensdag 1 oktober 2014
Boterhammen met pindakaas (en een glas melk)
Vandaag viel het blijde bericht in mijn postbus dat CMedia (uitgever van GISMagazine, en organisator van de geovakbeurs "GeoEvent" per direct partner wordt in de organisatie van het GeoBuzz congres. GeoBuzz is de door GIN en GeoBusiness opgezette opvolger van het aloude GIN-congres Het heeft op 25 en 26 november plaats in congrescentrum 1931 in 's-Hertogenbosch. Al u er naar toe gaat: vergeet de Bossche bollen (de echte, van Jan de Groot) niet.
Ik vind die samenwerking een heel goede stap. Ten eerste denk ik dat ons kikkerlandje te klein is voor twee geovakbeurzen of -congressen. Ten tweede hoop ik dat hiermee de samenwerking tussen de twee geovaktijdschriften die ons land rijk is, en soms direct na elkaar in mijn brievenbus vallen, ook een stap dichterbij komt.
Die tijdschriften kunnen elkaar namelijk prima aanvullen, GIS Magazine met toegankelijke artikelen over bestaande oplossingen voor de opgaven van het hier en nu, Geo-Info met vaak complexere schrijfsels waarin oplossingsrichtingen worden beschreven voor vraagstukken waarvan je nog maar nauwelijks weet dat ze bestaan.
Ja, natuurlijk zit er een heel andere verdien- en organisatiemodel achter (Geo-Info is immers een verenigingsblad, terwijl CMedia een commerciële uitgever is). Maar met zo'n samenwerking zou er ook prima invulling kunnen worden gegeven aan de ambities zoals die in het geo-beleidsplan GeoSamen zijn neergepend: daarin is de driehoek (tja, geodeten hé) met overheid-bedrijfsleven-onderwijs&wetenschap de basis om geo nog verder uit te nutten.
En als nu u toch naar de GeoBuzz komt, breng dan op 25 november vooral een bezoek aan de OSGeo.nl dag die we dit jaar binnen de muren van de GeoBuzz organiseren. Daar geven we vanuit een open source perspectief ruimte aan bedrijfsleven, onderwijs en wetenschap, en ik denk dat we ook nog wel een relevante overheidsdienaar in ons programma weven.
Dan is GeoBuzz de boterham, CMedia de pindakaas, en vervullen we als Stichting OSGeo.nl met plezier de rol van melk, zoals in deze klassieker:
Ik vind die samenwerking een heel goede stap. Ten eerste denk ik dat ons kikkerlandje te klein is voor twee geovakbeurzen of -congressen. Ten tweede hoop ik dat hiermee de samenwerking tussen de twee geovaktijdschriften die ons land rijk is, en soms direct na elkaar in mijn brievenbus vallen, ook een stap dichterbij komt.
Die tijdschriften kunnen elkaar namelijk prima aanvullen, GIS Magazine met toegankelijke artikelen over bestaande oplossingen voor de opgaven van het hier en nu, Geo-Info met vaak complexere schrijfsels waarin oplossingsrichtingen worden beschreven voor vraagstukken waarvan je nog maar nauwelijks weet dat ze bestaan.
Ja, natuurlijk zit er een heel andere verdien- en organisatiemodel achter (Geo-Info is immers een verenigingsblad, terwijl CMedia een commerciële uitgever is). Maar met zo'n samenwerking zou er ook prima invulling kunnen worden gegeven aan de ambities zoals die in het geo-beleidsplan GeoSamen zijn neergepend: daarin is de driehoek (tja, geodeten hé) met overheid-bedrijfsleven-onderwijs&wetenschap de basis om geo nog verder uit te nutten.
En als nu u toch naar de GeoBuzz komt, breng dan op 25 november vooral een bezoek aan de OSGeo.nl dag die we dit jaar binnen de muren van de GeoBuzz organiseren. Daar geven we vanuit een open source perspectief ruimte aan bedrijfsleven, onderwijs en wetenschap, en ik denk dat we ook nog wel een relevante overheidsdienaar in ons programma weven.
Dan is GeoBuzz de boterham, CMedia de pindakaas, en vervullen we als Stichting OSGeo.nl met plezier de rol van melk, zoals in deze klassieker:
Labels:
Bert en Ernie,
cmedia,
geo-info,
geobusiness,
geobuzz,
geosamen,
gis magazine,
osgeo.nl,
pindakaas
vrijdag 12 september 2014
Vergeet Geodesign, verwelkom geo-enabled design-thinking.
Een jaar gelden schreef ik twee posts over geodesign. Toen had ik veel moeite om geodesign te plaatsen: wat is geodesign anders dan ruimtelijk ontwerp, wat we al tientallen jaren doen?
Nota bene op de slotdag van de European GeoDesign Summit 2014 (waar ik zelf niet aanwezig ben, beroepsmatig doe ik weinig meer op dit vlak) kan ik geodesign ineens wél plaatsen. Bij deze mijn bijdrage aan de Summit.
Waarom valt nu het kwartje? In essentie: door "geo" even opzij te schuiven!
Via mijn huidige werk bij drinkwaterbedrijf PWM kwam ik op het spoor van het concept "Design Thinking". Bottom line: laat je niet leiden door wat niet mogelijk is, maar laat je inspireren door wat wel mogelijk zou kunnen zijn. Denk in kansen, niet in belemmeringen of beperkingen.
Toegespitst op ruimtelijke vraagstukken is dat zo'n beetje de omslag van toelatingsplanologie (in de tijd van de Rijksplanologische Dienst - veelal onder ministers van sociaaldemocratische huize op Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) naar ontwikkelingsplanologie (post-RPD, veelal met liberale Ministers op het VROM-pluche). En in de 21e eeuw doen we aan gebiedsontwikkeling, een coproductie met álle betrokken partijen (in geodesign termen: samen met the people of the place).
Strikt genomen zou geodesgin voor 2 dingen kunnen staan: a) voor ontwerp ("design") dat betrekking heeft op de ruimte ("geo") en b) voor het toepassingen van geo-ict technieken ("geo") in ontwerpprocessen ("design"). Die tweede invulling zal trouwens altijd betrekking zal hebben op een ruimtelijk vraagstuk (ik zie tenminste niet in hoe Geodesign het ontwerp van pakweg de nieuwe iPhone kan helpen).
Waarom dan toch "geo" in Geodesign? Doe dat nou niet, zo trekken we een generieke term weer in ons eigen kleine geohoekje (of: geohokje). We spreken inmiddels toch ook niet meer over geo-informatie, maar over de locatie-component van informatie?
Dus: vergeet geodesign, verwelkom geo-enabled design-thinking.
Nota bene op de slotdag van de European GeoDesign Summit 2014 (waar ik zelf niet aanwezig ben, beroepsmatig doe ik weinig meer op dit vlak) kan ik geodesign ineens wél plaatsen. Bij deze mijn bijdrage aan de Summit.
Waarom valt nu het kwartje? In essentie: door "geo" even opzij te schuiven!
Via mijn huidige werk bij drinkwaterbedrijf PWM kwam ik op het spoor van het concept "Design Thinking". Bottom line: laat je niet leiden door wat niet mogelijk is, maar laat je inspireren door wat wel mogelijk zou kunnen zijn. Denk in kansen, niet in belemmeringen of beperkingen.
Toegespitst op ruimtelijke vraagstukken is dat zo'n beetje de omslag van toelatingsplanologie (in de tijd van de Rijksplanologische Dienst - veelal onder ministers van sociaaldemocratische huize op Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) naar ontwikkelingsplanologie (post-RPD, veelal met liberale Ministers op het VROM-pluche). En in de 21e eeuw doen we aan gebiedsontwikkeling, een coproductie met álle betrokken partijen (in geodesign termen: samen met the people of the place).
Strikt genomen zou geodesgin voor 2 dingen kunnen staan: a) voor ontwerp ("design") dat betrekking heeft op de ruimte ("geo") en b) voor het toepassingen van geo-ict technieken ("geo") in ontwerpprocessen ("design"). Die tweede invulling zal trouwens altijd betrekking zal hebben op een ruimtelijk vraagstuk (ik zie tenminste niet in hoe Geodesign het ontwerp van pakweg de nieuwe iPhone kan helpen).
Waarom dan toch "geo" in Geodesign? Doe dat nou niet, zo trekken we een generieke term weer in ons eigen kleine geohoekje (of: geohokje). We spreken inmiddels toch ook niet meer over geo-informatie, maar over de locatie-component van informatie?
Dus: vergeet geodesign, verwelkom geo-enabled design-thinking.
Labels:
Carl Steinitz,
design thinking,
geodesign,
MinIenM,
RPD,
ruimtelijk ontwerp
zondag 7 september 2014
It is dienmakke! De BAG zit in OpenStreetMap
Afeglopen zaterdag reisde een groep OpenStreetMap enthousiastelingen naar De Fabriek in Leeuwarden om daar de laatste hand te leggen aan de import van de BAG panden en adressen in OpenStreetMap (OSM). Weinig volbloed Friezen overigens, maar met een introductierondje bleek dat iedereen wel een historische band ("ik ben wel eens in Harlingen geweest") met Friesland had .
Ik ga er van uit dat ik bij de lezer het bestaan van OpenStreetMap niet hoef te introduceren. Wel is het handig te weten dat er ruwweg 3 manieren zijn waarop OpenStreetMap kan worden bijgehouden.
Gewapend met GPS wandelend of fietsen op pad, en onderweg nieuwe wegen en paden signaleren, nieuwe Points-of-Interest markeren etc. In landmeetkundige terminologie terrestrische inmeting, in OSM-taal "warme mapping". Al is die laatste term in guur novemberweer misschien wat vreemd. De aldus ingewonnen data wordt bij terugkomst op de thuisbasis (bij moeder de vrouw, of op buitenlandse hotelkamer) verwerkt en definitief in OSM gezet.
Het winterseizoen leent zich wellicht meer voor het thuis bij de kachel en met de poes op schoot aan de hand van luchtfoto's (BING, PDOK) intekenen van nieuwe of veranderde objecten. Deze fotogrammetrische vorm van OSM-data-inwinning is in Nederland minder relevant. De OSM-datadichtheid is al groot, en de wijzigingen in paden en lanen worden vaak sneller in het terrein opgemerkt en aangepast, dan via de vertragende omweg van luchtfoto's van enkele jaren oud. Maar misschien dat het begin 2015 via PDOK beschikbaar komen van luchtfotos'uit 2014 deze vorm van mapping ook in ons land nieuwe perspectieven biedf.
De derde vorm is de vorm waar ik in deze post wat dieper op in ga, het importeren van andere datasets.
In de Nederlandse OSM-historie zijn er 2 grote imports van externe data geweest. De eerste was het offer you can't refuse van autonavigatiebedrijf AND, dat in 2007 haar toenmalige dataset van Nederland, China en India ter integrale opname aanbood. Daarmee werd de Nederlandse in een klap van vele witte vlekken naar een landsbreed goed gevuld raamwerk van wegen. Wat bij veel mappers enthousiasme ontlokte om dan ook de fiets- en wandelpaden in OSM te krijgen.
Een tweede importgolf kwam in 2010. Het Amsterdamse adviesbureau ObjectVision had enige jaren daarvoor in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving op basis van het AHN-1 en de Top10vector ten behoeve van het project GESO het 3DShapes bestand ontwikkeld, en dit er download up hun site aangeboden. uit de top een Na wat juridisch getouwtrek werd duidelijk dat 3D shapes inderdaad rechtenvrij (public domain) in OSM geïmporteerd kon worden. Daarmee veranderde het aanzien van OSM van alleen een wegenkaart naar een compleet topografisch bestand met bebouwingscontouren, grazige weilanden, vruchtbare akkers en eeuwig ruisende wouden.
Op de open data golf die sinds enige jaren ons land overspoeld kwam de BAG als een lekker hapje in beeld van de OSM-mappers. Rond 2011 verschenen de eerst suggesties op het OSM-forum om iets met de BAG te gaan doen. Likkebaardend vanwege de smaakvolle detaillering van middeleeuwse kathedralen zoals de Sint Jan. (zie ook in de OpenTopo kaarten van Jan-Willem van Aalst). Maar ook als vernieuwing van de toch al flink verouderde bebouwing uit 3DShapes. Die was immers gebaseerd op de Top10vector uit 2007, wat met de toenmalige updatefrequentie neerkwam op een bronjaar van pakweg 2005. Een periode waarin in suburbia de Vinexhuizen nog als paddenstoelen uit de grond schoten.
Niet alleen de eye-candy van die pandcontouren uit de BAG is interessant. De adressen zijn misschien nog wel waardevoller. Er zijn bovenop OpenStreetMap diverse routezoekers ontwikkeld. Om te zorgen dat je aan de goede kant van de Haagse Laan van Meerdervoort uitkomt is het wel erg handig als niet alleen straatnamen maar ook huisnummers in OSM zijn opgenomen. Weliswaar hadden sommige mappers al met de hand huisnummer toegevoegd, maar een import van de BAG is een heel aantrekkelijke manier om die 10 miljoen adressen in OSM te krijgen.
Op basis van flinke discussie op het forum en in een tweetal real-life sessies eind 2013 in Utrecht en voorjaar 2014 in Duivendrecht is er een methodiek ontwikkeld om de import gecontroleerd te laten verlopen. Geen niets ontziende import, maar onderzoekt alle dingen en behoudt het goede als leidraad. Een aanpak waar de Data Working Group (DWG) van de OpenStreetMap foundation ook op toe ziet (Ja, OpenStreetMap is veel gestructureerder en georganiseerder dan velen denken!). De complete werkwijze is vastgelegd op de Wiki, voor wie het nog eens wil naspelen.
Zo'n import roept allerlei vragen op. Moet je het überhaupt wel willen (ja: met name voor die routezoekerij is het wel erg handig als de data in OSM zélf zit), hoe ga je het bijhouden (de relevante ID's zijn mee-geïmporteerd uit de BAG, de methodiek wordt nog verder ontwikkeld), en wat is de volgende stap? De OSM-community kijkt nu al uit naar de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). Ik betwijfel of die net zo'n meerwaarde heeft. Waarom zou je OSM belasten met topografische detail voor een schaalniveau van pakweg 1:1000, terwijl OSM voor gebruik te voet, te paard of op de fiets eerder een 1:10.000 - 1:50.000 karakter heeft. Aan de andere kant, je ziet in OSM allerlei micro-mapping ontstaan, zoals in Artis en de Efteling.waar het BGT-detailniveau wel een handige basis voor is. We gaan het zien, want het leuke van OSM is juist dat de toekomst niet in beton is gegoten.
Die import deed ook op een andere manier de wenkbrouwen fronsen. De geometrievalidatie in OSM liegt er niet om, waardoor in sommige gemeenten het alarm erg vaak afging bij panden die elkaar een paar centimeter overlappen. Blijkbaar staan (sommige) BAG-beheer applicaties dat toe. Ook kwam de OSM-importeurs diverse gebouwen tegen die inmiddels niet meer bestaan. Met een serie terugmeldingen is met deze import actie de BAG zelf ook verbeterd.
Da's een mooie bijvangst, maar de mooiste bijvangst is dat alle acties rond deze import de Nederlandse OSM-community wat meer body heeft gegeven. Daar kan voor de verdere ontwikkeling van OSM in Nederland best wat moois uitkomen.
Ik ga er van uit dat ik bij de lezer het bestaan van OpenStreetMap niet hoef te introduceren. Wel is het handig te weten dat er ruwweg 3 manieren zijn waarop OpenStreetMap kan worden bijgehouden.
Gewapend met GPS wandelend of fietsen op pad, en onderweg nieuwe wegen en paden signaleren, nieuwe Points-of-Interest markeren etc. In landmeetkundige terminologie terrestrische inmeting, in OSM-taal "warme mapping". Al is die laatste term in guur novemberweer misschien wat vreemd. De aldus ingewonnen data wordt bij terugkomst op de thuisbasis (bij moeder de vrouw, of op buitenlandse hotelkamer) verwerkt en definitief in OSM gezet.
Het winterseizoen leent zich wellicht meer voor het thuis bij de kachel en met de poes op schoot aan de hand van luchtfoto's (BING, PDOK) intekenen van nieuwe of veranderde objecten. Deze fotogrammetrische vorm van OSM-data-inwinning is in Nederland minder relevant. De OSM-datadichtheid is al groot, en de wijzigingen in paden en lanen worden vaak sneller in het terrein opgemerkt en aangepast, dan via de vertragende omweg van luchtfoto's van enkele jaren oud. Maar misschien dat het begin 2015 via PDOK beschikbaar komen van luchtfotos'uit 2014 deze vorm van mapping ook in ons land nieuwe perspectieven biedf.
De derde vorm is de vorm waar ik in deze post wat dieper op in ga, het importeren van andere datasets.
In de Nederlandse OSM-historie zijn er 2 grote imports van externe data geweest. De eerste was het offer you can't refuse van autonavigatiebedrijf AND, dat in 2007 haar toenmalige dataset van Nederland, China en India ter integrale opname aanbood. Daarmee werd de Nederlandse in een klap van vele witte vlekken naar een landsbreed goed gevuld raamwerk van wegen. Wat bij veel mappers enthousiasme ontlokte om dan ook de fiets- en wandelpaden in OSM te krijgen.
Een tweede importgolf kwam in 2010. Het Amsterdamse adviesbureau ObjectVision had enige jaren daarvoor in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving op basis van het AHN-1 en de Top10vector ten behoeve van het project GESO het 3DShapes bestand ontwikkeld, en dit er download up hun site aangeboden. uit de top een Na wat juridisch getouwtrek werd duidelijk dat 3D shapes inderdaad rechtenvrij (public domain) in OSM geïmporteerd kon worden. Daarmee veranderde het aanzien van OSM van alleen een wegenkaart naar een compleet topografisch bestand met bebouwingscontouren, grazige weilanden, vruchtbare akkers en eeuwig ruisende wouden.
Op de open data golf die sinds enige jaren ons land overspoeld kwam de BAG als een lekker hapje in beeld van de OSM-mappers. Rond 2011 verschenen de eerst suggesties op het OSM-forum om iets met de BAG te gaan doen. Likkebaardend vanwege de smaakvolle detaillering van middeleeuwse kathedralen zoals de Sint Jan. (zie ook in de OpenTopo kaarten van Jan-Willem van Aalst). Maar ook als vernieuwing van de toch al flink verouderde bebouwing uit 3DShapes. Die was immers gebaseerd op de Top10vector uit 2007, wat met de toenmalige updatefrequentie neerkwam op een bronjaar van pakweg 2005. Een periode waarin in suburbia de Vinexhuizen nog als paddenstoelen uit de grond schoten.
Niet alleen de eye-candy van die pandcontouren uit de BAG is interessant. De adressen zijn misschien nog wel waardevoller. Er zijn bovenop OpenStreetMap diverse routezoekers ontwikkeld. Om te zorgen dat je aan de goede kant van de Haagse Laan van Meerdervoort uitkomt is het wel erg handig als niet alleen straatnamen maar ook huisnummers in OSM zijn opgenomen. Weliswaar hadden sommige mappers al met de hand huisnummer toegevoegd, maar een import van de BAG is een heel aantrekkelijke manier om die 10 miljoen adressen in OSM te krijgen.
Op basis van flinke discussie op het forum en in een tweetal real-life sessies eind 2013 in Utrecht en voorjaar 2014 in Duivendrecht is er een methodiek ontwikkeld om de import gecontroleerd te laten verlopen. Geen niets ontziende import, maar onderzoekt alle dingen en behoudt het goede als leidraad. Een aanpak waar de Data Working Group (DWG) van de OpenStreetMap foundation ook op toe ziet (Ja, OpenStreetMap is veel gestructureerder en georganiseerder dan velen denken!). De complete werkwijze is vastgelegd op de Wiki, voor wie het nog eens wil naspelen.
Zo'n import roept allerlei vragen op. Moet je het überhaupt wel willen (ja: met name voor die routezoekerij is het wel erg handig als de data in OSM zélf zit), hoe ga je het bijhouden (de relevante ID's zijn mee-geïmporteerd uit de BAG, de methodiek wordt nog verder ontwikkeld), en wat is de volgende stap? De OSM-community kijkt nu al uit naar de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). Ik betwijfel of die net zo'n meerwaarde heeft. Waarom zou je OSM belasten met topografische detail voor een schaalniveau van pakweg 1:1000, terwijl OSM voor gebruik te voet, te paard of op de fiets eerder een 1:10.000 - 1:50.000 karakter heeft. Aan de andere kant, je ziet in OSM allerlei micro-mapping ontstaan, zoals in Artis en de Efteling.waar het BGT-detailniveau wel een handige basis voor is. We gaan het zien, want het leuke van OSM is juist dat de toekomst niet in beton is gegoten.
Die import deed ook op een andere manier de wenkbrouwen fronsen. De geometrievalidatie in OSM liegt er niet om, waardoor in sommige gemeenten het alarm erg vaak afging bij panden die elkaar een paar centimeter overlappen. Blijkbaar staan (sommige) BAG-beheer applicaties dat toe. Ook kwam de OSM-importeurs diverse gebouwen tegen die inmiddels niet meer bestaan. Met een serie terugmeldingen is met deze import actie de BAG zelf ook verbeterd.
Da's een mooie bijvangst, maar de mooiste bijvangst is dat alle acties rond deze import de Nederlandse OSM-community wat meer body heeft gegeven. Daar kan voor de verdere ontwikkeling van OSM in Nederland best wat moois uitkomen.
zaterdag 23 augustus 2014
Webcartografie zonder franje: "Mapping decline"
Vorig jaar beleefden we de opkomst van de term "story telling maps". Afgelopen week kwam ik daarvan een mooi "real-life" voorbeeld tegen.
Naar aanleiding van de rellen in de Amerikaanse suburb Ferguson, voorstad van St-Louis verscheen in NRC Next een artikel over de achtergrond van de rellen. Daarbij werd verwezen naar het boek "Mapping decline" van Colin Gordon, waarin aan de hand van ruim 70 kaarten de teloorgang van St. Louis wordt beschreven. White flight, verdeling van werk en inkomen, stadsvernieuwing, het komt allemaal aan bod.Het boek zelf heb ik in bestelling, dus de recensie houdt u nog tegoed.
Maar de bijbehorende website is het bezichtigen ook waard. van een viertal thema's wordt in heldere kaarten de toestand in beeld gebracht. Met behulp van een time-slider kan van 1940 tot nu per decennium de ontwikkeling worden bekeken. Per thema wordt in 1 of 2 alinea's duiding gegeven bij wat je ziet. Desgewenst kunnen grenzen en wegen als kaartlagen aan en uit worden gezet, en er kunnen -locatiegebonden- achtergronddocumenten worden opgevraagd.
Ik houd hier erg van: de boodschap staat centraal, de techniek is daaraan ondergeschikt. De kaarten zijn dynamisch (want met factor tijd) én interactief (je kunt lagen aan of uit zetten) maar verzuipen niet in goedbedoelde maar overbodige geo-ict trucs. Er komt dan ook geen ArcGIS Online, OpenLayers of Leaflet aan de presentatie te pas: gewoon één png per kaartbeeld, die met wat javascript aan en uit worden gezet. Inzoomen of uitzoomen kan niet, maar is ook niet nodig, nee, zelfs niet wenselijk.
Less is more, no frills of in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister zijn termen die hier van toepassing zijn. Cartografie zonder franje, zou ik het in het Nederlands noemen. Ik lust hier wel meer van!
Naar aanleiding van de rellen in de Amerikaanse suburb Ferguson, voorstad van St-Louis verscheen in NRC Next een artikel over de achtergrond van de rellen. Daarbij werd verwezen naar het boek "Mapping decline" van Colin Gordon, waarin aan de hand van ruim 70 kaarten de teloorgang van St. Louis wordt beschreven. White flight, verdeling van werk en inkomen, stadsvernieuwing, het komt allemaal aan bod.Het boek zelf heb ik in bestelling, dus de recensie houdt u nog tegoed.
Maar de bijbehorende website is het bezichtigen ook waard. van een viertal thema's wordt in heldere kaarten de toestand in beeld gebracht. Met behulp van een time-slider kan van 1940 tot nu per decennium de ontwikkeling worden bekeken. Per thema wordt in 1 of 2 alinea's duiding gegeven bij wat je ziet. Desgewenst kunnen grenzen en wegen als kaartlagen aan en uit worden gezet, en er kunnen -locatiegebonden- achtergronddocumenten worden opgevraagd.
Ik houd hier erg van: de boodschap staat centraal, de techniek is daaraan ondergeschikt. De kaarten zijn dynamisch (want met factor tijd) én interactief (je kunt lagen aan of uit zetten) maar verzuipen niet in goedbedoelde maar overbodige geo-ict trucs. Er komt dan ook geen ArcGIS Online, OpenLayers of Leaflet aan de presentatie te pas: gewoon één png per kaartbeeld, die met wat javascript aan en uit worden gezet. Inzoomen of uitzoomen kan niet, maar is ook niet nodig, nee, zelfs niet wenselijk.
Less is more, no frills of in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister zijn termen die hier van toepassing zijn. Cartografie zonder franje, zou ik het in het Nederlands noemen. Ik lust hier wel meer van!
Labels:
cartografie,
Ferguson,
open data,
St. Louis,
storytelling map
zondag 3 augustus 2014
ArcGIS Pro: we're introducing three revolutionary products?
"Today, we're introducing three revolutionary products. The first one is a
widescreen iPod with touch controls. The second is a revolutionary
mobile phone. And the third is a breakthrough Internet communications
device. So, three things: a widescreen iPod with touch controls, a
revolutionary mobile phone, and a breakthrough Internet communications
device. An iPod, a phone, and an Internet communicator. An iPod, a
phone...are you getting it? These are not three separate devices. This
is one device. And we are calling it iPhone. Today, Apple is going to
reinvent the phone."
Met die woorden introduceerde Steve Jobs de iPhone op de MacWorld in 2007. Het zou leuk zijn geweest als esri's CEO Jack Dangermond op soortgelijke wijze ArcGIS Pro had aangekondigd op de Esri User Conference. "Today; we're introducing three revolutionary products. The first one is a application to easily create beautiful maps with multiple views and layouts. The second is a revolutionary way to view and design landscapes in 2D en 3D. And the third is a breakthrough way to share and collaborate on your geospatial information with others, accross the internet.". Zoiets. Want het wordt door Esri wel als de optelsom van de functionaliteiten van de drie bestaande desktopproducten ArcMap, ArcScene en ArcGlobe gepositioneerd.
In plaats daarvan was op de UC 2013 al een uitgebreide preview gegeven door opper-developer Jim McKinney gegeven. En ook nu ligt ArcGIS Pro nog niet in de "winkels", als het dit jaar onder de kerstboom ligt mag je je handjes al dichtknijpen, dus de GisTech 2015 is waarschijnlijk het eerste Nederlandse event waar dit flagship product in definitieve vorm te aanschouwen is.
Afgaande op wat ik er op de door Esri-Nederland en de ArcGIS gebruikersgroep AGGN prima georganiseerde en informatieve "Hot News from San Diego" terugblik op de User Conference over hoorde is ArcGIS Pro ook niet zo revolutionary. Zo zit die ribbon interface zit al jaren in Esri's ArcGIS Explorer en is dit jaar al in de concurrenten Geomedia en Mapinfo geïntroduceerd. 64 bit? Eerder finally dan revolutionary. De multiple views en layouts roepen herinneringen op aan eind vorige eeuw toen we dat met ArcView 3.x al hadden. Eigenlijk is alleen de 3D integratie echt vernieuwend.
Als we de Esri-timeline bekijken zien we ieder 10-15 jaar zo'n breekpunt. ArcGIS als opvolger van goold-old ArcInfo Workstation voor al uw analysewerk. Al lag er tussen de introductie van ArcGIS 8.0 eind 1999 en de echte doorbraak er van (met versie 9, met het volledige geoprocessing framework) bijna 5 jaar. Ook voor mapping doeleinden had ArcGIS een paar jaar nodig om ArcView 3.3 (die met die multiple lay-outs) van de troon te stoten. laat ArcGIS Pro dus ook nog maar een paar jaar rijpen.
Allemaal uiteindelijk wel erg ingrijpende overgangen, met kenmerkte interfaces (de commandline van Workstation, de op Neuron Data gebaseerde interface van 3.x), met eigen programmeeromgevingen (spreekt u nog AML of Avenue?. Doet u aan extensies of juist aan add-ins?). Eigenlijk zo ingrijpend dat de overgang qua impact niet of nauwelijks onderdoet voor een competitive upgrade; van ArcGIS naar QGis, bijvoorbeeld.
Ook bij iedere major step een overgang naar een ander preferred data formaat: de coverage in workstation, werd de shapefile in 3.x, werd de file geodatabase in ArcGIS. Ik heb nog niet gehoord wat ArcGIS Pro als native file-format gaat hanteren. Geopackage wellicht? Dát zou het alsnog een revolutionary product maken
Met die woorden introduceerde Steve Jobs de iPhone op de MacWorld in 2007. Het zou leuk zijn geweest als esri's CEO Jack Dangermond op soortgelijke wijze ArcGIS Pro had aangekondigd op de Esri User Conference. "Today; we're introducing three revolutionary products. The first one is a application to easily create beautiful maps with multiple views and layouts. The second is a revolutionary way to view and design landscapes in 2D en 3D. And the third is a breakthrough way to share and collaborate on your geospatial information with others, accross the internet.". Zoiets. Want het wordt door Esri wel als de optelsom van de functionaliteiten van de drie bestaande desktopproducten ArcMap, ArcScene en ArcGlobe gepositioneerd.
In plaats daarvan was op de UC 2013 al een uitgebreide preview gegeven door opper-developer Jim McKinney gegeven. En ook nu ligt ArcGIS Pro nog niet in de "winkels", als het dit jaar onder de kerstboom ligt mag je je handjes al dichtknijpen, dus de GisTech 2015 is waarschijnlijk het eerste Nederlandse event waar dit flagship product in definitieve vorm te aanschouwen is.
Afgaande op wat ik er op de door Esri-Nederland en de ArcGIS gebruikersgroep AGGN prima georganiseerde en informatieve "Hot News from San Diego" terugblik op de User Conference over hoorde is ArcGIS Pro ook niet zo revolutionary. Zo zit die ribbon interface zit al jaren in Esri's ArcGIS Explorer en is dit jaar al in de concurrenten Geomedia en Mapinfo geïntroduceerd. 64 bit? Eerder finally dan revolutionary. De multiple views en layouts roepen herinneringen op aan eind vorige eeuw toen we dat met ArcView 3.x al hadden. Eigenlijk is alleen de 3D integratie echt vernieuwend.
Als we de Esri-timeline bekijken zien we ieder 10-15 jaar zo'n breekpunt. ArcGIS als opvolger van goold-old ArcInfo Workstation voor al uw analysewerk. Al lag er tussen de introductie van ArcGIS 8.0 eind 1999 en de echte doorbraak er van (met versie 9, met het volledige geoprocessing framework) bijna 5 jaar. Ook voor mapping doeleinden had ArcGIS een paar jaar nodig om ArcView 3.3 (die met die multiple lay-outs) van de troon te stoten. laat ArcGIS Pro dus ook nog maar een paar jaar rijpen.
Allemaal uiteindelijk wel erg ingrijpende overgangen, met kenmerkte interfaces (de commandline van Workstation, de op Neuron Data gebaseerde interface van 3.x), met eigen programmeeromgevingen (spreekt u nog AML of Avenue?. Doet u aan extensies of juist aan add-ins?). Eigenlijk zo ingrijpend dat de overgang qua impact niet of nauwelijks onderdoet voor een competitive upgrade; van ArcGIS naar QGis, bijvoorbeeld.
Ook bij iedere major step een overgang naar een ander preferred data formaat: de coverage in workstation, werd de shapefile in 3.x, werd de file geodatabase in ArcGIS. Ik heb nog niet gehoord wat ArcGIS Pro als native file-format gaat hanteren. Geopackage wellicht? Dát zou het alsnog een revolutionary product maken
Labels:
AGGN,
arcgis for desktop,
arcgis pro,
arcmap,
arcview,
geopackage,
iPhone,
qgis
OSPM - het Open Source Participation Model
Een interessant artikel in de GIS magazine waarmee we de zomer doorkomen. Onder de titel "hoe te kiezen" beschrijven Luuk Schaminee en Harco de Jager (beiden werkzaam bij Ordina) over het traject waarmee de provincie Noord-Holland een gefundeerde keuze wil maken tussen diverse open source compenenten om daarmee een deel van de provinciale geo-infrastructuur mee in te richten.
Een vraag waar veel organisaties mee zitten: is Mapserver nu een betere (of scherper gesteld: voor mijn organisatie geschikter) mapping server dan GeoServer of Deegree, is Mapcache te verkiezen boven MapProxy of GeoWebCache voor mijn tile-caches.
(Nu hoor al wat mensen zeggen: het gaat niet om "of-of", maar je haalt er het meeste uit met "en-en", maar ik kan me wens wel voorstellen om het provinciale geo-applicatielandschap niet net zo gevarieerd te maken als het Noord-Hollandse landschap zélf).
In het artikel wordt beschreven hoe met het Open Source Maturity Model (OSMM) de volwassenheid van de diverse communities die de open source producten ontwikkelen wordt gemeten, en -het lijkt mesje 2 van Gilette wel- met het Open Product Selection Process (OPSP) in de hand de geschiktheid -getoetst aan je eigen gebruikerswensen- kan worden gescoord. (Details over de 2 modellen vind je op de site van Ordina).
Een interessante benadering. Toch mis ik er een belangrijk aspect aan.
De diverse open source producten (of moet ik zeggen: de producten van de diverse communities) worden naar mijn idee met OPSP vooral benaderd als producten met een afgebakende fucntionaliteit, waarbij OSMM als garantie moet dienen voor het levensvatbaarheid van de community voor onderhoud en support.
Wat ik mis is een score die aangeeft hoe groot de kans is dat ik mijn functionele wensen en/of eisen -als die nog niet in een product aanwezig zijn- in een nabije release kan verwelkomen. Daarbij ga ik er gemakshalve van uit dat je vooral mee wilt werken aan de verdere ontwikkeling van het product zélf, en minder gericht bent op het starten van een eigen afsplitsing ("fork") van de software. Is de "wishlist" enigszins in overeenstemming met mijn eigen wensen, en kan ik de verwezenlijking er van positief beïnvloeden door mensen uit mijn eigen organisatie, of ingehuurd door mijn organisatie- in de community in te zetten? Eigenlijk de afweging: wat is mijn return-on-investment in een open source community?
Zo hoeft zelfs een must-have functionaliteit bij een open source product niet persé tot een knock-out bij pakketselectie te leiden. Als het zelf (laten) toevoegen van die functionaliteit eenvoudig mogelijk is (en dat bij voorkeur in de volgende standaard release mee komt) kan een product toch hoog scoren.
Misschien wel het beste voorbeeld hiervan is het een paar jaar terug in opdracht van de Ordnance Survey door Boundless laten uitbreiden van Geoserver zodat Geoserver volledig ana de Inspire eisen voldoet. De Ordnance Survey blij, omdat zo zo bij het hun vertrouwde Geoserver konden blijven én aan de Inspire eisen voldoen, u en ik blij omdat we de webservice van de Ordnance Survey soepel kunnen gebruiken, en alle andere Geoserver gebruikende partijen die ook Inspire verplichtingen hebben (zoals de provincie Noord-Holland) blij omdat zij op deze ontwikkeling kunnen meeliften.
Misschien dat daarvoor naast het OSMM en het OPSP nog een derde model kan worden ingevoerd Ik zou dat het Open Source Participation Model (OSPM) willen dopen, dat beschrijft in hoeverre een organisatie in staat is de mogelijkheden van open source volledig uit te nutten.
Een vraag waar veel organisaties mee zitten: is Mapserver nu een betere (of scherper gesteld: voor mijn organisatie geschikter) mapping server dan GeoServer of Deegree, is Mapcache te verkiezen boven MapProxy of GeoWebCache voor mijn tile-caches.
(Nu hoor al wat mensen zeggen: het gaat niet om "of-of", maar je haalt er het meeste uit met "en-en", maar ik kan me wens wel voorstellen om het provinciale geo-applicatielandschap niet net zo gevarieerd te maken als het Noord-Hollandse landschap zélf).
In het artikel wordt beschreven hoe met het Open Source Maturity Model (OSMM) de volwassenheid van de diverse communities die de open source producten ontwikkelen wordt gemeten, en -het lijkt mesje 2 van Gilette wel- met het Open Product Selection Process (OPSP) in de hand de geschiktheid -getoetst aan je eigen gebruikerswensen- kan worden gescoord. (Details over de 2 modellen vind je op de site van Ordina).
Een interessante benadering. Toch mis ik er een belangrijk aspect aan.
De diverse open source producten (of moet ik zeggen: de producten van de diverse communities) worden naar mijn idee met OPSP vooral benaderd als producten met een afgebakende fucntionaliteit, waarbij OSMM als garantie moet dienen voor het levensvatbaarheid van de community voor onderhoud en support.
Wat ik mis is een score die aangeeft hoe groot de kans is dat ik mijn functionele wensen en/of eisen -als die nog niet in een product aanwezig zijn- in een nabije release kan verwelkomen. Daarbij ga ik er gemakshalve van uit dat je vooral mee wilt werken aan de verdere ontwikkeling van het product zélf, en minder gericht bent op het starten van een eigen afsplitsing ("fork") van de software. Is de "wishlist" enigszins in overeenstemming met mijn eigen wensen, en kan ik de verwezenlijking er van positief beïnvloeden door mensen uit mijn eigen organisatie, of ingehuurd door mijn organisatie- in de community in te zetten? Eigenlijk de afweging: wat is mijn return-on-investment in een open source community?
Zo hoeft zelfs een must-have functionaliteit bij een open source product niet persé tot een knock-out bij pakketselectie te leiden. Als het zelf (laten) toevoegen van die functionaliteit eenvoudig mogelijk is (en dat bij voorkeur in de volgende standaard release mee komt) kan een product toch hoog scoren.
Misschien wel het beste voorbeeld hiervan is het een paar jaar terug in opdracht van de Ordnance Survey door Boundless laten uitbreiden van Geoserver zodat Geoserver volledig ana de Inspire eisen voldoet. De Ordnance Survey blij, omdat zo zo bij het hun vertrouwde Geoserver konden blijven én aan de Inspire eisen voldoen, u en ik blij omdat we de webservice van de Ordnance Survey soepel kunnen gebruiken, en alle andere Geoserver gebruikende partijen die ook Inspire verplichtingen hebben (zoals de provincie Noord-Holland) blij omdat zij op deze ontwikkeling kunnen meeliften.
Misschien dat daarvoor naast het OSMM en het OPSP nog een derde model kan worden ingevoerd Ik zou dat het Open Source Participation Model (OSPM) willen dopen, dat beschrijft in hoeverre een organisatie in staat is de mogelijkheden van open source volledig uit te nutten.
Labels:
foss4g,
Geoserver,
Noord-Holland,
Open Source,
opsp,
Ordina,
Ordnance Survey,
osmm
maandag 21 juli 2014
Een Inspire datacatalogus? Ik wil Meer! Meer! Meer!
Begin juli mocht ik namens de Stichting OSGeo.nl aanschuiven bij het halfjaarlijkse PDOK klantenpanel, dat sinds vorig jaar gecombineerd wordt met een Inspire gebruikersoverleg.
Voor diegenen die deze gremia niet kennen: vanuit de PDOK-beheerorganisatie (dus Kadaster), vanuit Inspire (Ministerie van IenM) en met medewerking van Geonovum wordt er tijdens deze overleggen toelichting gegeven op a) wat er aan diensten gerealiseerd is, b) wat er op de rol staat en vanuit de gebruikers van al dit moois feedback gevraagd. Noem het maar een klankbordgroep.
Tijdens de meeting een ferme discussie over de oude en de nieuwe BRT-achtergrond kaart (moet die persé 100% BRT zijn, of mag het ook een onsje BRT, aangevuld met ene paar gram NWB, een snufje AHN en een toefje OpenStreetMap blijven?).
Ook veel aandacht voor de één loket gedachte van PDOK (nu wordt de gebruiker nog van het data-kastje naar de service-muur gestuurd. Dit gaat veranderen; je kunt straks met zowel technische als data-inhoudelijke vragen bij het PDOK-loket terecht, die zetten het wel door naar 2e of zelfs 3e lijn.
En verder loopt er deze zomer een onderzoek naar de haalbaarheid van een PDOK-light, een voorziening die met name gemeenten moet helpen bij het aanbieden van open (geo)data.
Het verrassende hoogtepunt was het aan den volke tonen van een proof-of-concept van de Inspire Datagids. Matthias Snoei (SWIS) en Edward MacGillavry (Webmapper) hebben dit PoC gemaakt, waarbij goed webdesign het uitgangspunt is. Lees "the elements of user experience" als je meer wilt weten over de 5-S-en: strategy, scope, structure, skeleton, surface. Een absolute aanrader!
Het moet gezegd: de concept-datagids zag er mooi uit. Naast een goed doordacht design en interface, waren ook de omschrijvende teksten die de door de datagids bladerende eindgebruiker moeten verleiden tot het gebruik van de Inspire datasets weloverwogen. Niet die onbegrijpelijke technische kromtaal waar het NGR vol mee staat, maar heldere, ja zelfs wervende omschrijvingen waardoor het geo-water je bijkans door de mond loopt. En als het dan ook nog -zoals Matthias suggereerde- een gemakkelijk te onthouden domeinnaam als www.ngr.nl krijgt, dan zijn worden we helemaal blij.
Ja, app-bouwers en ruimtelijk beleidsmedewerkers boffen maar dat zij de doelgroep mogen vormen van deze geo-candy.
Wel een wat vreemde doelgroepmix trouwens. App bouwers willen data, beleidsmedewerkers willen informatie. Maar ik ben nog nooit een App-bouwer tegengekomen die specifiek Inspire data wil. Of een beleidsmedewerker die specifiek informatie uit datasets zoekt die dankzij Inspire beschikbaar zijn. Houd me ten goede hoor, ik vind het hartstikke mooi dat er onder invloed van Inspire allerlei geodata beschikbaar is gekomen. Maar een programma als SEIS heeft net zo goed veel moois opgeleverd.
Met slechts als Inspire datasets aangemerkte bronnen als inhoud lijkt deze catalogus vooral een Inspire-verkooptruc. Is het programmabudget op? En moeten er (bijvoorbeeld uit de budgetten voor de invoering Omgevingswet) nieuwe financiële bronnen worden aangeboord?
What's next? Een compleet fake-portaal? Met alleen screendumpjes in een Prezi achter elkaar geplakt?
Mijn voornaamste bezwaar is dat we als geo-sector hier een enorme kans laten liggen om het nationaal georegister (NGR) eindelijk die boost te geven die het al zo lang nodig heeft.
Schreeuw s.v.p .even met mij mee:
- Willen jullie meer of minder redactie op de content (de omschrijvingen van de datasets)?
(allen:) Meer!-
Willen jullie meer of minder controle op het aan de voordeur tegenhouden van onnodige datasets
(allen:) Meer!
- Willen jullie een meer of een minder wervende vormgeving?
(allen:) Meer!
- Willen jullie meer of minder dan alleen de Inspire datasets?
(allen:) Meer!
En verder:
- Een kortere URL: handig! (is www.catalogis.nl misschien iets?)
- Een meer handigere user-interface: heel graag!
Mét de complete inhoud van het NGR, mét de harvesting mogelijkheden. We waren met z'n allen toch zo voor standaarden (ISO19115 enzo, CSW, Dublin Core)? En voor data bij de bron, dus ook metadata bij de bron!
Ik zou zeggen: dit proof-of-concept was een inspirende vingeroefening. Effect bereikt. Dank u. Punt.
Mix het idee met het geoportaal geopunt.be van onze zuiderburen, en maak daarmee geo-informatie over de volle breedte dé succesfactor voor de omgevingswet, in plaats van te navelstaren op alleen Inspire-datasets.
Donderdag 4 september is de kans om je stem voor de Grote Sprong Voorwaarts voor het NGR te laten horen. Ik weet dat er binnen Nederland genoeg concrete ideeën zijn om zo'n stap te maken én genoeg ontwikkelkracht om dat ook daadwerkelijk waar te maken.
Dan zijn we echt voor een langere periode aan het investeren, in plaats van het najagen van een korte termijnwinst.
Tot 4 september, in Amersfoort!
Voor diegenen die deze gremia niet kennen: vanuit de PDOK-beheerorganisatie (dus Kadaster), vanuit Inspire (Ministerie van IenM) en met medewerking van Geonovum wordt er tijdens deze overleggen toelichting gegeven op a) wat er aan diensten gerealiseerd is, b) wat er op de rol staat en vanuit de gebruikers van al dit moois feedback gevraagd. Noem het maar een klankbordgroep.
Tijdens de meeting een ferme discussie over de oude en de nieuwe BRT-achtergrond kaart (moet die persé 100% BRT zijn, of mag het ook een onsje BRT, aangevuld met ene paar gram NWB, een snufje AHN en een toefje OpenStreetMap blijven?).
Ook veel aandacht voor de één loket gedachte van PDOK (nu wordt de gebruiker nog van het data-kastje naar de service-muur gestuurd. Dit gaat veranderen; je kunt straks met zowel technische als data-inhoudelijke vragen bij het PDOK-loket terecht, die zetten het wel door naar 2e of zelfs 3e lijn.
En verder loopt er deze zomer een onderzoek naar de haalbaarheid van een PDOK-light, een voorziening die met name gemeenten moet helpen bij het aanbieden van open (geo)data.
Het verrassende hoogtepunt was het aan den volke tonen van een proof-of-concept van de Inspire Datagids. Matthias Snoei (SWIS) en Edward MacGillavry (Webmapper) hebben dit PoC gemaakt, waarbij goed webdesign het uitgangspunt is. Lees "the elements of user experience" als je meer wilt weten over de 5-S-en: strategy, scope, structure, skeleton, surface. Een absolute aanrader!
Het moet gezegd: de concept-datagids zag er mooi uit. Naast een goed doordacht design en interface, waren ook de omschrijvende teksten die de door de datagids bladerende eindgebruiker moeten verleiden tot het gebruik van de Inspire datasets weloverwogen. Niet die onbegrijpelijke technische kromtaal waar het NGR vol mee staat, maar heldere, ja zelfs wervende omschrijvingen waardoor het geo-water je bijkans door de mond loopt. En als het dan ook nog -zoals Matthias suggereerde- een gemakkelijk te onthouden domeinnaam als www.ngr.nl krijgt, dan zijn worden we helemaal blij.
Ja, app-bouwers en ruimtelijk beleidsmedewerkers boffen maar dat zij de doelgroep mogen vormen van deze geo-candy.
Wel een wat vreemde doelgroepmix trouwens. App bouwers willen data, beleidsmedewerkers willen informatie. Maar ik ben nog nooit een App-bouwer tegengekomen die specifiek Inspire data wil. Of een beleidsmedewerker die specifiek informatie uit datasets zoekt die dankzij Inspire beschikbaar zijn. Houd me ten goede hoor, ik vind het hartstikke mooi dat er onder invloed van Inspire allerlei geodata beschikbaar is gekomen. Maar een programma als SEIS heeft net zo goed veel moois opgeleverd.
Met slechts als Inspire datasets aangemerkte bronnen als inhoud lijkt deze catalogus vooral een Inspire-verkooptruc. Is het programmabudget op? En moeten er (bijvoorbeeld uit de budgetten voor de invoering Omgevingswet) nieuwe financiële bronnen worden aangeboord?
What's next? Een compleet fake-portaal? Met alleen screendumpjes in een Prezi achter elkaar geplakt?
Mijn voornaamste bezwaar is dat we als geo-sector hier een enorme kans laten liggen om het nationaal georegister (NGR) eindelijk die boost te geven die het al zo lang nodig heeft.
Schreeuw s.v.p .even met mij mee:
- Willen jullie meer of minder redactie op de content (de omschrijvingen van de datasets)?
(allen:) Meer!-
Willen jullie meer of minder controle op het aan de voordeur tegenhouden van onnodige datasets
(allen:) Meer!
- Willen jullie een meer of een minder wervende vormgeving?
(allen:) Meer!
- Willen jullie meer of minder dan alleen de Inspire datasets?
(allen:) Meer!
En verder:
- Een kortere URL: handig! (is www.catalogis.nl misschien iets?)
- Een meer handigere user-interface: heel graag!
Mét de complete inhoud van het NGR, mét de harvesting mogelijkheden. We waren met z'n allen toch zo voor standaarden (ISO19115 enzo, CSW, Dublin Core)? En voor data bij de bron, dus ook metadata bij de bron!
Ik zou zeggen: dit proof-of-concept was een inspirende vingeroefening. Effect bereikt. Dank u. Punt.
Mix het idee met het geoportaal geopunt.be van onze zuiderburen, en maak daarmee geo-informatie over de volle breedte dé succesfactor voor de omgevingswet, in plaats van te navelstaren op alleen Inspire-datasets.
Donderdag 4 september is de kans om je stem voor de Grote Sprong Voorwaarts voor het NGR te laten horen. Ik weet dat er binnen Nederland genoeg concrete ideeën zijn om zo'n stap te maken én genoeg ontwikkelkracht om dat ook daadwerkelijk waar te maken.
Dan zijn we echt voor een langere periode aan het investeren, in plaats van het najagen van een korte termijnwinst.
Tot 4 september, in Amersfoort!
De onzekere toekomst van de Omgevingswet
In de zomereditie van het vakblad Geo-info (nr. 2014-4) die ik dit weekend doorbladerde las ik een column van Willemijn Simon van Leeuwen. De Geofort directeur beschrijft in die column de tegenover minister Bussemaker geuitte wens om aanpassingen van het bestemmingsplan en vergunningsverlening meer "principle based" dan "rule based" (zeg maar: meer naar de geest van de wet dan naar de letter van de wet) te laten verlopen. Dit met in het achterhoofd gepietlut over de mogelijke ecologische waarde van het Geofort, en de geconstateerde kans op archeologische vondsten in deze huiskamer van de Nederlandse geo-sector.
Ik hoop dat Minister Bussemaker het hier nog even met haar collega Schultz van Haegen over heeft gehad. Die laatste heeft immers net Omgevingswet, de integrale wet voor het ruimtelijke domein, die onder meer de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO) gaat vervangen, naar het parlement gestuurd. De WRO, u weet wel, die wet waaruit de digitale ruimtelijke plannen voortvloeien. Plannen met lekker scherpe, eenduidige grenzen, waarmee de afdeling vergunningen gemakkelijk kan toetsen of een geplande dakkapel (of aanleg van een Geofort) is toegestaan of niet.
Toelatingsplanologie, heet dat in vaktermen. Met de ontwikkelingsplanologie (de overheid als gebiedsontwikkelaar) als tussenstap zijn we inmiddels bij de uitnodigingsplanologie terecht gekomen. de overheid als verleider voor ruimteljke ontwikkelingen, met slechts streefbeelden en ruwe richtingen als leidraad, in plaats van die in beton gegoten bestemmingen. Goed nieuws voor Willemijn, lijkt me. Een liberale ruimtelijke ordening, in plaats van de -van oudsher vaak sociaal democratische- zwart-witte grenzen.
So far, so good. En de geosector is er maar al te zeer van doordrongen dat zij de Omgevingswet wat te bieden heeft (of lelijker gezegd: dat er wat valt mee te eten uit de ruif die Omgevingswet heet). Met het programma GOAL moet de virtuele Laan van de Leefomgeving worden voorgegeven, waaraan informatiehuizen voor diverse domeinen staan. Met basisregistraties en PDOK als bron en leverantiekanaal komt dat vast wel goed.
Maar hoe vertaal je uitnodigingsplanologie naar een GIS? Het uitnodigen zelf is al niet gemakkelijk, want dan moet je een wensbeeld in kaart brengen: dát trekt je niet zomaar uit wat basisregistraties.
Nog complexer wordt het geo-ondersteund toetsen. Met die zwart-witte WRO grenzen was dat gemakkelijk; ja of nee, 't mag of het mag niet, desnoods met 6 cijfers achter de komma van X, Y en Z. Kaasje voor de immer naar hoge nauwkeurigheid en exactheid strevende geo-sector.
Maar nu? Geen kwantitatieve benadering, maar een kwalitatieve. Geen beton maar rubber. Geen zwart-wit, maar de kleur van je hart.
Een moeilijk, maar voor de geosector erg interessant en relevant puzzeltje. Wellicht kan het RGI onderzoek uit 2008 naar Omgaan met onzekere planobjecten een inspiratiebron zijn. De insteek in dat onderzoek was weliswaar omgekeerd, want daar was de vraag hoe kan ik met om allerlei redenen onscherpe grenzen toch toelatingsplanologie uitvoeren? Maar als je dat rapport 90 graden kantelt komt je wellicht al een eind in de goede richting.
Ik hoop dat Minister Bussemaker het hier nog even met haar collega Schultz van Haegen over heeft gehad. Die laatste heeft immers net Omgevingswet, de integrale wet voor het ruimtelijke domein, die onder meer de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO) gaat vervangen, naar het parlement gestuurd. De WRO, u weet wel, die wet waaruit de digitale ruimtelijke plannen voortvloeien. Plannen met lekker scherpe, eenduidige grenzen, waarmee de afdeling vergunningen gemakkelijk kan toetsen of een geplande dakkapel (of aanleg van een Geofort) is toegestaan of niet.
Toelatingsplanologie, heet dat in vaktermen. Met de ontwikkelingsplanologie (de overheid als gebiedsontwikkelaar) als tussenstap zijn we inmiddels bij de uitnodigingsplanologie terecht gekomen. de overheid als verleider voor ruimteljke ontwikkelingen, met slechts streefbeelden en ruwe richtingen als leidraad, in plaats van die in beton gegoten bestemmingen. Goed nieuws voor Willemijn, lijkt me. Een liberale ruimtelijke ordening, in plaats van de -van oudsher vaak sociaal democratische- zwart-witte grenzen.
So far, so good. En de geosector is er maar al te zeer van doordrongen dat zij de Omgevingswet wat te bieden heeft (of lelijker gezegd: dat er wat valt mee te eten uit de ruif die Omgevingswet heet). Met het programma GOAL moet de virtuele Laan van de Leefomgeving worden voorgegeven, waaraan informatiehuizen voor diverse domeinen staan. Met basisregistraties en PDOK als bron en leverantiekanaal komt dat vast wel goed.
Maar hoe vertaal je uitnodigingsplanologie naar een GIS? Het uitnodigen zelf is al niet gemakkelijk, want dan moet je een wensbeeld in kaart brengen: dát trekt je niet zomaar uit wat basisregistraties.
Nog complexer wordt het geo-ondersteund toetsen. Met die zwart-witte WRO grenzen was dat gemakkelijk; ja of nee, 't mag of het mag niet, desnoods met 6 cijfers achter de komma van X, Y en Z. Kaasje voor de immer naar hoge nauwkeurigheid en exactheid strevende geo-sector.
Maar nu? Geen kwantitatieve benadering, maar een kwalitatieve. Geen beton maar rubber. Geen zwart-wit, maar de kleur van je hart.
Een moeilijk, maar voor de geosector erg interessant en relevant puzzeltje. Wellicht kan het RGI onderzoek uit 2008 naar Omgaan met onzekere planobjecten een inspiratiebron zijn. De insteek in dat onderzoek was weliswaar omgekeerd, want daar was de vraag hoe kan ik met om allerlei redenen onscherpe grenzen toch toelatingsplanologie uitvoeren? Maar als je dat rapport 90 graden kantelt komt je wellicht al een eind in de goede richting.
Denk niet zwart-wit!
Abonneren op:
Posts (Atom)
